John Wesley en Ellen White

Het stond al heel wat jaartjes tussen een reeks andere biografieën en autobiografieën in een van de boekenkasten in onze woonkamer. Kort nadat ik het kocht las ik zo’n vijftig bladzijden, maar ik legde het daarna om de een of andere reden opzij. Vorige week keek ik het weer eens in en besloot ik het te gaan lezen. Ik ontdekte dat het een fascinerend boek is. Ik heb het over de biografie die Roy Hatterley schreef van een van de grootste godsdienstige leiders van de laatste eeuwen: A Brand from the Burning: The Life of John Wesley (2003).

Wesley was een van de belangrijkste grondleggers van het methodisme-een beweging die voortkwam uit de Anglicaanse kerk en zich naar tientallen landen verspreidde. Vandaag de dag zijn er enkele tientallen kerkgenootschappen die zich methodistisch noemen en die samen zo’n 40 miljoen leden hebben. De grootste daarvan is de United Methodist Church in de VS met ruim twaalf miljoen leden. Het methodisme is vanuit adventistisch perspectief een interessante stroming, want er zijn heel wat punten van overeenkomst in theologie en leefstijl. Bovendien had een aantal adventistische leiders van het eerste uur—waaronder Ellen G. White—een methodistische achtergrond.

John Wesley, en in mindere mate ook zijn broer Charles, gaf vorm aan het vroege methodisme en bleef een inspirator voor wie de methodisten nog steeds grote achting hebben. Een zekere mate van hagiografie heeft de kijk van veel methodisten op hun vroege geschiedenis, en op John Wesley als de belangrijkste stichter, gekleurd. Hatterley’s biografie is een eerlijk boek en geeft, voor zover ik dat kan beoordelen, een sympathiek maar objectief beeld van Wesley. Hij wordt neergezet als een ‘normaal’ mens—als een man met grote gaven, maar ook als iemand met de nodige zwakheden. Zijn theologische inzichten fluctueerden nogal eens. Hij legde de nadruk op volmaaktheid, maar schoot op dat punt zelf duidelijk tekort. Hij was in veel opzichten behoorlijk autoritair, en had voortdurend moeilijkheden in zijn omgang met vrouwen. Maar ondanks zijn zwakheden was hij een geloofsheld die tienduizenden mannen en vrouwen tot Christus bracht. Wat vooral opvalt is zijn enorme werklust. Naar schatting legde hij (voornamelijk te paard) zo tussen de 400.000 en 500.000 kilometer af. En tijdens de 52 jaar van zijn werk als rondreizend prediker hield hij ongeveer 40.000 preken (gemiddeld meer dan twee preken per dag), naast talloze vergaderingen met andere leiders en het schrijven van tientallen publicaties. Ongetwijfeld was het een belangrijk voordeel dat hij in staat was te lezen tijdens het paardrijden.

Wie het over het methodisme heeft noemt onvermijdelijk de naam van John Wesley. Religieuze bewegingen hebben gewoonlijk een heel nauwe band met de visie en het leiderschap van hun stichter. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het lutheranisme. Maarten Luther gaf niet alleen zijn naam aan alle geloofsgemeenschappen die vertegenwoordigd zijn in de Lutherse Wereld Federatie, maar hij blijft een voorname plaats innemen in het denken van de Lutheranen en blijft een belangrijke inspiratiebron voor de lutherse theologie. Calvijn heeft een soortgelijke status in de gereformeerde kerkgenootschappen. Maar in geen van deze godsdienstige stromingen is de stichter de enige maatstaf geworden en gebleven van wat tot de ‘gezonde leer’ en de juiste leefwijze behoort. Bepaalde ideeën die zij propageerden hebben inmiddels afgedaan of zijn in de loop van de tijd ingrijpend gewijzigd.

Ik vraag mij dikwijls af: Waarom kunnen wij als adventisten niet op een soortgelijke manier naar Ellen White leren kijken? Niemand kan ontkennen dat zij een belangrijke rol speelde in de tijd dat de Adventkerk ontstond en vorm kreeg, en dat zij veel mensen sindsdien (en nog steeds) heeft weten te inspireren. Maar ik ben ervan overtuigd dat het verkeerd is om haar op een voetstuk te plaatsen en te beschouwen als iemand die bij alles het laatste woord moet hebben. Ik zou wensen dat we naar haar kunnen kijken op een soortgelijke manier als waarop de methodisten kijken naar John Wesley, de lutheranen naar Maarten Luther en de gereformeerden naar Calvijn: als iemand die door God op een bijzondere wijze werd gebruikt en gewaardeerd moet worden vanwege de bijzondere rol in de ontstaansgeschiedenis van de kerk en die nog steeds een bron van inspiratie is. Als niet minder dan dat, maar ook niet als meer dan dat.

Hebben we Ellen White nodig om de Bijbel te kunnen interpreteren?

Tijdens de recente najaarsvergaderingen van het Generale Conferentiebestuur—de jaarlijkse vergadering met afgevaardigden uit de gehele wereld—werd een verklaring aangenomen over de rol van Ellen G. White en haar geschriften. Deze verklaring zal aan de afgevaardigden van het wereldcongres van volgend jaar worden voorgelegd met de bedoeling dat zij daarmee, namens de wereldkerk, opnieuw hun vertrouwen in Ellen White en haar profetische rol in de kerk zullen uitspreken. Het is overigens bijna een traditie geworden dat de afgevaardigden naar dit congres op deze wijze aangeven dat zij aan Mevr. White nog steeds een cruciale plaats toekennen. Je kunt je natuurlijk wel afvragen waarom het nodig is om elke keer weer opnieuw dit element van het adventistisch gedachtegoed te onderstrepen. Dreigt het vertrouwen in Ellen White in te zakken? En helpt het dan om weer eens een officiële verklaring af te stemmen? Waarom is er dan ook niet regelmatig een verklaring dat adventisten nog steeds de sabbat hooghouden of een congresuitspraak waarin de leden van de kerk wereldwijd worden opgeroepen om hun verwachting van de wederkomst van de Heer niet los te laten?

Maar, afgezien van de vraag waarom een dergelijke verklaring nodig wordt gevonden, is er toch wel een probleem met de inhoud. De volledige tekst is o.a. te vinden via https://mk0atodaytmpyu330hj6.kinstacdn.com/wp-content/uploads/2019/11/resolution-on-EGW.png.

De paragraaf die de meeste vragen bij mij oproept is:
Wij geloven dat de geschriften van Ellen White geïnspireerd werden door de Heilige Geest en hun focus vinden in Christus en op de Bijbel zijn gebaseerd. Zij zijn geen vervanging van de Bijbel, maar benadrukken het normatieve karakter van de Heilige Schrift en corrigeren de onjuiste interpretaties die eraan worden gegeven. Zij helpen ons ook de menselijke neiging te overwinnen om uit de Bijbel datgene aan te nemen wat ons aanstaat en datgene wat ons niet aanstaat te verdraaien of te negeren.

De eerste zin in deze alinea roept de vraagt op wat we precies onder het begrip inspiratie moeten verstaan. Maar dat punt laat ik nu maar even liggen. Vooral de tweede zin ligt mij zwaar op de maag. In feite bevat deze in een ernstige innerlijke tegenstrijdigheid. Aan de ene kant wordt gezegd dat de Bijbel de norm is waaraan alles moet worden getoetst. So far so good. Maar dan wordt er direct aan toegevoegd dat er een andere gezaghebbende bron is (namelijk de geschriften van Ellen White) die ons vertelt hoe we de Bijbel moeten uitleggen. Met een dergelijke visie verlaten we het protestantse uitgangspunt van sola scriptura (alleen de Bijbel) en komen we gevaarlijk dicht bij de rooms-katholieke leer die ervan uitgaat dat alleen de kerk in staat is de Bijbel op de juiste wijze uit te legen en de gelovigen voor verkeerde ideeën kan behoeden. De gedachte dat Ellen White het laatste woord heeft over de interpretatie van de Bijbel plaatst haar werk in feite boven de Bijbel en dat staat haaks op andere uitspraken van de Adventkerk waarin het principe van ‘de Bijbel alleen’ wordt onderstreept. Zie bijvoorbeeld punt 1 van de 28 Fundamentele Geloofspunten van de Zevendedags Adventisten (‘De Bijbel is de laatste, gezaghebbende en onfeilbare openbaring van Gods wil. Hij is doorslaggevend ten aanzien van het geloof . . .’). En Ellen White heeft zelf ook meermalen beklemtoond dat niet van haar mag worden verwacht dat zij het laatste woord heeft op het gebied van theologie en bijbelse exegese!

Het is mijn vaste overtuiging dat deze verklaring over de rol van Ellen White (zo deze er al moet komen) terug moet naar de schrijftafel van degenen die hem opstelden. Maar ik zou ook graag zien dat de verklaring (als die er al moet komen) zou aangeven dat er veel meer aandacht moet worden geschonken aan de resultaten van alle onderzoek dat in de laatste tientallen jaren heeft plaatsgevonden ten aanzien van de persoon en het werk van Ellen White. Door de kerkleden daarover veel meer informatie te geven zouden velen een evenwichtiger visie krijgen op wie Ellen White was en wat zij voor de kerk heeft betekend en nog kan betekenen.

Tienden geven–een plicht of een voorrecht?

Mijn vader stierf toen hij nog maar vijftig jaar was. Ik was een tiener. Mijn moeder was begin-veertig. Het is geen overdrijving om te zeggen dat wij het arm hadden. Mijn moeder moest het doen met een minimale weduwen- en wezenuitkering voor zichzelf en haar kinderen. Zij was vanaf haar zestiende jaar een zevendedags adventiste en nam haar geloof heel serieus, inclusief het feit dat van haar werd verwacht dat zij een tiende van haar magere inkomen zou afstaan. Maar ik herinner me dat zij mij op een keer toevertrouwde dat dit haar niet altijd lukte. En daar had zij het heel moeilijk mee. Temeer, daar de predikant van de kleine gemeente waartoe wij behoorden haar daarover ferm had aangesproken en daarbij Maleachi 3:8-10 had geciteerd. Er was geen excuus, zei hij, om niet trouw te zijn in het geven van je tienden.

De woorden van de profeet Maleachi hebben heel wat Adventgelovigen flinke schuldgevoelens bezorgd. Daarin staat immers dat het niet geven van tienden gelijk staat aan het bestelen van God—iets wat je natuurlijk niet ongestraft kunt doen. Maar er staat ook dat je erop kunt rekenen dat God je zal zegenen als je trouw bent in het geven van je tienden. Je moet hem op de proef stellen en dan zal je zien dat het allemaal heus wel in orde komt.

Ik heb me er altijd aan geërgerd dat mensen in de kerk op deze manier onder druk werden gezet. En die ergernis werd groter naarmate ik ging beseffen dat het geven van tienden aan de kerk helemaal niet zo’n solide bijbelse basis heeft als steeds werd beweerd. Ik moest daar weer eens aan denken toen ik deze week een artikel las op de website van Adventist Today, van de hand van mijn vriend Larry Downing (een gepensioneerde collega in de VS). Hij laat daarin alle tienden-teksten die we in de Bijbel tegenkomen de revue passeren en concludeert dat er toch wel heel wat vraagtekens zijn rond het oudtestamentische verschijnsel van de tienden en dat er geen duidelijk nieuwtestamentisch gebod is voor de volgelingen van Christus om tien procent van hun inkomsten af te staan aan de kerkelijke organisatie. Zie: https://atoday.org/an-overview-of-tithe-texts-in-the-english-bible/

Is het mijn bedoeling met het schrijven van dit stukje om tegen mijn geloofsgenoten te zeggen dat het geven van tienden onbelangrijk is? Zeker niet. Ik hoop dat mijn kerk zich verder kan ontwikkelen en een duidelijk geluid kan laten horen in onze wereld. En daarvoor zijn steeds de juiste mensen nodig, en dat kan ook niet zonder voldoende geld. Ik ben dankbaar voor het feit dat tienden-gevende kerkleden gedurende meer dan veertig jaar voor mijn salaris hebben gezorgd en dat ik nu een kerkelijk pensioen ontvang dat uit de tienden wordt gefinancierd. En ik behoor tot de ca. zestig procent van de kerkleden die regelmatig hun tienden geven. [De kerk zou geen enkel financieel probleem meer hebben als alle leden tienden zouden geven! Helaas is dat een nogal utopische gedachte.]

Tienden geven blijft een heel goed idee, ook al zegt het Nieuwe Testament er nauwelijks iets over. En het zwijgt al helemaal of je tienden zou ‘moeten’ geven van je netto of bruto inkomen. En of al het geld naar een centraal punt moet worden gestuurd (in Nederland dus naar het kerkelijk kantoor in Huis ter Heide.) Maar de Bijbel—en zeker ook het Nieuwe Testament—is er wel heel duidelijk over dat we vrijgevig moeten zijn (2 Korintiërs 9:7) en de apostel Paulus legt de nadruk op het beginsel van systematisch geven (o.a. 1 Korintiërs 16:2).

Het is een goede zaak dat de leden van de kerk ooit met elkaar hebben afgesproken dat zijn hun kerk systematisch wilden ondersteunen. Nadat er eerst een ander systeem werd gehanteerd (”systematic benevolence”), werd vanaf circa 1870 het tienden geven als ideaal gepropageerd.

Als gelovigen in oudtestamentische tijden tien procent (of meer) van hun inkomen aan de dienst van God gaven, zouden wij—die dankbaar terugzien op het enorme offer van Christus—dan niet op zijn minst dat geefpatroon willen evenaren? Niet omdat er een tekst in Maleachi is waarmee we bang gemaakt worden, maar omdat we met liefde geven voor een zaak die ons dierbaar is—en omdat ons geven aan de kerk ten diepste een offer is dat wij met liefde aan God willen brengen.

Laten we zuinig zijn op ons stelsel van systematisch geven. Het is een deugdelijk uitgangspunt. Ongetwijfeld zijn er mensen onder ons die meer dan tien procent kunnen geven (en sommigen doen dat ook). Maar als het (tijdelijk) niet lukt om de tien procents norm te halen, dan is God echt wel tevreden met wat voor ons mogelijk is. Uiteindelijk is het niet de hoogte van onze gift maar onze motivatie die voor hem telt (Marcus 12:41-44).

Misschien moeten het onderwerp van de tienden eens opnieuw onder de loep nemen en tienden geven niet zien als een plicht, maar als een voorrecht.

Te weinig gemeentepredikanten, te veel predikanten in andere functies

Een van de belangrijke agendapunten voor de jaarvergaderingen van 2019 van het Generale Conferentiebestuur was het rapport van de directeur van het Bureau van de Archieven en de Statistieken van de Adventkerk. Dr. David Trim, de huidige directeur, bracht een rapport dat veel stof tot nadenken geeft. Ik noem hieronder een paar belangwekkende cijfers.

Per 30 juni 2019 heeft de Kerk van de Zevendedags Adventisten officieel 21,3 miljoen leden.
Tussen medio 2018 en medio 2019 traden bijna 1,4 miljoen leden toe tot de kerk, maar in die zelfde periode werden ruim 600.000 namen uit de registers verwijderd.

Een interessant gegeven is het aantal gemeenten per ingezegende predikant. In de Trans-Europese Divisie (waartoe de Nederlandse Adventkerk behoort) is dat getal 4,34. In de andere Europese divisie ligt dat getal iets hoger en zorgt elke predikant gemiddeld voor 5,28 gemeenten. In de meeste divisies buiten de westerse wereld ligt die verhouding heel anders en heeft een predikant gemiddeld veel meer gemeenten onder zijn hoede. In het zuidelijk deel van Afrika is het aantal gemeenten per predikant bijna dertig!

In de Trans-Europese Divisie is elke predikant gemiddeld verantwoordelijk voor 160 leden. In Nederland heeft een predikant gemiddeld ongeveer 300 leden onder zijn/haar hoede. Als daarbij de predikanten die werkzaam zijn in het unieapparaat buiten beschouwing worden geleden is dat aantal bijna 400.

Maar misschien is het interessantste (en meest verontrustende) cijfer de getalsverhouding tussen predikanten die in de lokale gemeenten werken en de predikanten die een administratieve functie hebben. Gerekend over de gehele Trans-Europese Divisie is er 0.9 predikant in het administratieve apparaat voor elke predikant die gemeentewerk doet. Ik ben blij dat ik kan melden dat de situatie in de Nederlandse Unie aanzienlijk beter is en de verhouding ongeveer een op drie is!

Dit getal verontrust des te meer als we van dr. Trim horen dat sinds 1988 het aantal predikanten met een bureaufunctie wereldwijd met 300 percent is toegenomen, terwijl het aantal predikanten aan de basis slechts met 85 percent is gegroeid.

Wat is het feitelijke probleem? Het lijkt er op dat we teveel personen met een bureaufunctie hebben en te weinig predikanten ‘in het veld.’ Maar laat ik een paar dingen zeggen over die toename van het administratieve apparaat. We moeten er in alle eerlijkheid wel rekening mee houden dat in sommige delen van de wereld de kerk explosief is gegroeid en dat dit noodzakelijkerwijs heeft geleid tot het vormen van nieuwe administratieve eenheden (unies, conferenties en instituten) waar predikanten werkzaam zijn. En we moeten ook wel erkennen dat heel veel processen in de kerk in de loop der jaren veel ingewikkelder zijn geworden en daardoor (ondanks alle computers) meer menskracht vergen.

Maar tegelijkertijd valt het niet te ontkennen dat, als de kerk gedwongen is om te bezuinigen, de administratieve leiding van de kerk zelden allereerst in de eigen budgetten snijdt, en dat, als men dat wel doet, na betrekkelijk korte tijd het aantal stafleden weer op het oude niveau terug is.

Van veel kanten is herhaaldelijk gesuggereerd dat de kerk toe is aan een grondige reorganisatie. Hebben we echt een Generale Conferentie en dertien divisies nodig met de huidige omvang en structuur? En zouden we wellicht een van de bestuurslagen kunnen missen (unies of conferenties)?

Een deel van deze problematiek is dat voor veel predikanten het werk in het administratieve apparaat aantrekkelijk is. Een aandeel hebben in het besturen van de kerk kan veel hoofdbrekens opleveren, maar toch vaak niet zo veel als het werken aan de basis. In veel delen van de wereld geeft een baan in het administratieve apparaat niet alleen status, maar zijn er ook financiële voordelen en is er het voorrecht om te reizen. (Ik moet in alle eerlijkheid wel bekennen dat ik mijn rol in de kerkelijke leiding meestal als heel plezierig heb ervaren!)

Maar zou het onderliggende probleem niet allereerst zijn dat we teveel mensen in het administratieve apparaat hebben, maar eerder dat te weinig mensen zich geroepen voelen voor het werk van predikant in plaatselijke gemeenten? Op veel plaatsen is de wereld zijn er tal van predikanten die niet echt gelukkig zijn in hun rol. Vaak krijgen zij niet het soort waardering dat hun collega’s in het verleden kregen. Het werken in een steeds verder gepolariseerde omgeving—in de kerk in het algemeen en ook in de plaatselijke gemeenten—brengt veel stress met zich mee. In veel delen van de wereld laat de financiële beloning van de predikanten veel te wensen over. Daarnaast hebben veel predikanten er moeite mee dat zij altijd op hun hoede moeten zijn. Als zij laten blijken dat zelf ook met vragen worstelen of op bepaalde punten gedachten hebben die iets afwijken van de officiële leer kunnen zij verwachten dat ze heftige reacties ontvangen van sommige kerkleden en soms ook van kerkleiders. En natuurlijk heeft het steeds maar voortdurende debat over de gelijke rechten voor vrouwelijke predikanten catastrofale gevolgen gehad. Het heeft heel veel mannen en vrouwen ervan weerhouden voor een loopbaan in de kerk te kiezen. Het moet dan ook een prioriteit zijn te bevorderen dat predikant-worden weer een aantrekkelijke optie wordt voor jonge vrouwen en mannen.

Zal het Generale Conferentie-congres van de kerk in 2020 een keerpunt zijn? Zal het congres de kerk het soort leiders geven die begrijpen dat God elke vorm van discriminatie tussen mannen en vrouwen afkeurt en hen, zonder enig onderscheid te maken, roept tot zijn dienst? En als ik een suggestie mag doen aan de nieuwe leiders bij het formuleren van hun projecten en doelstellingen voor de komende vijf jaar: Ga voor een reductie van ten minste tien procent in het aantal predikanten in administratieve functies en voor een groei van het aantal predikanten in de gemeenten van ten minste twintig procent—-waarvan minstens de helft vrouwen!

Ik blijf dromen en hopen.

BIDDEN OF IJDEL GEBRUIK VAN GODS NAAM?

Mijn best gelezen blog ooit was mijn commentaar van 12 juli 2015 op de stemming tijdens de Generale Conferentie in San Antonio over de inzegening van vrouwelijke predikanten. Het lijkt erop dat mijn blog van vorige week mijn op een na meest gelezen blog is geworden. Kennelijk is—-in elk geval bij de meerderheid van de groep die mijn blogs leest—-het verlenen van gelijke rechten aan mannen en vrouwen in de Adventkerk nog steeds een ‘hot issue.’
De meeste reacties die ik heb ontvangen waren van medestanders ten aanzien van de inzegening van vrouwelijke predikanten. Maar er waren ook reacties van mensen die weliswaar in principe aan vrouwen gelijke rechten willen geven, maar toch ook vinden dat beslissingen van een Generale Conferentiecongres moeten worden geëerbiedigd. Een vaak terugkomend argument is: Er is voorafgaand aan de beslissingen in San Antonio intens gebeden om Gods leiding en dan moeten we toch aannemen dat de uiteindelijke beslissing Gods wil vertegenwoordigt?!

Ja, was het maar zo simpel! In de unies waarin men zich, naar de mening van de topleiding van de kerk, schuldig heeft gemaakt aan verzet tegen de kerkelijke regels is namelijk ook intens gebeden voordat men tot een besluit kwam dat afwijkt van de door de Generale Conferentie uitgezette lijn. Hadden die gebeden minder waarde? Luisterde God naar de gebeden die in San Antonio werden opgezonden, maar niet naar de gebeden van de kerkbestuurders in Noorwegen of van de vertegenwoordigers van de kerk in de Pacific Union?

Het is een vraag die mij dikwijls heeft beziggehouden. Hoe besluit God welke gebeden hij wel of niet zal verhoren? We komen dat probleem in de meest basale vorm tegen als mensen bidden om een bepaald soort weer. De toerist bidt om een droge dag met een aangename temperatuur, terwijl de boer in diezelfde streek God smeekt om eindelijk weer eens regen te sturen. Hoe moet God daarmee omgaan? Welk gebed zal hij verhoren? Ernstiger wordt het als in een oorlog beide strijdende partijen om Gods hulp en zegen vragen. En in een kerkgemeenschap ontstaat een penibele situatie als verschillende partijen God vragen om hun standpunt te laten zegevieren, omdat hun visie op de ‘waarheid’ berust.

Zou het kunnen dat we dikwijls het gebed op een verkeerde manier gebruiken? Is het Gods bedoeling dat we hem komen vragen om een bepaald weertype? Zeker, een almachtige God kan in bijzondere omstandigheden het weer naar zijn goddelijke hand zetten. Maar wat voor weer het wordt is normaliter een kwestie van processen in de natuur die volgens bepaalde wetmatigheden verlopen en die bovendien (volgens de meeste deskundigen) door menselijk gedrag kunnen worden beïnvloed. Op zijn minst moeten we, lijkt mij, terughoudend zijn in ons bidden om een bepaald soort weer. En het wordt, op zijn zachtst gezegd, heel bedenkelijk als we God bidden om wapens te zegenen. Dan wordt bidden in feite tot vloeken, want dan koppelen we de heilige naam van God aan dingen waarmee hij niet geassocieerd mag worden.

Maar wat is dan de rol van gebed in kerkelijke beraadslagingen? Helaas zien we maar al te vaak dat het gebed op een manipulatieve manier wordt ingezet, bijvoorbeeld wanneer onmiddellijk vóór een cruciale stemming iemand gevraagd wordt te bidden en die persoon in zijn gebed duidelijk laat doorschemeren wat de beste beslissing is. Mogen we God vragen om met zijn Geest aanwezig te zijn en ons te inspireren bij onze discussies en besluitvorming? Ja, maar er zijn wel een paar caveats. Of Gods Geest aanwezig is en leiding geeft hangt niet in de eerste plaats af van God. Hij is altijd bij ons, maar of tijdens een bijeenkomst mensen effectief kan aanraken is afhankelijk van de mensen die bijeen zijn. Bidden om de leiding van Gods Geest ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om de onderwerpen die ter discussie staan grondig te bestuderen. Het ontslaat ons ook niet van de verplichting om ons terdege theologisch te informeren en om studie te maken van elkaars cultuur en achtergrond, zodat we elkaar beter kunnen begrijpen. Het houdt onverlet dat we goed naar andere standpunten luisteren. En dat we, als het op stemmen aankomt, ons niet laten sturen door vooroordelen, politieke overwegingen, of externe pressie. Als aan dat soort voorwaarden wordt voldaan kan Gods Geest werkzaam worden. Zo niet, dan wordt bidden om Gods aanwezigheid en zijn leiding zinloos en in feite een ijdel gebruik van zijn naam, dus een soort vloeken. (Zou het kunnen dat we hiervan een voorbeeld zagen tijdens de laatste jaarvergadering van het wereldbestuur van de Adventkerk?)