Is dit nog wel mijn kerk?

Net zoals duizenden andere adventisten, verspreid over de hele wereld, volgde ik op maandag 9 oktober gespannen het verloop van de vergadering van het wereldbestuur van de Adventkerk. Het bestuur besprak het inmiddels beroemd (berucht?) geworden veertien bladzijden tellende document met een voorstel over strafmaatregelen voor kerkelijke leiders uit unies die zich niet aan de regels van de Generale Conferentie houden. Maar ik volgde een en ander niet alleen gespannen maar ook met gestaag toenemende verbazing en afschuw. Heftiger dan ooit tevoren vroeg ik mij af: Is dit nog wel mijn kerk?

Ik ga geen analyse geven van het document. Dat is al door vele anderen gedaan en van allerlei kanten is al commentaar geleverd op de manipulatieve manier waarop het document zijn weg vond naar de algemene vergadering en op de vooringenomen manier waarop de vergadering werd geleid.

Maar ik dank God voor al degenen die zich tegen dit voorstel keerden: voor de 184 personen die aangaven dat dit document van tafel moest en weer terug moest naar de tekentafel. Ik dank God voor mensen als Jan Paulsen, Dan Jackson, Brad Kemp, Thomas Mueller en anderen. Ik dank God voor de penningmeester van de Generale Conferentie die er geen twijfel over liet bestaan dat hij faliekant tegen de visie op de vrouw in het ambt van voorzitter Wilson is. Ik dank God voor een man als Thomas Lemon, een vice-voorzitter van de Generale Conferentie, die overduidelijk was in zijn verwijzing naar autoritaire tendensen in de top van de kerk. Mensen zoals zij zorgen ervoor dat ik niet opschuif naar de uitgang van de kerk.

Maar het zijn niet alleen mensen als welke ik zojuist noemde die me helpen om de kerk trouw te blijven. Sabbat j.l. had ik het voorrecht te preken tijdens de jaarlijkse dag voor 55-plussers. De voorbereidingscommissie had mij gevraagd te preken over het onderwerp:  Heeft geloven zin? Toen ik halverwege augustus aan deze preek begon te werken, aan de keukentafel in het huis van mijn zoon in Zweden, vroeg ik mij af wat ik met dit thema moest beginnen. Maar geleidelijk aan begon de preek in mijn gedachten vorm te krijgen. Het bleek afgelopen sabbat dat wat ik zei voor veel toehoorders betekenis had. Dat maakte ik tenminste op uit het ongewoon grote aantal positieve opmerkingen die ik na de preek kreeg. Maar het sterke gevoel van saamhorigheid tijdens deze dag en de warme sfeer deed mij stilstaan bij iets wat ik te midden van alle politieke gedoe aan de kerkelijke top soms bijna vergeet, namelijk dat de kerk niet zonder meer vereenzelvigd moet worden met de organisatie die vanuit Silver Spring wordt geleid. De kerk bestaat eerst en vooral uit de mensen aan de basis, die in al hun verscheidenheid hun geloof zo goed mogelijk in praktijk proberen te brengen vanuit de plaatselijke of regionale gemeenschap waarvan zij deel uitmaken. Dat is in de eerste plaats de kerk die mij na aan het hart ligt. Natuurlijk neemt dat niet weg dat er overkoepelende organen nodig zijn en dat we alle invloed waarover we beschikken moeten gebruiken om te bevorderen dat deze organisaties de wereldkerk dienen in plaats van over ze te heersen. Bij dit alles moeten we nooit vergeten dat het nieuwtestamentische concept van de kerk bestaat uit een gemeenschap van ‘zondige heiligen’ in een bepaalde geografische locatie. Dat is waar het kerk-zijn gestalte krijgt. En het doet me deugd vast te stellen dat dit heel vaak een positieve gestalte is. En daarom blijft er alle reden voor mij om de kerk trouw te blijven!

 

Bang voor zondagswetten?

Ik woon in een plaats met zo’n 20.000 inwoners. Een aanzienlijk deel van de mensen die naar de kerk gaan behoren tot kerken van het meer behoudende gereformeerde type. Zeewolde is geen onderdeel van de Veluwse Bible Belt, maar we grenzen eraan en merken de invloed ervan. Voor veel plaatsgenoten is zondagviering nog steeds heel belangrijk en de plaatselijke politiek moet voorzichtig manoeuvreren bij het bepalen van wat al dan niet op zondag is toegestaan. Maar net als in andere delen van het land willen ook steeds meer van mijn plaatsgenoten op zondag kunnen winkelen. Tot nu toe is er op dat gebied in onze woonplaats nog niet veel mogelijk. Maar vorige week kreeg in een enquête van het gemeentehuis met vragen over het eventuele verruiming van winkelen op zondag. Ook hier zijn de zaken dus in beweging.

Als ik zo bezie wat er de laatste tientallen jaren in Nederland (en ook in andere Europese landen) op het gebied van zondagviering is gebeurd, kun je je moeilijk voorstellen dat er een moment komt waarop de autoriteiten zondagviering bij wet zullen afdwingen en degenen die dwarsliggen zullen gaan vervolgen. Maar het idee dat de zondagviering ooit wettelijk zal worden voorgeschreven is nog steeds springlevend bij heel wat zevendedags adventisten. Een paar dagen geleden zag ik een post op Facebook waarin werd gezegd dat Donald Trump een verklaring heeft getekend waarin (in het kader van het weer-groot-maken-van-Amerika) wordt voorgeschreven dat alle Amerikanen de zondag moeten gaan vieren, op straffe van arrestatie en tien jaar dwangarbeid. Nu is het inmiddels wel duidelijk dat, zodra we ergens de naam van President Trump tegenkomen, we verwachten dat we met ‘fake’ nieuws te maken krijgen. Maar toch is het een stuk realiteit dat sommige mensen kennelijk zo intens met dit onderwerp bezig zijn dat ze ertoe overgaan dit soort nonsens te produceren. En als je je soms afvraagt of er nog veel adventisten zijn die zich over het onderwerp van de zondagswetten druk maken, neem dan maar even een paar minuten om te googlen!

Tijdens de vorige week in Silver Spring (VS) gehouden jaarvergaderingen van het wereldbestuur van de Adventkerk kregen alle 300-plus aanwezigen een exemplaar van een compilatie van uitspraken van Ellen White, getiteld Last Day Events. Een van de langste hoofstukken van het boek is gewijd aan Sunday Laws!

Ellen White schreef tegen de achtergrond van het einde van de negentiende eeuw. Destijds waren er sterke krachten die strikte zondagswetten wilden. Een aantal Amerikaanse staten namen inderdaad zondagswetten aan die tot gevolg hadden dat een aanzienlijk aantal sabbatvierders werden gearresteerd, gevangenisstraf kregen en/of een boete moesten betalen. Ook tegenwoordig zijn er nog steeds personen en organisaties die zondagviering graag verplicht zouden willen stellen. Maar die hebben betrekkelijk weinig invloed.

Al met al is een wijde kloof ontstaan tussen de traditionele adventistische uitleg van bepaalde profetieën en de werkelijkheid om ons heen. Het is eenvoudigweg geen geloofwaardige veronderstelling meer dat in de toekomst zondagviering op wereldwijde schaal door de overheid zal worden afgedwongen, met vervolging van sabbatvierders als gevolg. En het is belangrijk dat te erkennen. Als er een ernstige dissonantie ontstaat tussen de werkelijkheid en bepaalde profetische interpretaties, raken velen alle interesse en vertrouwen kwijt in alles wat met bijbelse profetie te maken heeft.

Adventisten hebben heel wat belangrijke dingen te zeggen over de betekenis van het vieren van de bijbelse rustdag op een betekenisvolle wijze. Het is een belangrijke en aantrekkelijke boodschap in een tijd waarin veel mensen het steeds moeilijker vinden om in hun drukke bestaan tijden van ‘rust’ in hun leven in te bouwen. Laten we alles doen wat we kunnen om anderen te overtuigen van de zegeningen van de Sabbat, zonder mensen te belasten met theorieën die steeds minder geloofwaardig zijn.

 

Een andere kijk op geschiedenis

Ik ben een fan van de in 2011 overleden historicus A.Th. van Deurssen.  Vooral zijn boek Een Dorp in de Polder (1994) fascineerde mij.

In Een Dorp in de Polder schrijft van Deurssen over het dagelijks leven van gewone mensen in het 17e eeuwse Graft, een klein plaatsje niet ver van Alkmaar. Ik woonde in mijn jeugd er ongeveer 10 kilometer vandaan.  Ik had destijds geen idee van de roemrijke geschiedenis van dit plaatsje, dat in de zeventiende eeuw een flink aandeel had in de vaderlandse walvisvaart.

Het toeval wil dat heel veel bronnen uit die periode in Graft bewaard zijn gebleven, zodat van Deurssen voldoende materiaal had om ons een goed idee te geven van hoe het dagelijks leven in Graft er destijds moet hebben uitgezien. Het bijzondere is eigenlijk dat je, als je het boek hebt gelezen, niet alleen veel weet van de lotgevallen van een aantal families in het Graft van de Gouden Eeuw, maar dat je vooral ook een veel beter algemeen beeld hebt gekregen van die periode van de vaderlandse geschiedenis dan je vaak krijgt in de klassieke geschiedenisboeken.

Er zijn wel meer historici die het op deze wijze aanpakken. Een beroemd voorbeeld is de studie van Emmanuel le Roy Ladurie, die enkele tientallen jaren geleden in zijn boek Montaillou een gedetailleerde beschrijving gaf van wat de Inquisitie aanrichtte in een veertiende-eeuws dorpje in de Pyreneeën. De inwoners van het dorp werden ervan verdacht dat zij aanhangers waren van de door de Kerk gehate beweging van de Katharen (ook wel bekend als Albigenzen).  Hoewel het boek in zekere zin een stukje geschiedenis presenteert op de vierkante millimeter, heb je toch na lezing ervan een heel goed totaalbeeld gekregen van de Katharen—wat ze dachten, wat hen motiveerde en hoe ze behandeld werden. [Helaas ben ik het boek kwijtgeraakt. Ik heb het ooit uitgeleend aan de Nederlandse ambassadeur in Yaoundé, Kameroen (waar ik destijds woonde), maar heb het nooit teruggekregen!)

Geschiedenisboeken beperken zich vaak tot een beschrijving van de rol van de belangrijkste leiders en van hun grote daden (of het gebrek daaraan). Maar het leven van de gewone mensen blijft gewoonlijk sterk onderbelicht en daardoor krijg je maar een heel eenzijdig en beperkt beeld van hoe het in feite was. Dat geldt ook voor de kerkgeschiedenis. Als we ons, bijvoorbeeld, bezighouden met de geschiedenis van de kerkhervorming van de zestiende eeuw, gaat het meestal vooral over Luther en Calvijn en hun directe medewerkers, maar horen we weinig over hoe de gewone mensen het allemaal ervoeren en hoe de dorpspastoor van katholiek geestelijk tot ‘gereformeerde’ dominee evolueerde.

Wie over de geschiedenis van het adventisme schrijft, legt meestal ook de nadruk op de belangrijke leiders—de ‘pioniers’ van het eerste uur en de voorzitters van de Generale Conferentie die na hen kwamen—en de belangrijkste bijeenkomsten (zoals de conferenties van 1888 en 1901). Maar dat geeft slechts een heel eenzijdige blik op de geschiedenis.

De geschiedenis van de Adventkerk in Nederland wordt ook niet samengevat in de fotogalerij van unievoorzitters die op de benedenetage van het landelijk kantoor te vinden is (hoewel het me deugd doet dat mijn foto er tussen hangt). Je zou, als je de geschiedenis van de Adventkerk in Nederland zou willen beschrijven, misschien een plaatselijke gemeente moeten nemen en moeten nagaan wat er in zo’n gemeente allemaal is gebeurd en welke processen er hebben gespeeld. Hoe functioneerde die gemeente in de jaren 1950? Hoe zag de eredienst er daar vijftig geleden uit? En dertig jaar geleden? En nu? Welke familiebanden waren er en hoe beïnvloedde dat de gang van zaken in die gemeente? Hoe evangeliseerde men door de jaren heen vanuit die gemeente? Wat laten de notulen van de vergaderingen van het gemeentebestuur (nu meestal als ‘kerkenraad’ aangeduid) zien ten aanzien van disciplinaire maatregelen? Enz., enz. Dat zou een pakkend beeld kunnen geven van de eigenlijke geschiedenis van het adventisme in Nederland. Laten we hopen dat het niet al te land duurt voordat iemand  zo’n soort boek schrijft.

Vechtende broers

Dr. John Harvey Kellogg is een van meest fascinerende en kleurrijke figuren in de geschiedenis van het adventisme. In zijn jeugd was hij een protegé van Ellen en James White. Zij betaalden zijn medische studie en door hun toedoen werd hij op 24-jarige leeftijd benoemd tot hoofd van het Western Health Reform Institute in Battle Creek. Deze eerste adventistische gezondheidsinstelling zou uitgroeien tot het befaamde Battle Creek Sanitarium. Tientallen jaren lang was J.H. Kellogg de steeds innoverende kapitein op dit vlaggenschip van het vroege adventisme.  Adventistische historici schilderen ‘ de Doctor’ gewoonlijk als een genie, die met veel van zijn ideeën zijn tijd ver vooruit was–een beroemde arts, de auteur van tientallen boeken, uitvinder van talrijk gezondheids-bevorderende apparaten en degene die een reeks wereldbekende gezonde voedingsproducten ontwikkelde. In de loop der jaren zouden de rijken en de leden van de high society zich naar het stadje in het landelijk centrum van de staat Michigan begeven om daar in het Battle Creek Sanitarium aan hun lichamelijk welzijn te laten sleutelen.

De adventistische historici die over John Harvey Kellogg hebben geschreven (eerst en vooral Richard W. Schwartz[1]) hebben ‘de Doctor’ niet alleen de hemel in geprezen vanwege zijn grote verdiensten, maar hebben ook toegegeven dat hij vaak een heel moeilijk mens was, die in toenemende mate in conflict kwam met Ellen White en de andere leiders van de Adventkerk. Dit leidde uiteindelijk tot een scheiding der wegen en John Harvey Kellogg werd zelfs geroyeerd als lid van de kerk. De beschuldiging dat zijn boek The Living Temple pantheïstische trekken vertoonde was de officiële reden voor deze drastische maatregel, maar feitelijk was er het onderliggende probleem dat Kellogg veel te groot en te machtig was geworden om e passen in de kleine adventistische gemeenschap.

In adventistische boeken wordt gewoonlijk maar weinig plaats ingeruimd voor John Harvey’s jongere broer Will Keith. Dat is begrijpelijk, want hij had een veel minder grote impact op het vroege adventisme dan zijn oudere broer.  Maar beide broers waren belangrijke personen en wat Will Keith uiteindelijk naliet was nog veel indrukwekkender dan de geestelijke erfenis van John Harvey. Will Keith stierf, net als zijn broer, op 91-jarige leeftijd. Aan het einde van zijn leven was hij schatrijk en de charitatieve stichting die hij in het leven riep bestaat nog steeds en heeft nu een vermogen van zo’n tien miljard dollar.

Een paar weken geleden verscheen een doorwrocht (maar ook heel leesbaar) boek, dat in tegenstelling met de adventistische literatuur, ruime aandacht schenkt aan beide broers, en vooral aan hun uiterst gecompliceerde onderlinge relatie. Het is geschreven door Howard Markel, een professor in de medische geschiedenis aan de University of Michigan en heeft als titel: The Kelloggs: the Battling Brothers of  Battle Creek (De Kelloggs: de vechtende broers van Battle Creek).[2]

De loopbaan van Will Keith begon als employé van zijn broer John Harvey in de San, zoals het Battle Creek Sanitarium in de volksmond werd genoemd. Hij ontwikkelde zich tot het grote zakelijke brein van de enorme instelling  met meer dan 1000 werknemers, maar kreeg daarvan nauwelijks enige erkenning van zijn broer. Zij lagen voortdurend met elkaar overhoop–John Harvey met zijn enorm opgeblazen ego en zijn broer met zijn (althans aanvankelijke) zware minderwaardigheidscomplex. Maar toen na zo’n 25 jaar Will Keith zich van zijn broer losmaakte en zijn voedings-imperium begon met veel succesvolle producten, rees zijn eigen ster pijlsnel. Helaas maakte dat echter geen einde aan de ruzies tussen de twee broers. Het gevecht over patenten en andere zakelijke aangelegenheden leidde tot tien jaar voortslepende rechtszaken die tenslotte in het voordeel van Will Keith eindigden in de Hoge Raad van de staat Michigan.

Ik vond het boek over de twee broers niet alleen fascinerend, maar ook buitengewoon tragisch. Zij begonnen hun leven als toegewijde adventisten, maar raakten geleidelijk aan vervreemd van hun godsdienstige wortels. Geen van beiden was echt gelukkig, ondanks hun grote succes. Hun leven werd verknoeid door een intense bitterheid en zij waren niet in staat tot verzoening te komen, ondanks de poging daartoe van ‘de Doctor’ nog vlak voor zijn dood. Terwijl ik het boek las kon ik de gedachte niet van mij afzetten: Is dit de invloed die geloof en godsdienst op sommige mensen heeft? Mogen we van het christelijk geloof niet verwachten dat het verschillen tussen mensen overbrugt en hen tot echte ‘broeders’ en ‘zusters’ maakt?

Elke keer dat ik in de toekomst een pak Kellogg cornflakes openmaak en de handtekening van Will Keith zie die nog steeds op elk Kellogg-product staat, zal ik ongetwijfeld moeten denken aan sommige van de tragische dingen die in dit boek worden beschreven. Het zal mij eraan herinneren dat christen-zijn niets voorstelt als het van ons geen ‘aardiger’ mensen maakt, die op zoek zijn naar vrede in hun relatie met anderen.

 


[1] Richard W. Schwartz, John Harvey Kellogg, MD (Nashville, TN: Southern Publishing Association, 1970). [2]  Uitgegeven door Pantheon (New York, 2017).

Kunnen wij Christus’ terugkeer verhaasten?

Ik ben druk bezig met het schrijven van een boekje over de gevaren van de zgn. Last Generation Theology (LTG–de theologie van de laatste generatie).  Dat dwingt mij om uitgebreid te lezen over allerlei zaken die in meerdere of mindere mate in verband staan met dit thema. Een gedachte die bij veel adventisten–en niet alleen bij LGT-supporters–te vinden is, is de overtuiging dat de wederkomst aanzienlijk vertraagd is door ons gebrek aan ijver in het verspreiden van de boodschap van de drie engelen. Als wij (en vorige generatie zijn daarbij ingesloten) beter ons best hadden gedaan, dan zou Christus al lang zijn teruggekomen. Degenen die deze verklaring voor de (ogenschijnlijke) vertraging van de wederkomst onderschrijven, vinden al snel een paar citaten van Ellen White om hun standpunt kracht bij te zetten. Zie bijvoorbeeld wat zij zegt in haar boek The Desire of Ages (Jezus-de Wens der Eeuwen): ‘Als de kerk van Christus de taak had volbracht die haar was opgedragen, dan zou de gehele wereld al zijn gewaarschuwd en zou Jezus in al zijn heerlijkheid al zijn teruggekomen.’[1

Als ons gebrek aan zendingsijver er een van de oorzaken van is dat de terugkeer van Christus is vertraagd, dan is de keerzijde van de medaille dat een grotere zendingsdrang de wederkomst dichterbij kan brengen. Dat lijkt een redelijke conclusie, want vertelt 2 Petrus 3:12 ons niet dat wij de komst van de Heer kunnen versnellen? Ellen White zegt het heel stellig: ‘Door het evangelie aan de wereld te brengen kunnen wij de terugkeer van onze Heer verhaasten. We moeten niet alleen uitzien naar de dag van God maar moeten die ook dichterbij brengen.[2]  En: Hij heeft ons de macht gegeven om, in samenwerking met hem, de ellende in de wereld tot een einde te brengen.’[3]

Onder de vele adventistische auteurs die ik in de afgelopen dagen heb geconsulteerd waren Norman Gulley en Sakae Kubo. Beiden zijn gerespecteerde adventistische academici. Kubo is nu de negentig jaar gepasseerd en hoewel Gulley minder bejaard is heeft ook hij de pensioenleeftijd ruimschoots bereikt. Het is denk ik fair om te zeggen dat Kubo zich in theologisch opzicht ietwat links van het midden bevindt, terwijl we Gulley enigszins rechts van het centrum moeten plaatsen. Beiden benadrukken dat het Griekse woord speudo, dat in 2 Petrus 3:12 wordt gebruikt,niet alleen kan worden vertaald met ‘verhaasten’, maar ook met ‘intens verlangen naar’. En beide auteurs stellen ook met nadruk dat het idee van het ‘verhaasten’ van de wederkomst op een aantal ernstige theologische problemen stuit. We kunnen de begrippen ‘vertragen’ en ‘verhaasten’ niet in hun absolute betekenis opvatten, maar eerder als uitdrukking van onze menselijke perceptie.

Ik citeer beide schrijvers.  Gulley: ‘Als wij mensen echt zelf de Advent zouden kunnen verhaasten, zou dat het grootste voorbeeld zijn van zaligheid-door-werken–wat in volkomen tegenspraak is met het evangelie.’ [4]  Kubo is nog indringender: ‘We moeten goed in gedachten houden dat het godslasterlijk zou zijn te denken da we op de een of andere manier door menselijke inspanning Christus terug kunnen doen keren.’[5]

Er valt veel meer over dit onderwerp te zeggen dan in een korte blog mogelijk is. Maar ik zou iedereen die het met de paplepel heeft binnengekregen dat we de komst van Jezus kunnen vertragen of verhaasten, willen aanraden dit onderwerp nog eens grondig te bestuderen. Dat kan wellicht een wat evenwichtiger beeld geven. En laat mij dit er nog aan toevoegen: Kubo’s boek God Meets Man, dat gaat over de sabbat en de wederkomst, is naar mijn smaak onovertroffen. Het moet hoognodig weer eens opnieuw worden uitgegeven!



[1]  Ellen G. White, The Desire of Ages, pp. 633, 624;  [2]  The Desire of Ages, p. 633. [3]  Education, p. 264. [4]  Gulley, Christ is Coming, p. 542. [5]  Kubo, God Meets Man, p. 101.