Wennen aan het ‘nieuwe normaal’

Tijdens de persconferenties van de minister-president en andere ministers horen we steeds dat we zullen moeten wennen aan een heel andere samenleving. Het wordt niet meer zoals vroeger. Wel, we zullen zien.

In 1973 sprak de toenmalige Nederlandse minister-president—Joop den Uyl—op het hoogtepunt van de zgn. oliecrisis, die we toen beleefden, het Nederlandse volk toe. Door politieke verwikkelingen in het Midden-Oosten was de oliekraan voor een deel dichtgedraaid. Dat leidde onder meer tot rantsoenering van de benzine en tot een verbod van autorijden op zondag. Den Uyl keek bijzonder ernstig toen hij met de nodige dramatiek aankondigde: ‘Het wordt nooit meer zoals vroeger.’ Wel, het bleek allemaal nogal mee te vallen en snel was het allemaal weer zoals het enkele maanden eerder was.

Zal het nu ook zo gaan? Of zullen we inderdaad moeten gaan wennen aan ‘het nieuwe normaal’ waar de bazen van ons land het nu steeds over hebben? Zal de ‘anderhalve-meter-samenleving’ maanden of misschien zelfs jaren het gevestigde patroon worden? Het lijkt er in elk geval wel op dat ons leven er voorlopig op allerlei terreinen nogal anders uit zal zien dan we tot voor ruim twee maanden geleden gewend waren. Maar, de eerste stappen naar versoepeling van allerlei overheidsmaatregelen zijn intussen gezet. Ook door mij.

Dinsdag j.l. kon ik weer naar de kapper. Weliswaar met afspraak, zodat er geen andere wachtenden zouden zijn. De kapper droeg keurig een mondkapje. Ik moest ernaar gissen in hoeverre hij zijn spullen na de vorige knipklant keurig had gereinigd. Misschien wel, en was dat dan de reden dat hij nu vier euro meer vroeg dan gewoonlijk.
De dag daarna had ik weer mijn eerste afspraak bij de pedicure. Mevrouw Natasha zag er wat wonderlijk uit achter haar gezichtsbescherming en beschermende kleding. Tussen haar en mij was een scherm van doorzichtig plastic. Ik was blij dat de behandeling plaats kon vinden en heb zonder problemen geaccepteerd dat het tarief een paar euro’s was verhoogd. Heel voorzicht gaan we nu ook ons sociale leven weer wat opstarten. Op woensdagavond dronken mijn vrouw en ik koffie bij een van onze buren—natuurlijk rekening houdend met de anderhalve-meter-regel! En dan waren er een paar Zoom-vergaderingen en natuurlijk de digitale kerkdienst op sabbat.

Vandaag (donderdag) is het Hemelvaartsdag. Het is een nationale feestdag, maar slechts een kleine minderheid van de bevolking beseft dat christenen vandaag gedenken dat het v40 dagen na Pasen de dag is dat Jezus Christus naar de hemel ‘voer’. Het is nu sinds jaar en dag een uitgaansdag. Met mooi weer zitten de stranden en de terrassen vol, en is het topdrukte bij Ikea en de meubelboulevards. Vandaag was het weliswaar fantastisch weer, maar de restaurants en de terrassen blijven nog tot 1 juni gesloten. Toch trok Nederland er massaal op uit en kwam de anderhalve-meter-samenleving van het nieuwe-normaal ernstig onder druk te staan.

Mijn vrouw en ik vonden ook dat we wel toe waren aan een dagje uit. We besloten een ritje te maken door onze Flevopolder, dan via de dijk van Lelystad naar Enkhuizen, om vervolgens wat dorpjes te verkennen in de kop van Noord-Holland. Voordat we Zeewolde uitreden konden we bij een van drie plaatselijke benzinestations even een paar flesjes water en een paar gezonde knäckebroodjes bemachtigen. Drie kwartier later zagen we aan het begin van de Knardijk op een parkeerplaats twee kraampjes met etenswaar staan—natuurlijk zonder tafeltjes en stoelen, maar we konden in elk geval twee bekertjes koffie (van zeer matige kwaliteit) bemachtigen. Maar, à la, in het ‘nieuwe normaal’ kan je niet al te kritisch zijn, nietwaar? Bij onze inspectie van de Noord-Hollandse dorpen zochten we na enige tijd vooral ook naar een etablissement met sanitaire voorzieningen. Bij een oprit naar een snelweg lachte het geluk ons toe: zowaar een benzinestation met toiletten die open waren en een winkel met o.a. krentenbollen. En op de terugtocht naar huis vonden we ook nog een cafetaria waar we een zakje patat konden kopen, dat we dan natuurlijk wel in de auto zittend moesten verorberen.
Zo zag ons dagje in het ‘nieuwe normaal’ eruit. Ondanks de beperkingen genoten we ervan!

Natuurlijk beseffen we de ernst van de pandemie. En we prijzen ons gelukkig dat we onbesmet zijn gebleven en dat we niet in een land leven waar onverantwoordelijke geestelijk gestoorden zoals Trump en Bolsenaro aan de touwtjes trekken. Intussen hopen we dat de situatie zich in ons land zo ontwikkelt dat we over ongeveer tien dagen ook weer gebruik kunnen gaan maken van het openbaar vervoer, mits we een mondkapje dragen en we ook weer gebruik kunnen gaan maken van de horeca. We zijn er klaar voor: een eerste stapeltje mondkapjes ligt al op tafel in onze woonkamer.

PS
Ook in de kerk ontwikkelt zich het ‘nieuwe normaal’. Iemand van de Adventgemeente in Den Haag belde mij gisteren en zei dat men op 3 juli weer een echte kerkdienst hoopt te houden. Zij herinnerde mij eraan dat ik voor die datum op hun preekrooster sta.
Dat noem ik goed nieuws.

Zullen er dinosaurussen zijn op de Nieuwe Aarde?

Zullen er dinosaurussen zijn op de nieuwe aarde? En zullen we daar ook van een kop koffie kunnen genieten? Tot de afgelopen week had ik me die vragen nooit gesteld.

Vorige maand heb ik een tweetal Zoom-presentaties gehouden voor zo’n honderd leden van de Sligo kerk in Washington DC, die gewend zijn om in een speciale sabbatschoolklas allerlei onderwerpen te behandelen zonder dat het traditionele ‘lesboekje’ eraan te pas komt. Momenteel komt deze groep mensen niet fysiek bij elkaar, maar gaat het via Zoom—de digitale techniek die in de afgelopen maanden een fenomenale groei heeft doorgemaakt. Mijn presentaties waren gebaseerd op mijn nieuwste boek IK HEB EEN TOEKOMST-over dood, opstanding en eeuwig leven. Bij de discussie na de tweede presentatie vroeg een van de digitale deelnemers (een studiegenoot op Andrews University van ruim 45 jaar geleden), of ik het boek kende van een zekere Dr. Randy Alcorn dat over het onderwerp Hemel gaat. Hij dacht dat ik het interessant zou vinden en dus bestelde ik het de volgende dag in Engeland via www.bookdepository.com. Het boek arriveerde binnen een week en inmiddels heb ik er hier en daar wat stukken in gelezen.

De schrijver van het boek (dat heb ik intussen wel begrepen) verschilt op een aantal fundamentele punten van de adventistische visie op de dood en het leven hierna. Hij verdedigt bijvoorbeeld de gedachte dat de onsterfelijke ziel van de mens direct na de dood naar de ‘eerste’ hemel gaat, om later—na de lichamelijke opstanding—eeuwig te leven in de definitieve hemel ofwel de nieuwe aarde. Verder wil de schrijver niets weten van mensen die het bestaan van een eeuwige hel ontkennen!

Dat was echter niet de reden waarom mijn oude studievriend mij dit boek aanraadde. Uit mijn lezing begreep hij dat ik heel voorzichtig wilde zijn met het schetsen van een al te concreet beeld van de nieuwe aarde. Inderdaad benadrukte ik dat de bijbelschrijvers alleen maar iets over onze eeuwige bestemming konden zeggen in beelden die in hun tijd en cultuur pasten. Zo wil Jesaja ons wijngaarden laten planten en huizen laten bouwen, terwijl Johannes verwijst naar een stad met muren en poorten zoals hij een stad kende. En als we kijken naar hoe kunstenaars in de loop der eeuwen het eeuwige paradijs hebben uitgebeeld, dan zien we hoe zij ook steevast motieven en beelden gebruikten waarmee zij in hun tijd vertrouwd waren.

Maar Randy Alcorn maakt het in zijn boek heel concreet. Hij benadrukt dat de nieuwe aarde identiek is aan onze huidige aarde, maar dan totaal vernieuwd en volmaakt. Wat we zullen ervaren zijn niet allemaal nieuwe, heel andere, dingen dan dat we nu gewend zijn. het zijn in wezen dezelfde dingen maar dan volmaakt. Hij vindt het een fantastische gedachte om straks in een stad met dikke muren te wonen, zoals Johannes het nieuw Jeruzalem beschrijft. Natuurlijk zijn die muren niet meer nodig, maar ze zijn er om ons te herinneren aan Gods almacht om ons te beschermen. De natuur zal verder niet fundamenteel anders zijn dan wat we nu op deze aarde hebben—afgezien van het feit dat er uiteraard geen natuurrampen meer zullen voorkomen. Bij de watervallen die we daar zullen hebben verdwijnen de huidige Niagara watervallen totaal in het niet.

Ik pluk zomaar een dingen uit de honderden bladzijden die deze auteur besteedt aan zijn beschrijving van onze eeuwige toekomst. Eén vraag trok vooral mijn belangstelling: Zullen we koffie drinken in de eeuwigheid? Dit zijn volgens Dr. Randy Alcorn de feiten: God maakte de koffie. Koffie groeit op de aarde die God voor ons maakte en die de mens moest bewerken. Bij de bomen die God schiep was ook de koffiestruik. Daarvan gold ook dat God die als ‘zeer goed’ bestempelde. Bovendien lezen we in de Bijbel dat alle goede dingen onder dankzegging moeten worden aanvaard. We mogen ervan uitgaan dat onze smaakpupillen op de nieuwe aarde nog beter zullen functioneren dan nu en dat de koffie nog oneindig veel beter zal smaken dan nu al het geval is! Via soortgelijke redeneringen volgt ook de conclusie dat ook onze huisdieren niet zullen ontbreken in ons eeuwig bestaan. En het wordt steeds beter: er is geen enkele reden om te denken dat er geen boeken, in de vorm die we die nu kennen, zullen zijn! En dan vind ik een paar bladzijden verder de verzekering dat er zonder twijfel ook dinosaurussen op de nieuwe aarde zullen zijn. Ze werden immers ooit door God geschapen? Doordat het hier op aarde fout liep zijn allerlei diersoorten uitgestorven, maar het ligt toch voor de hand om te denken dat wat God oorspronkelijk schiep weer ‘in volle glorie’ zal worden herschapen?!

Eigenlijk vind ik het wel amusant om dit soort dingen te lezen, maar ook niet meer dan dat. Ik geloof in eeuwig leven. Ik ga er vanuit dat er sprake is van continuïteit in die zin dat we straks dezelfde mensen zullen zijn. De sterfelijke onvolmaakte persoon die ik nu ben zal straks onsterfelijk en volmaakt worden opgewekt. Hoe ik me dat precies moet voorstellen weet ik niet. Dat kan ik niet weten zolang ik in het hier en nu leef. De voorstelling die dr. Acorn van onze eeuwige bestemming geeft is het speculatieve resultaat van een bedenkelijke manier van bijbellezen, die mijns inziens weinig met echt geloof te maken heeft. Echt geloof zegt: Heer, ik hoor bij u en vertrouw op u. En hoe het allemaal straks wordt: ik zie het wel. Uit de Bijbel krijg ik een paar ideeën mee, maar verder laat ik me graag verrassen.

De waarde van een mensenleven

Al weer geruime tijd geleden was er in Kopenhagen een conferentie over bepaalde aspecten van internationale ontwikkelingssamenwerking. Een professor uit de Engelse stad Nottingham meende dat de economische waarde van een gemiddelde Amerikaan op zes miljoen dollar zou kunnen worden gesteld. Wie in de Verenigde Staten heel gevaarlijk werk doet, zo hield de professor zijn gehoor voor, vraagt gewoonlijk zo´n 60.000 dollar extra salaris voor elke procent meer kans dat hij een fataal ongeluk krijgt. Als dus één procent kans op doodgaan gelijk staat aan 60.000 dollar, dan is honderd procent gelijk aan zes miljoen. Aan de andere kant, zei hij, zou je kunnen stellen dat de economische waarde van iemand in een ontwikkelingsland uitkomt op rond de 22.000 dollar, want dat is wat zo iemand gemiddeld in de loop van zijn leven verdient. Ik weet niet hoe de bedragen zouden uitvallen als een dergelijke conferentie nu zou worden herhaald.

Bij grote bouwprojecten wordt veel aandacht geschonken aan veiligheidswaarborgen, maar men gaat er toch gewoonlijk vanuit dat er mensenlevens verloren kunnen gaan. Hoeveel dodelijke ongelukken is maatschappelijk aanvaardbaar bij een groot project? Wanneer de overheid overweegt geld uit te trekken voor verkeersvoorzieningen die de veiligheid kunnen verbeteren, ontkomt men niet aan de vraag hoeveel dat allemaal gaat kosten en of dat wel opweegt tegen het aantal mensenlevens dat vermoedelijk zal worden gespaard. En hoe verhouden de investeringen in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe medicijnen zich tot het aantal patiënten dat er baat bij zal hebben? Brengt een nieuw medicijn straks zoveel geld binnen dat die investering de moeite waard is? Kun je van zorgverzekeraars wel verwachten dat heel dure kankermedicijnen worden vergoed als niet bewezen is dat ze echt helpen of als ze nauwelijks levensverlengend zijn?

Daarbij rijst dan onvermijdelijk ook de vraag of het leven van de een meer waarde heeft dan dat van een ander. Verhoogt een bepaalde vaardigheid die we bezitten of onze maatschappelijk status onze economische waarde? Is een minister meer waard dan een schoonmaakster? Waarom betaalt een voetbalclub soms ettelijke miljoenen in transfergelden voor een speler en waarom ontvangt een topmanager bij een bank een enorme bonus in cash en daarbij nog opties ter waarde van miljoenen? En waarom mag daarentegen een ‘gewone’ employee, als hij na veertig jaar diezelfde bank verlaat, blij zijn als hij/zij een extra maandsalaris meekrijgt?

In deze tijd van Coronacrisis heeft de vraag naar de waarde van een mensenleven extra dimensies gekregen. Als er niet voldoende capaciteit is in de zorginstellingen, moeten senioren dan achter in de rij aansluiten, omdat hun leven toch al bijna voorbij is? En hoeveel Covid-19 doden is het ons waard om de economie weer op gang te krijgen?

Die aantallen Covid-doden zijn natuurlijk voor de meesten van ons nogal vage begrippen en ze worden steeds vager naarmate de aantallen verder stijgen. Als er een vliegtuig verongelukt met 200 mensen aan boord, dan is dat een ramp, waar we enigszins vat op kunnen krijgen. We zien op de tv de brokstukken van het toestel en de wanhopige mensen op het vliegveld die hopen op het bericht dat er overlevenden zijn en dat daar wellicht hun geliefden bij zijn. Maar als er de afgelopen week in Nederland per dag zo tussen de 80 en de 100 Covid-doden te betreuren zijn, dan wordt ons verteld dat het de goede kant op gaat en krijgen we hoop dat de pandemie binnenkort voorbij is. D Amerikaanse overheid lijkt het voor lief te willen nemen dat er meer dan 100.000 dodelijke slachtoffers van de crisis zullen zijn, zolang de fabrieken maar weer kunnen gaan draaien en de economie weer snel herstelt. Het doet de vraag rijzen: Wat is een mensenleven ons waard?

En dan hebben we het nog niet over de vraag wat een mensenleven in andere delen van de wereld ons waard is. In het Zuiden zal de crisis waarschijnlijk nog in alle hevigheid gaan uitbarsten. Zijn de mensenlevens in Afrika en Zuid-Amerika ons even veel waard als de levens van Europeanen en Amerikanen? En tel daar dan ook nog eens die miljoenen mannen en vrouwen, en vooral kinderen, bij op die door honger of andere ziekten jaarlijks sterven. Die zijn ons kennelijk zo weinig waard dat we nauwelijks nog aan hen denken.

Welke waarde ken ik toe aan het leven van een ander? Het is moeilijk om die vraag eerlijk te beantwoorden. Natuurlijk, als het gaat om het leven van onze partner of ons kind of kleinkind, of om dat van een goede vriend, dan kennen aan zo’n leven een hogere waarde toe dan aan het leven van een dakloze alcoholicus in Amsterdam. Dat is begrijpelijk en ook te billijken, zolang we beseffen dat we het hierbij over de emotionele waarde, omdat het een verschil maakt of het gaat om geliefden of aan anonieme mensen met wie we geen persoonlijke relatie hebben. Maar vanuit een christelijk perspectief valt niet te billijken dat we onderscheid maken ten aanzien van de intrinsieke waarde van een mens. Dat is het perspectief van waaruit God naar zijn schepselen kijkt. Elk mens is hem even lief en elk mens heeft voor hem evenveel waarde. Politici (van christelijke of niet-christelijke huize) moeten dat perspectief als de basis hanteren voor hoe zij tegen de waarde van mensenlevens in deze Corona-tijd aankijken: Elk mens is van onschatbare waarde en dus moet het maximale worden gedaan om mensenlevens te redden, ook als de Dow Jones en de Nederlandse AEX daardoor nog een tijdje verder in de rode cijfers duikt.

Genade

Een van mijn favoriete televisieprogramma’s is De Verwondering op zondagmorgen vroeg. In dit programma ontmoet Annemiek Schrijver bekende en minder bekende gasten, met wie zij praat over hun levenservaringen. Dat doet zij vanuit een religieus perspectief. Zij is niet alleen een sympathieke, maar ook een heel kundige, interviewster. Zij maakt er daarbij geen geheim van dat het christelijk geloof voor haar zelf heel belangrijk is. De aflevering van afgelopen zondag was een herhaling van een eerder gesprek met Herman Finkers. Van alle Nederlandse cabaretiers heb ik voor hem de meeste bewondering. Hij is niet alleen grappig, maar hij heeft ook echt wat (diep)zinnigs te zeggen.

Toen ik het programma zag en beluisterde, en toen ik het nog weer terugkeek als voorbereiding of het schrijven van deze blog, werd ik getroffen door de diepgang van het gesprek. Eigenlijk maakte het gesprek mij ook wel een beetje jaloers. Ik benijd Finkers voor de authentieke, diepe, maar begrijpelijke manier waarop hij sprak over de godsdienst. Ik neem aan dat er niet veel cabaretiers zijn die boeken van Schopenhauer hebben gelezen. Finkers vertelde hoe hij onder de indruk was van Schopenhauer’s boek Über die Religion, dat in het Nederlands verscheen onder de titel Het Nut van Vrome Leugens. Schopenhauer beweert dat religie niet zonder ‘vrome leugens’ kan. Hoewel hij vond dat hij geen godsdienst nodig had, zag hij wel degelijk het belang van godsdienst in. Hij ging er daarbij van uit dat godsdienst uit de aard der zaak ‘ongerijmdheden’ of zelfs ‘absurditeiten’ bevat. Religie heeft nu eenmaal te maken met dingen van een geheel andere orde en dus kunnen de beweringen van de religie niet anders zijn dan allegorieën die aangepast zijn aan ons menselijk bevattingsvermogen.

Ik moet bekennen dat ik veel minder van Schopenhauer afweet dan Herman Finkers en nooit iets van hem heb gelezen. Ik ben echter wel nieuwsgierig geworden. Ik kan het natuurlijk niet zo diepzinnig zeggen als een beroemde filosoof als Schopenhauer, maar ik ga er ook steeds meer van uit dat alles wat we als mensen over God en de eeuwigheid kunnen zeggen ‘mensentaal’ is en dus inderdaad aangepast is aan wat wij als beperkte, sterfelijke, wezens kunnen begrijpen. Het is dus altijd een vertekening en vreemd genoeg is de ‘waarheid’ zoals wij die begrijpen dus eigenlijk tegelijk ‘een vrome leugen.’

Wat me echter nog meer aansprak in het interview is wat Finkers zei over het idee van Gods algenoegzaamheid—de gedachte dat een volmaakte God in feite geen andere wezens en niets anders nodig heeft, omdat hij ‘genoeg’ heeft aan zichzelf. Met dat godsbeeld kan Finkers niet uit de voeten. Als het waar is dat God liefde is, dan heeft God wel andere wezens nodig en dan moet er sprake zijn van wederkerigheid. Het gaat er vervolgens ook niet om dat wij mensen ons best doen om ervoor te zorgen dat God met ons overweg kan. Onze reis door het leven is niet te vergelijken met de elfstedentocht, waarbij je de nodige stempeltjes moet verzamelen om uiteindelijk een medaille te krijgen. Misschien was wel de mooiste uitspraak die Finkers in dit interview deed, dat onze zonden nooit op kunnen tegen de goedheid van God. Als je dat denkt, dan ben je godslasterlijk bezig!

En zo is het! Ik wil ook volmondig instemmen met wat hij daar op aanvulde. Het is voor hem logisch dat we onze dankbaarheid tonen aan God voor alle goede dingen die we meemaken. En als er dingen lukken, of als er mooie dingen gebeuren, dan noemen velen dat ‘mazzel’. Maar Finkers noemt dat liever genade.

Menige dominee of pastoor kan de kern van het evangelie niet zo treffend verwoorden als de cabaretier Herman Finkers. Bedankt!

Voor wie het programma De Verwondering niet gezien heeft en nieuwsgierig Is hier de link: https://www.kro-ncrv.nl/programmas/deverwondering/seizoenen/seizoen/het-mooiste-van-de-verwondering-herman-finkers-kn1713751

Preken

Ik meldde al in een eerdere blog dat ik bezig ben met het schrijven van een nieuw boek met 366 overdenkingen. Dit keer richt ik mij voornamelijk tot allen die op de een of andere manier leiding geven in de kerk, op alle niveaus. Nu is 366 best een flink aantal en het ligt dan ook voor de hand dat ik probeer diverse inspiratiebronnen aan te boren. Vorige week kwam ik op de gedachte om eens naar mijn prekenarchief te kijken om zo ideeën op te doen. Dat bestrijkt immers zo langzamerhand een respectabele tijd—inmiddels zo’n 55 jaar. Hoewel mijn kerkelijk werk zich niet of nauwelijks in plaatselijke gemeenten heeft afgespeeld heb ik door alle jaren heen toch vrijwel elke week gepreekt. In de tijd dat ik in Kameroen werkte nam de preekfrequentie behoorlijk af, maar eigenlijk was de enige periode waarin ik nauwelijks preekte de drie jaar dat ik in het Mission Institute van Andrews University werkte. Op en rond Andrews lopen nu eenmaal zoveel theologen rond dat er maar met hoge uitzondering een beroep op mij werd gedaan.

Ik had lange tijd niet gekeken naar mijn preken uit een wat verder verleden en het was daarom een bijzondere gewaarwording om de honderden preken die ik in de loop der jaren heb gemaakt—en bijna allemaal haast woordelijk heb uitgeschreven—door te bladeren. In het begin schreef ik alles met de hand en het kostte me nu behoorlijk veel moeite om een en ander te ontcijferen. In veel gevallen is de inkt verbleekt en de kwaliteit van mijn handschrift heeft altijd veel te wensen overgelaten. Die eerste preken werden vooral gehouden in het Noordoosten van het land, met name in Leeuwarden, Sneek, Oosterwolde, Groningen, en Bierum. Nu ik een aantal van die preken nog eens doorlas kreeg ik enigszins medelijden met de mensen die dat toen moesten aanhoren!

De jaren dat ik mijn werk op de school van Oud Zandbergen combineerde met het directeurschap van onze kerkelijke uitgeverij, en ook in de jaren dat ik uitsluitend voor Veritas werkte, waren buitengewoon intensief. Toch preekte ik wel vrijwel elke week en—zoals het toen ‘normaal’ was—meestal twee keer op elke sabbat. Bijna de helft van de gemeenten had destijds middagdiensten en dat betekende dat de predikant na de ochtenddienst ook ’s middags weer ergens de kansel op moest. Uit mijn aantekeningen blijkt dat ik sommige preken wel heel erg vaak hield, omdat het me meestal aan tijd ontbrak om steeds weer een nieuwe preek te maken. Sommige preken uit de tijd geven dan ook wel blijk van enig haastwerk.

Nadat ik uit Nederland was vertrokken en achtereenvolgens in Afrika, de Verenigde Staten en in Engeland werkte (op het kantoor van de Trans-Europese Divisie) preekte ik vooral in het Engels, maar soms ook in het Frans—dikwijls uiteraard via een tolk die naar een lokale taal vertaalde. Soms gebruikte ik een preek een tiental keren—en een heel enkele keer nog wat vaker—maar op heel uiteenlopende plaatsen. Ik schat dat ik in tenminste in zo’n verschillende zestig of zeventig verschillende landen in kerkdiensten ben voorgegaan. Tijdens mijn jaren in Afrika kreeg ik de kans om in zo’n dertig verschillende Afrikaanse landen te preken, met als unieke uitzondering een reeks van zo’n twintig evangelisatie presentaties in Madagascar. Op de achterkant van een preek die ik deze week toevallig oppakte uit de TED-tijd, zag ik dat ik daarmee was geweest naar Boedapest (Hongarije), Moss (Noorwegen), Tallin (Estland), St. Albans (UK), Ljublijana (Slovenië), Turku (Finland, Novi Sad (Servië) Skopje (Noord-Macedonië), Zagreb (Kroatië) en de Portugees-sprekende gemeente in Brussel. Maar ik kreeg ook de kans om soms verder van huis te preken, zoals bijvoorbeeld op diverse plaatsen in de VS, in Mexico, Pakistan, IJsland, Irak, Kuwait, Egypte, en elders.

En dan waren er natuurlijk altijd van tijd tot tijd preken bij bijzondere gelegenheden—jubilea, diploma uitreikingen en, helaas, begrafenissen van collega’s en vrienden en anderen. Na terugkeer in Nederland en ook tijdens mijn pensioentijd bleef het nationaal en internationaal preken vrij constant doorgaan. Ik denk dat de kwaliteit van mijn preken nu wel wat beter is dan twintig of dertig jaar geleden en ik houd een preek nu zelden meer dan drie of vier keer. Het is natuurlijk aan anderen om te beoordelen of ik in de loop van de tijd inderdaad beter ben gaan preken (of dat het juist met het stijgen van de leeftijd bergafwaarts gaat). Maar nu is het al vijf weken niet mogelijk om ergens in een gemeente voor te gaan. Ik mis het heel erg en hoop dat deze situatie weer snel verandert. Want ik blijf genieten van het mogen preken.

Het voordeel van de Corona-tijd is wel dat ik nu wat vaker eens collega’s kan horen die digitaal te beluisteren zijn. Ik ben stiekum een beetje jaloers op degenen die daarbij vrijwel geen papier behoeven te raadplegen. Als ik er straks weer op uit kan gaan is dat, zoals altijd, met ongeveer tien vol geprinte A5 velletjes! Dat gaat niet veranderen.