Skip to content

Elk nadeel heeft zijn voordeel

Toen we dinsdagmorgen in de Zweedse plaats Borlänge welgemoed aan de volgende etappe van onze thuisreis zouden beginnen wachtte ons in de garage (onder het hotel), waar we onze auto hadden geparkeerd, een nare verrassing. Een van de zijruiten was in gruzels geslagen en een deel van de inhoud van de auto was verdwenen. Twee flinke koffers met inhoud en een aantal andere spullen waren gegapt. Na drie weken hadden we uiteraard een flinke hoeveelheid vuil wasgoed verzameld, maar na terugkeer op woensdagavond in Zeewolde viel er voorlopig niet viel te wassen (ziedaar het voordeel!).

 

Zo’n diefstal is natuurlijk een heel gedoe, want voordat de politie er is en een rapportje heeft opgemaakt en voordat je met stevig plastic het gapende gat hebt dichtgemaakt, ben je al gauw anderhalf uur verder. Maar uiteindelijk bleek dat we ons niet hadden hoeven haasten om laat in de middag toch op tijd bij de ferry in Gõtenborg te zien. De Stena-line, die ons naar Kiel moest brengen, had die dag een nieuw schip in gebruik genomen, en dat was kennelijk voor de bemanning behoorlijk wennen. Met vier uur vertraging en de nodige problemen vertrok de Stena Germanica III uiteindelijk.

 

Dit soort ongemakken horen nu eenmaal bij het reizen. En wat zou je eigenlijk klagen als je zelf fysiek weer heelhuids op de plek van bestemming bent gearriveerd? Inmiddels is een nieuwe ruit gemonteerd en de firma van de reisverzekering stuurt ons de schadeformulieren toe.  

 

Ik zal me nu eerst concentreren op een artikel voor ons Duitse kerkblad (zo af en toe krijg ik een verzoek om een bijdrage) en op mijn maandelijkse bijdrage voor Advent en zal ik ook de laatste hand leggen aan de voorbereiding van wat ik op vanavond en zaterdag ga zeggen tijdens de jaarlijkse Kinship-bijeenkomst.  Kinship is de organisatie van adventistische homoseksuelen, met afdelingen in tientallen landen. Ook in Nederland is er een kleine afdeling en deze heeft het komend weekend een bijeenkomst georganiseerd, waarbij ook mensen uit andere landen worden verwacht. Plaats van samenkomst is een recreatiepark in Noord-Limburg. Men kiest voor zo’n bijeenkomst gewoonlijk een spreker die een rol heeft binnen de Adventkerk en dit keer werd ik gevraagd om de gastspreker te zijn. Ik ga het hebben over ‘diversiteit’; over hoe onze westerse cultuur daarmee omgaat, hoe de Bijbel daar tegenaan kijkt, en hoe divers de Adventkerk was, is en wil zijn. Het klinkt, als je het zo zegt, misschien redelijk droog, maar ik hoop dat mijn verhaal zinvol zal blijken en goed overkomt.

 

Vervolgens is het mijn plan mij vanuit Limburg op zondagmorgen te spoeden naar Huis ter Heide om de jaarlijkse Open Dag van de kerk niet te missen. En daarna hoop ik dan een aantal maanden met niet al te veel onderbrekingen aan enkele boekprojecten te kunnen werken, voordat er vanaf januari weer aardig wat wordt gereisd.

 

Ja, en dan tussen de bedrijven door zullen we een lijstje moeten maken van alle spullen die we missen, zodat onze schadeclaim naar de verzekeringsmaatschappij de deur uit kan. Maar nu allereerst even onderzoeken of de elektronicawinkel in het dorp ook een los snoertje voor mijn scheerapparaat heeft, want ook dat bevond zich in een van de koffers!

 

Detectives

 

Zweden heeft tegenwoordig een bloeiende detective-traditie.  De boeken en tv-series met Wallander in de hoofdrol zijn internationaal een enorm succes en de trilogie van de helaas al overleden schrijver Stieg Larson met zijn  buitengewoon ingenieuze en spannende plot, haalt record oplagen in heel veel talen. Maar daarnaast zijn er ook andere Zweedse thriller-schrijvers  die de moeite van het lezen waard zijn. Heel wat titels beginnen ook in Nederland te verschijnen, vooral bij Uitgeverij de Geus.  Zo is o.a. ook de talentvolle Camille Läckberg in ons land aan het doorbreken. Mijn vrouw en ik zullen morgen de terugreis vanuit Zweden aanvangen met uiteraard een aantal nieuwe Zweedse politieromans (“deckare” is de Zweedse aanduiding) in onze bagage. Het levert niet alleen flink wat uurtjes ontspanningslectuur in de komende maanden, maar het is ook goed voor onze kennis van de Zweedse taal, waarin we geleidelijk behoorlijk bedreven raken.

 

Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik een liefhebber ben van goede spionageverhalen en detectiveromans. Het is bepaald niet het enige wat ik lees, maar ik heb altijd theologische vakliteratuur en boeken met een meditatief en spiritueel karakter afgewisseld met boeken over geschiedenis en goede, spannende boeken van een lichter genre. Tegenwoordig doet dat bij kerkleden weinig wenkbrauwen fronsen. Maar dat was ooit wel anders—in de tijd dat ook bioscoopbezoek nauwelijks openlijk kon worden toegegeven. In het buitenland lag dat vaak nog een flink stuk moeilijker. Ik herinner me twee incidenten uit de jaren 1980.

 

Tijdens een van mijn schaarse bezoeken aan de Verenigde Staten in de periode dat ik de scepter zwaaide bij uitgeverij Veritas, werd ik uitgenodigd om bij een functionaris van de Generale Conferentie, die ik inmiddels goed had leren kennen (en met wie ik nog altijd in e-mail contact ben), te komen eten. Na de maaltijd kwam het gesprek op de boeken die we zoal lazen en toen ik hem vertelde over mijn belangstelling voor thrillers, troonde hij mij mee naar een andere kamer. Daar stond zijn collectie boeken van dat genre. Hij vertelde dat hij die maar beter niet in zijn huiskamer ten toon kon stellen, omdat bezoekende collega’s van het kerkelijk kantoor daar veel moeite mee zouden hebben en dit gemakkelijk vervelende praatjes zou veroorzaken. Ik vond dat destijds al bedenkelijk dat er kennelijk een fikse vorm van sociale controle was en dacht dat ik mij daar, als ik in zijn schoenen stond, niet al te veel van zou aantrekken. Het leek mij teveel op de spreekwoordelijk ‘zwarte-kousen’ houding ten aanzien van televisie kijken. In heel wat Nederlandse huiskamers stond (en staat) bij mensen van de zware protestantse gezindten ‘het boze oog’ achter het deurtje van een zware Oosterhoutse eiken kast, onzichtbaar voor een eventuele inspectie tijdens een ouderlingenbezoek.

 

Rond diezelfde tijd was een andere kerkelijke functionaris vanuit de VS op bezoek in Nederland. Ik had hem naar diverse bestemming gereden en voor hem vertaald. Hij was aan het einde van een vrije lange tournee door een aantal landen in West-Europa gekomen en zou een dag later naar zijn thuisbasis terugreizen. Hij vroeg me of ik misschien iets luchtigs voor hem te lezen had, want daar was hij aan toe. Nou, dat had ik dus wel. En dus gaf ik hem de keuze uit een aantal detectives. Hij koos er een, maar had het boek nog niet  geheel uit toen ik hem de volgende dag naar Schiphol afleverde. Hij vroeg me of hij het mee mocht nemen voor onderweg. Dat leverde natuurlijk geen bezwaar op. Twee weken later ontving ik een brief (het was nog in de tijd dat we echte brieven schreven), van zijn secretaresse met de mededeling dat haar baas mij binnenkort ‘het document’ zou doen toekomen dat hij van me geleend had. Toen hij de brief dicteerde vond hij het kennelijk niet raadzaam de wereldse aard van het document aan zijn secretaresse te openbaren.  Wie weet tot welk gerucht dat immers aanleiding zou geven!

 

De tijden zijn veranderd. Maar helaas komt dit verschijnsel (van dingen voor de buitenwereld verbergen uit angst voor reputatieverlies) nog veel voor (zowel onder kerkelijke employés als andere leden). Dat geeft me altijd de kriebels. Je moet kunnen zijn wie je bent. Als iets niet door de beugel kan moet je het niet doen. Als je iets wel denkt te kunnen verantwoorden mag iedereen het weten. Niets stuit de huidige generatie zo tegen de borst als hypocrisie. En terecht. Integriteit is het wachtwoord van deze generatie. Ik heb altijd geprobeerd daaraan te voldoen. En als dat wel eens kritiek oplevert, dan is dat jammer. Maar hypocriet dingen verborgen houden uit vrees voor bescahdiging van onze ‘goede naam’ is mijns inziens onvergeeflijk.

 

Esther

 

Een paar dagen geleden las ik het boek Nehemia weer eens in zijn geheel door. Het is een inspirerend verhaal over een man met een missie! Gisteren las ik het daarop volgende bijbelboek, Esther. Dat had ik al heel lang niet gedaan. Ik ken het verhaal natuurlijk wel, maar als je het weer eens achter elkaar doorleest vallen je allerlei dingen op.

 

Het is, zoals de meesten van ons wel weten, het enige bijbelboek waarin het woord God niet voorkomt. En er zijn nog al wat details waarbij je je afvraagt wat je er als hedendaags christen en modern bijbellezer mee moet. Koning Ahasveros is niet bepaald iemand die ik als een positief rolmodel zou willen beschouwen. De manier waarop hij met vrouwen omgaat is, op zijn minst gezegd, heel bedenkelijk. Het verhaal begint ermee dat de koning een enorm feest organiseert, waarbij maar heel weinig fatsoensregels gelden. Eigenlijk is de enige regel dat de feestvierders niet tegen hun wil tot dronkenschap worden gedwongen. Maar dat er flink gehesen zou worden was wel te voorspellen. De koning bedenkt dan op een gegeven moment dat zijn gasten het wel leuk zullen vinden als koningin Vashti hen komt vermaken. Deze weigert (terecht, zouden we zeggen) voor die zatte meute op te treden, maar daarmee zijn de rapen voor de koning gaar.  Ook zijn adviseurs vinden dat er maatregelen genomen moeten worden, want je zult zien dat ook hun vrouwen aanstonds het voorbeeld van de koningin zullen volgen en op hun beurt de instructies van hun echtgenoten in de wind zullen zijn.

 

Het verhaal vertelt dan hoe Esther koningin wordt in plaats van Vashti. Een joods meisje, van misschien een jaar of zestien, wordt door haar ambitieuze oom en voogd

Mordechai voorgedragen als één van de grote groep maagden die in de koninklijke harem terechtkomen en die allemaal stuk voor stuk door Ahasveros worden uitgeprobeerd. Esther komt in de harem terecht, valt zeer bij de koning in de smaak, wordt koningin, maar houdt bij dit alles haar joodse achtergrond verborgen.

 

Het verhaal komt in een stroomversnelling als de booswicht Haman een snood plan beraamt om de jood Mordechai, en alle joden in het Perzische rijk, om het leven te brengen. En dan is het Esther die een geweldige dosis moed toont en ervoor zorgt dat het allemaal heel anders uitpakt en het joodse volk wordt gered.

 

Al met al een verhaal met een bedenkelijke moraal, met als basisingrediënten: vrouwelijk heldendom, seks, intrige en moord. Waarom staat het in vredesnaam in de Bijbel? Maarten Luther vond het maar niets en zou het er veel liever hebben uitgescheurd! Maar we kunnen er niet omheen: het boek Esther staat in de Bijbel. Het verklaart hoe het Poerimfeest ontstaan is. Het illustreert hoe de moed van een enkele persoon een geweldige uitwerking kan hebben. En dat kan ons nog steeds inspireren.

 

Maar ondertussen komen er toch wel allerlei vragen bovendrijven als je het verhaal weer eens leest. In elk geval kan je niet elk detail van het verhaal zomaar als bijbelse maatstaf naar onze tijd overplaatsen. Dat moeten ook degenen beamen die zeggen dat zij alles in de Bijbel letterlijk willen nemen, lijkt me. (Bijvoorbeeld: Wie zegt dat de Bijbel mordicus tegen het dragen van sierraden is, komt in het boek Esther wel het een en ander tegen dat dit principe niet ondersteunt.)

 

Heb ik gisteren iets opbouwends meegekregen toen ik het boek Esther doorlas? Jazeker. Gods Woord komt tot ons in allerlei literaire gedaanten, maar het spreekt altijd. Ik denk vooral aan de woorden van Mordechai, die aan Esther voorhield dat er kennelijk een diepere bedoeling was in het feit dat zij haar hoge positie aan het Perzische hof had gekregen. Zij kon nu immers aan sleutelrol vervullen bij het redden van haar volk uit de listen van de sluwe Haman.

 

Niet alles in ons leven heeft een diepere bedoeling, lijkt me. Soms is er gewoon sprake van geluk of domme pech. Maar misschien ontdekken we toch niet vaak genoeg in de dingen die in ons leven gebeuren de hand van de Ongeziene die een rol voor ons heeft, zonder dat we dat zelf hadden gezien of gepland. De vraag is dan of we, net als Ether, de moed hebben om te doen wat God als taak op ons bordje heeft gelegd.

Laura

 

Stel dat ik op dit moment een dochter van bijna 15 jaar oud zou hebben. Zou ik het een goed idee vinden als zij solo in een zeilboot een reis om de wereld zou willen maken? Ik heb me die vraag de afgelopen maanden wel eens gesteld als ik weer eens iets over Laura Dekker, het ‘zeilmeisje’, in de krant las. Het antwoord is: Ik weet het niet.

 

Natuurlijk is er een deel van mij dat zegt: Nee, dat is onverantwoord. Wie laat er nu een kind van die leeftijd aan zoiets beginnen? Je vergeeft het jezelf toch nooit als er iets mis gaat! En zo’n kind kan toch niet overzien waaraan ze begint. En wat moet zij beginnen als zij ziek wordt of een been breekt? Of totaal in de war raakt van de eenzaamheid? Het aantal bezwaren dat je zou kunnen opnoemen is eindeloos.

 

Maar er is ook iets in me dat dit meisje grenzeloos bewondert. Ik heb haar website dan ook bij mijn favorieten gezet, zodat ik haar avonturen kan bijhouden.  Tja, het is inderdaad een gigantisch avontuur waaraan ze begint. Maar ze stapt niet voor het eerst in een zeilboot en kan zich een redelijke voorstelling maken van hoe het is om heel lang alleen maar water om je heen te zien. En zij is van alle mogelijke communicatietechnieken voorzien. En, als bijna vijftienjarige is ze toch ook geen klein kind meer. In sommige landen zijn veel van haar leeftijdgenootjes al getrouwd (niet dat ik dat aanbeveel, natuurlijk).

 

Ik ben eigenlijk ook wel een beetje jaloers op Laura. Ik was al erg jong zelfstandig en vond dat destijds heel normaal. Maar ik had nooit de kans om aan zo’n avontuur te beginnen als Laura. Zoiets is maar voor weinigen weggelegd. En waarom zou je de kans niet pakken als je die hebt? Per saldo geef ik haar dan ook the benefit of the doubt, en ik hoop dat het haar allemaal gaat lukken.

 

Voor mijzelf is het avontuur van dit moment goed te overzien. Ik ben, zoals ik in mijn vorige blog aangaf in Kramfors, zo’n dikke 500 kilometer ten noorden van Stockholm. Sinds mijn vorige bezoek in februari is er in de stad maar weinig veranderd, hoewel de aanleg van de spoorlijn en het bijbehorende station nu eindelijk begint op te schieten. Zijne majesteit de koning van Zweden komt vandaag over een week het stationsgebouw officieel openen.  De treinen gaan in 2012 rijden. Als leek op spoorweggebied lijkt het mij dat er iets niet helemaal klopt in de timing, maar misschien is dat bij het aanleggen van spoorwegen wel een wetmatigheid. In Nederland rijden de snelle treinen toch immers ook nog niet over het baanvak dat al lang klaar is? En met de timing van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam is ook van alles mis. Maar, terug naar Zweden, Al met al, toch ook een klein extra avontuurtje als het me volgende week lukt de koning van Zweden te zien!

 

Zomerconcert

 

Op zondagmiddag zaten we op klapstoeltjes op een groot grasveld vlakbij het centrum van Stockholm. De Zweedse vrienden waar we op bezoek waren hadden ons meegenomen naar het jaarlijkse openlucht zomerconcert van het Nationale Zweedse Symfonieorkest, dat door een van de grote Zweedse kranten (Dagens Nyheter) traditiegetrouw wordt gesponsord. Op het programma stonden een vijftiental korte klassieke werken die gemakkelijk in het gehoor lagen en een groot publiek konden bekoren.

 

De sfeer was geweldig. Het valt me steeds weer op dat de Zweden, vooral ‘s zomers, een enorm genoegen scheppen in allerlei massale openluchtactiviteiten, vooral in de sfeer van muziek en allerlei folkloristische evenementen. Ik heb me dikwijls afgevraagd hoe het komt dat de Zweden zoveel uitbundiger van dat soort gezamenlijke activiteiten kunnen genieten dan wij Nederlanders. Natuurlijk, wij hebben ook onze Koninginnedagen en onze huldigingen van ons nationaal elftal, maar naar mijn gevoel evenaren we toch bij lange na niet het collectieve enthousiasme van de Zweden.

 

Ik vroeg aan mijn Zweedse vriend waar deze Zweedse karaktertrek vandaan komt. Volgens hem is de oorzaak gelegen in het feit dat de zomer in Scandinavië zo kort is. Omdat het zomerseizoen alweer zo snel voorbij is, legde hij uit, halen Zweden alles uit de kast om er optimaal van te genieten. Want dan moeten ze er weer heel lang op teren. Dat, zei hij, verklaart ook de ongeremde feestelijkheden rond de langste dag, als tot in het kleinste gehucht de ‘meibomen’ (eigenlijk een misplaatste naam!) met veel dans en muziek tijdens een kleurrijke folkloristische ceremonie overeind worden gezet.

 

Het klinkt mij redelijk in de oren. En er valt ook wel veel voor te zeggen. Het is eigenlijk ook wel een goed christelijk uitgangspunt om optimaal te genieten van wat je als geschenk in de schoot wordt geworpen. Het leven van een mens is immers ook maar van heel beperkte duur en het is daarom zaak om van die korte periode te maken wat ervan te maken valt. Dat betekent dan weer niet dat dit ‘genieten’ alleen kan bestaan uit feestvieren en ander vermaak. Er zijn ook andere dingen die het leven vullen en waarde geven.

 

Inmiddels hebben mijn vrouw en ik Stockholm weer achter ons gelaten en zijn we doorgereden naar Kramfors, ruim 500 kilometer noordelijker, waar onze zoon met zijn gezin woont. Inmiddels heeft ons kleindochtertje van tweeëneen half jaar in de gaten dat zij een ‘opa’ en een ‘oma’ heeft, naast haar morfar en haar mormor—de namen waarmee de grootouders van moeders kant worden aangeduid. Vandaag, tijdens de eerste volle dag van ons verblijf in Kramfors, was het weer van dien aard dat ik een aantal uurtjes achter de maaimachine aan kon lopen om het gazon een noodzakelijke maaibeurt te geven. Nu zit ik in de tuin met de laptop op schoot met een uiterst voldaan gevoel. Ik vermoed dat mijn schoondochter binnenkort zal verschijnen met een dienblad met koffie en thee en zelfgebakken koffiebroodjes. Ook wat dat laatste betreft munten de Zweden boven ons Nederlanders uit. Dat hoop ik de komende twee weken nog menigmaal vast te stellen.