Het eeuwig evangelie

Misschien behoort Matteüs 24:14 wel tot de tien bekendste teksten voor zevendedags adventisten: ‘Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de gehele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen’(NBV). Het lijkt een tekst die houvast geeft: Nog even volhouden en actief blijven. Als de mensen overal de boodschap hebben gehoord komt Jezus Christus terug!’

Het lijkt simpel, maar het roept toch wel wat vragen op?  Ik noem er een paar:

  1. Wat is het evangelie (het goede nieuws) dat overal in de wereld moet worden gepredikt? Is het ‘’eeuwig evangelie’ identiek met de boodschap van de drie engelen die ons in Openbaring 14 tegemoet vliegen? En hebben mijn geloofsgenoten gelijk die zeggen dat het ‘evangelie’  gedefinieerd moet worden als de specifieke adventistische vertaling van de bijbelse boodschap?
  2. De vraag die direct uit het voorgaande volgt is: Is de taak om het evangelie aan de wereld te brengen de exclusieve opdracht voor de zevendedags adventisten? Of is het een gezamenlijk project voor alle christenen? Ik ben blij dat mijn kerk al bijna een eeuw geleden duidelijk heeft gemaakt dat dit laatste het geval is. In het dikke boek met de regelgeving voor de internationale Adventkerk (Working Policy) wordt onomwonden gezegd: ‘Wij erkennen die organisaties die de mensen op Christus wijzen als deel van het goddelijk plan om de gehele wereld met het evangelie te bereiken, en hebben grote achting voor mannen en vouwen in andere geloofsgemeenschappen die zielen voor Christus winnen . . .’(Policy O 75). Dit is dus het officiële standpunt van de kerk. Helaas blijkt dat niet alle adventisten daarvan op de hoogte zijn.
  3. Hoe ver zijn we nu gevorderd met het brengen van het evangelie? Aan de groei van het ledental van de Adventkerk (het gaat nu richting 20 miljoen) zou je afleiden dat er behoorlijk succes wordt geboekt. Maar er zijn veel andere cijfers die eerder grote zorg baren. De wereldbevolking groeit alarmerend. Het aantal mensen dat de christelijke religie vaarwel zegt eveneens.  Volgens de statistieken van zendingsdeskundigen kon een eeuw geleden ongeveer dertig procent van de wereld worden beschouwd als ‘bereikt’ met het evangelie. Een eeuw later is het aantal mensen op aarde weliswaar enorm toegenomen (en daarmee ook het aantal christenen), maar is het percentage van de bevolking dat met het evangelie is ‘bereikt’ nog steeds ongeveer dertig procent.
  4. Het zendingsmandaat luidt als volgt: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat zij zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb’ (Matteüs 28:19). Alle volken—dat zijn niet de ruim 220 nationale staten die door de VN zijn erkend, maar dat zijn de vele duizenden etnische groepen die op aarde wonen. Gods volk bestaat uit mensen ‘uit alle landen en volken, van elke stam en taal’ (Op. 7:9). Dat wil dus zeggen dat alle barrières van cultuur en taal moeten worden doorbroken.  Hoe staat het daarmee? Laten we het maar dicht bij huis houden: Communiceren wij het evangelie in de taal van de asielzoekers en vluchtelingen in ons midden? En in de taal van de millennials?
  5. Komt het werk ooit klaar?  Zelfs als het verkondigen van het evangelie plotseling in een stroomversnelling zou komen, blijft er het probleem dat er steeds weer nieuwe mensen bijkomen.  Elke dag worden er in onze wereld zo’n 300.000 kinderen geboren. Dat zijn er ongeveer 110 miljoen per jaar.  Hoe kunnen we ooit het punt bereiken dat iedereen de boodschap heeft gehoord?

Ik zou nog wel een paar vragen kunnen noemen. Op de meeste vragen weet ik geen antwoord. Maar waar ik mij aan vasthoud is de vaste belofte van de Heer dat hij terugkomt. Dat staat vast. En ook blijft de opdracht van kracht: anderen te vertellen over wat Christus voor hen kan doen.

En verder? Leven vanuit het evangelie! En rustig afwachten hoe God ooit de problemen zal oplossen. Wie weet welke verrassingen Hij voor ons in petto heeft!

Zwart en Wit

Op 21 september 1943 werd de 66-jarige Lucille Byard door haar man naar Washington, DC gebracht. Zij leed aan leverkanker in een terminale fase. Via hun predikant was contact gelegd met het Washington Adventist Hospital. Er was positief bericht gekomen en Lucille kon worden opgenomen. Maar bij de aanmelding was niet aangegeven dat Lucille zwart was en de regels van dit (adventistisch) ziekenhuis stonden niet toe dat zwarte patiënten konden worden toegelaten. Toen James Byard met zijn vrouw Lucille, na een lange en. Vermoeiende treinreis arriveerden, was Lucille’s huidskleur een onoverkomelijke barrière en moest een ander ziekenhuis worden gevonden dat haar wel wilde opnemen.

In zijn recente boek over de geschiedenis van de rassenproblematiek binnen de Adventkerk, [1]noemt dr. Calvin B. Rock dit trieste voorval als een van de incidenten die voor enorm veel beroering zorgden onder het gestaag groeiende aantal zwarte adventisten in de Verenigde Staten. Dr. Rock was een prominente zwarte leider en was van 1985 tot 2002 een van de vice-voorzitters van de Generale Conferentie. Als geen ander was hij in staat om een even boeiende als trieste relaas te bieden van de in dubbel opzicht zwarte bladzijden van de adventistische geschiedenis—van de strijd om gelijke behandeling in en door de kerk, en de strijd om een bestuurlijk aandeel te verkrijgen.

Het vervult me met schaamte te moeten vaststellen dat mijn kerk veel trager was dan de meeste andere christelijke kerken in het corrigeren van het flagrante onrecht dat aan Zwarte mensen werd aangedaan, enkel en alleen omdat ze niet Wit waren. De vroegste leiders van de kerk waren voorlopers op het terrein van rassengelijkheid, maar latere generaties leiders lieten veelal een heel ander geluid horen. En helaas moet worden vastgesteld dat nog steeds niet overal in de Adventkerk elke vorm van rassendiscriminatie verleden tijd is.

Hebben we van deze bedroevende gang van zaken het nodige geleerd? Bij het geven van het antwoord moeten we voorzichtig zijn en niet te generaliserend te werk gaan. Maar helaas loopt de Adventkerk opnieuw bij de meeste andere christelijke kerken achter als het gaat om discriminatie, en nu vooral om discriminatie op basis van geslacht. Nog steeds worden mannen en vrouwen niet gelijk behandeld. De vraag of vrouwen, net als mannen, ingezegend kunnen worden als predikant verhult de onderliggende weigering om vrouwen volledig te emanciperen. Als lid van de Adventkerk en als (manlijk) predikant, schaam ik mij daarvoor diep.  De teksten die men uit de Bijbel weet aan te voeren maken totaal geen indruk op mij. Zij houden geen rekening met inmiddels totaal gewijzigde sociale omstandigheden. Ook degenen die Lucille Byard de deur wezen en moeite hadden met zwarte leiders hadden daar hun bijbelteksten voor.

Mijns inziens wordt een dergelijk Bijbelgebruik aan de kaak gesteld in het derde van de Tien Geboden: Het is een ‘ijdel’ gebruik van het Woord van God. In dat gebod gaat het niet alleen om vloeken, maar het gaat er ook om dat je nooit Gods naam (en zijn Woord) mag gebruiken als een vlag om de lading te dekken.


[1] Protest and Progress: Black Seventh-day Adventist Leadership and the Push for Parity (Berrien Springs, ML: Andrews University Press, 2018).

Campagne voeren voor een leiderschapstaak

Iemand raadde mij aan het boek van Robert Harris te lezen over de verkiezing van een nieuwe paus. Het heet Conclave, en heeft als ondertitel : The Power of God and the Ambitions of Men. Ik heb het met plezier gelezen, maar het behoort zeker niet tot de tien beste boeken die ik in de afgelopen maanden in handen heb gehad. Het blijft echter een boeiend onderwerp hoe de Rooms-Katholieke Kerk haar hoogste leider kiest. Alle kardinalen die nog niet de leeftijd van tachtig jaar hebben overschreden komen in Rome bijeen en via een reeks van geheime stemmingen moeten zijn met een twee-derde meerderheid besluiten wie van hen de nieuwe paus wordt. Van te voren wordt druk gespeculeerd wie tot de zgn. papabile behoren: dat wil zeggen wie tot de echte kanshebbers worden gerekend. Tijdens het conclaaf wordt ongetwijfeld veel gebeden om de leiding van Gods Geest, maar dat betekent niet dat het proces vrij is van politieke manoeuvres en dat menselijke ambities geen rol spelen. Of dat in die mate het geval is als Robert Harris ons in zijn boek wil doen geloven blijft voor de lezer een flink vraagteken.

Elke kerk heeft haar eigen manier om leiders te kiezen. De Adventkerk maakt—net als veel andere kerkgenootschappen die in de VS zijn ontstaan—gebruik van een benoemingscomité dat een voorstel doet dat vervolgens aan een grotere groep moet worden voorgelegd. Dat geldt voor alle gekozen functies in alle bestuurslagen van de kerk, en dus ook voor de voorzitter van de Generale Conferentie. De kerkelijke regelementen schrijven uitdrukkelijk voor dat elke politieke activiteit achterwege moet blijven. Zonder dat er sprake is van vooraf gemaakte afspraken of van de promotie van bepaalde kandidaten moet een benoemingscomité kunnen afwegen wie de geschiktste persoon is voor een bepaalde functie. Dat is althans de theorie, maar die komt lang niet altijd overeen met de realiteit.

Waarom is dit het onderwerp van mijn blog van deze week? Ik werd ‘getriggered’ door een artikel op de website van Spectrum geschreven door Matthew Quartey. Vorige week verscheen zijn bijdrage met de titel: Should Ted Wilson Run for a Third Five-year Term? (Nederlands: Moet Ted Wilson niet naar een derde ambtstermijn van vijf jaar streven). Het gebruik van het woord run in de Engelse titel suggereert een actieve strategie om zoveel steun te werven dat herverkiezing gegarandeerd is.  Quartey is van mening dat er een aantal redenen is waarom Wilson niet zou moeten worden herkozen. Zijn eerste argument is dat Wilson in 2020 zeventig jaar oud zal zijn en dat het veel beter zou zijn om een jongere opvolger te kiezen. Daarnaast steekt hij niet onder stoelen of banken dat Wilson de kerk sterk heeft gepolariseerd en dat het tijd wordt dat er een nieuwe wind gaat waaien. Ik ben het daar zeer mee eens, maar dat is niet het punt dat ik wil benadrukken.

Helaas zijn er tal van tekenen die erop wijzen dat er inderdaad steeds meer sprake is van ‘running’ voor de hoogste leiderschapsposities en van een ernstige uitholling van de procedures die we officieel zeggen te hanteren. Bovendien: als er ruimte zou zijn voor het actief nastreven van een positie, dan zouden anderen (en niet alleen de zittende leider) ook daartoe mogelijkheden moeten krijgen. De zittende bestuurder heeft immers een enorme voorsprong. Hij (helaas kunnen we nog niet zeggen hij/zij) heeft de mogelijkheid om de gehele wereld te af te reizen en uit te leggen waarvoor hij staat. Anderen hebben die mogelijkheid niet of in veel mindere mate. Maar openlijke competitie tussen verschillende kandidaten lijkt me een volstrekt heilloze weg. We moeten alles doen om de politisering van het leiderschap te voorkomen. Ik heb een aantal keren deelgenomen aan het adventistische ‘conclaaf’ in de vorm van een benoemingscomité tijdens een Generale Conferentie. Ik zag heel veel dingen die ik graag anders zou zien. Maar een systeem van actief ‘runnen’ voor een leiderschapstaak is geen goed alternatief.

Campagne voeren voor een positie staat haaks op wat het uitgangspunt moet zijn van degenen die de kerk willen dienen. Zij worden ‘geroepen’ in een proces waarin—als het goed is—de Geest van God de richting geeft?

Is dat te mooi om waar te zijn? Het alternatief is in elk geval te lelijk om een kans te mogen krijgen.

‘Running’ for a leadership role

A friend recommended to me Robert Harris’ book about the election of a new pope . The book is entitled: Conclave, and is subtitled The Power of God and the Ambitions of Men. It is a powerful story, although it is not among the ten best books that I read in the recent past. However, it remains a fascinating topic: How does the Roman Catholkic Church elect its highest leader? All cardinals below the age of eighty convene in Rome and must decide with a two-thirds majority who of them will become the new pope. Of course, there is always much speculation as to who are papabili, i.e. who are considered the most likely candidates. During the conclave many prayers are offered to plead for the guidance of God’s Spirit, but that does not guarantee that the process is free from political maneuvering and that human ambitions play no role. Whether this is so omni-present as Harris wants us to believe must remain a question mark for the reader.

Every denomination has its own system for the election of its leaders. Like many other denominations that originated in the USA, the Adventist Church uses a nominating committee that formulates a proposal which must then be voted by a large representative body. This is true for all elected positions at all levels of the church, including the presidency of the General Conference. The rules of the churcb stipulate very clearly that any form of political activity ought to be avoided. The nominating committee must have the freedom to consider which candidate is the most suitable person for a given post, without prior consultations between members of the nominating committee or the open promotion of particular candidates. In any case, this is the theory, which does not always coincide with realty.

Why have I chosen this as the topic of my blog of this week? It was triggered by an article on the website of Spectrum, written by Matthew Quartey. It appeared last week with the title:  Should Ted Wilson Run for a Third Five-year Term? The use of the verb ‘run’ suggests an active strategy to seek  support in order to assure Wilson’s re-election. Quartey’s first argument is that Wilson will have reached the age of seventy in 2020 and that it would be highly desirable to choose a younger successor. But Quartey also leaves his readers in no doubt that Wilson has been responsible for a strong polarization of the church and that it is high time that a new wind will begin to blow. I very much agree, but this is not the point I want to emphasize.

Unfortunately, there are many indications that ‘running’ for a high church office becomes rather common. This is a serious hollowing of the procedures we profess to use. Moreover, if we feel there should be an opportunity for actively ‘running’ for an offices, others (and not only the incumbent leader) should also receive opportunities to do so. Undeniably, the incumbent has a very major advantage. He (unfortunately, we cannot yet say he/she) has the opportunity to travel the world and to acquire high visibility. Others do not have this opportunity, or, at least, to a much lesser extent. However, open competition between several candidates would be a disastrous development. We should do all to prevent a further politicizing of leadership positions. I have participated a few times in the Adventist ‘conclave’ during a General Conference session. I noticed many things that, in my view, could be improved. But actively ‘running’ for a leadership role is a very poor alternative.

Campaigning for a position is totally at odds with what should be the point of depoarture for those who want to serve the church. They are ‘called; in a process—if things go the way they should go—in which the Spirit of God as asked to show the way.

Is that too good to be true? In any case, the alternative is too ugly to even consider.

The Church We Love, Serve and Lead

This past week has been a very rewarding and inspiring experience.  I was one of a group of some 30 people who met for a few intense days in a hotel near San Diego. I was honored to have been invited and to be able to interact with a group of theologians, male and female pastors, and present and former church leaders. Our theme was not only a convenient slogan, but was the very soul of what this meeting was all about: The Church We Love, Serve and Lead: Best Practices and Strategies for the Future.

The meeting was a follow-up on the Unity Conference that was held last year in London, England. During that conference a series of papers was read that touched on some of the major issues with which the Adventist Church is currently struggling. Its special focus was on the response of church leadership at the highest level of the denomination to the fact that some church unions in the United States and elsewhere have ordained female pastors, or have expressed a strong dissidence with the continued gender discrimination in the Adventist Church. The General Conference maintains that ordaining women for pastoral ministry goes directly against the decisions of the world church and is evidence of a serious kind of non-compliance that must have punitive consequences.

This has given rise to all kinds of questions that were, either directly or indirectly, addressed by the speakers at last year’s Unity Conference.  Some of these have to do with the authority of the unions and of The General Conference, respectively. In the view of the General Conference the ordination of pastors is not solely in the jurisdiction of the unions; the General Conference maintains that it sets the criteria for ordination. Another aspect that was high on that conference’s agenda was the true nature of unity and the vital question whether this requires full uniformity.

Since that conference was held new developments have taken place. During the meetings of the full executive committee of the General Conference (during the 2017 ’Autumn Council’) proposals were introduced to enforce compliance with the rules of the church that forbid the ordination of women pastors. A document was introduced that caused much consternation, and in the end was rejected by a significant majority of the committee. It contained the idea that all committee members would henceforth be required to sign a loyalty document, with the explicit stipulation that they would comply with all decisions of the church. It was further suggested that presidents of organizations that were ‘non-compliant’ could be denied voice and vote in committee meetings, as long as their organizations are non-compliant. The manner in which this document was produced and sprung upon the committee members caused great dismay and many felt that there had been an intolerable amount of manipulation by top church leadership.

For many around the world it was a great relief that the proposals outlined in this controversial document did not pass. But this is not the end of the matter. A Unity Oversight Committee has been set up by the General Conference, with the clear intent of preparing a new proposal for the October 2018 Annual Council, that will, once again, focus on what action must be taken against non-compliant unions.  Our meetings in San Diego of the past few days dealt with our serious concerns about this matter. We asked ourselves what can be done to steer the church away from this non-compliance trajectory and to ensure that the church will no longer be sidetracked by the power struggle around non-compliance, but can, once again, give all its attention to the mission is charged with.

During our meetings in depth discussions took place about how certain processes took place in past years. It was felt that there is a need for a publication that reveals some very questionable processes and debunks some myths that have evolved. We spent hours talking about possible ways to disseminate vital information to the members of the ca. 350 member executive committee of our church. Our work was not some kind of conspiracy, but an honest attempt to contribute to solutions and to help bring about full gender equality in the church, with the understanding that not all church entities world-wide would deal with these issues at the same speed and in the same way.

I learned a lot in these past days. Some issues became much clearer to me and my desire to be involved with supporting my church received a new impulse. I thank the initiators of this week’s event for having invited me to this positive and decidedly spiritual event, and I pray that our work will bear fruit and will prove to be a blessing for the church we love, serve and lead.