Urk

Weet je waarom mensen in Urk geen Ikea meubels kopen? Omdat ze niet mogen vloeken tijdens het monteren. Die grap las ik in een uitvoerige recensie van een recent boek over Urk, geschreven door de Belgische journalist Matthias M. R. Declercq, en getiteld: De Ontdekking van Urk. Ik heb het nog niet gelezen, maar ik heb het op mijn lijstje van te lezen boeken gezet (evenals de dikke biografie van Hans Wiegel die deze maand verscheen.) Het feit dat er in het boek over Urk een grap voorkomt wil niet zeggen dat het geen serieus boek zou zijn—integendeel.

Zoals bekend (althans bij de Nederlandse lezers van mijn blog) is Urk een enclave in de Noordoostpolder. Voordat deze polder droogviel (in 1942) was Urk een eiland in het IJsselmeer. Vóór 1932, toen er nog geen Afsluitdijk was, hadden de Urker vissers een rechtstreekse verbinding met de Noordzee. Nog steeds heeft Urk de grootste Nederlandse vissersvloot, maar de meeste schepen vissen ver weg en komen slechts af en toe naar Urk.
De naam Urk komt al in middeleeuwse documenten voor. Later was het een tijdlang eigendom van de stad Amsterdam. Met zijn 21.000 inwoners is Urk een zelfstandige gemeente in Nederlands nieuwste provincie: Flevoland. De plaats staat bekend om zijn streng protestants-christelijke kerken van zo’n 25 verschillende denominaties en zijn gesloten karakter. Maar tegenwoordig haalt Urk ook nogal eens de pers vanwege het wangedrag van de (vaak op alcohol en drugs beluste) jeugd.

Af en toe kom ik in Urk. Het is zo’n drie kwartier rijden van waar ik woon. Als wij met gasten een ritje willen maken, gaan we nog wel eens richting Noordoostpolder en bezoeken we het andere voormalige eiland Schokland en vervolgens het vijftien kilometer verder gelegen Urk. Schokland is een interessant klein openlucht museum, met voortreffelijke koffie en taart in het gezellige restaurant. In Urk kun je leuk wandelen door de smalle straatjes, langs de historische werf met botters en, natuurlijk, het monument voor de 368 vissers die in de loop van de geschiedenis op zee zijn gebleven.

Je zou kunnen zeggen dat ik wel een redelijk beeld heb van hoe en wat Urk is, maar ik kan niet beweren dat ik Urk en de Urkers echt ken. Dat geldt nu wel voor Matthias Declercq. In 2009 werd hij door zijn Vlaamse krant een dagje naar Urk gestuurd om een verslag te maken van een geruchtmakende moordzaak. Dat bezoek fascineerde hem zo dat hij besloot er nog eens naar toe te gaan om Urk wat grondiger te ontdekken. Tien jaar later kwam het er eindelijk van, maar toen bleef hij er een half jaar. Hij huurde er woonruimte in het oude dorp en nam op alle mogelijke manieren aan het leven deel. In de boekaankondiging lees ik: “Declercq woont als vreemdeling in het hart van het dorp en gaat mee vissen, bidden en drinken. Stap voor stap openbaart zich de werkelijkheid. Declercq observeert een minzaam en godvrezend volk, maar ontdekt ook een schimmige en tragische wereld, met jeugdige baldadigheid, visfraude en drugs. Een wereld waarin niks is wat het lijkt. Declercq is er in deze persoonlijke queeste in geslaagd de identiteit bloot te leggen van ‘s lands schijnbaar meest gesloten en onbegrepen gemeenschap.” Ik zal het boek moeten lezen voordat ik weet of ik met deze karakterisering kan instemmen.

De meesten van ons hebben vaak vrij snel een mening klaar over een bevolkingsgroep, een land of een religie en dikwijls is die kennis heel oppervlakkig. Declerq herinnert ons eraan dat je pas “ontdekt” hoe een cultuur, plaats, land, etnische groepering or religieuze groepering in elkaar zit, als je je er echt in verdiept. Bij voorkeur betekent dat “verdiepen” een langdurige persoonlijke kennismaking, met intense gesprekken en deelnemen aan allerlei activiteiten. Pas dan kun je je een gedegen oordeel vormen. Natuurlijk is zo’n uitgebreide “ontdekking” niet altijd mogelijk. Je kunt vaak niet ergens zes maanden heen gaan, zoals Declercq deed. Dat houdt dan wel in dat je voorzichtig moet zijn met het vellen van een definitief oordeel zolang je kennis oppervlakkig is.

Ik erger mij dikwijls aan mensen die heel weinig moeite hebben gedaan om erachter te komen wat mijn kerk gelooft en hoe mijn kerk over allerlei theologische en maatschappelijke dingen denkt. Toch verkondigen zij zonder terughoudendheid hun mening. Ze hebben echter pas het recht om hun oordeel te geven als zij zich er meer dan oppervlakkig in hebben verdiept. Maar–eerlijk is eerlijk—mensen in mijn kerk moeten ook niet meteen een mening hebben over andersgelovigen als zij nooit de dialoog met hen zijn aangegaan en op ontdekkingstocht zijn gegaan!

Apostelkind

Tot een week geleden wist ik hoegenaamd niets over het Apostolisch Genootschap. Ik had geen idee hoe deze geloofsrichting was ontstaan, wat “apostolischen” geloven en hoe ze in het leven staan. Maar daar is verandering in gekomen door het lezen van het boek Apostelkind door Renske Doorenspleet. De onheilspellende ondertitel van haar boek geeft precies aan waarover het gaat: In de greep van een gesloten gemeenschap. De schrijfster, een politicologe die nu en Engeland woont, nam zo’n twintig jaar geleiden afscheid van de geloofsgemeenschap waarin zij was opgevoed en waaraan zij trouw had beloofd. Geleidelijk aan begon zij zich daar zo bekneld voelen dat zij steeds meer innerlijk afstand begon te nemen van het apostolische gedachtengoed, totdat zij uiteindelijk de knoop doorhakte en vertrok. Maar pas vele jaren later was zij in staat om terug te kijken en haar ervaringen op papier te zetten.

Vaak zitten boeken die door ex-leden van religieuze gemeenschappen zijn geschreven vol bitterheid en wrok over wat zij in hun kerk of groepering hebben meegemaakt. Vaak doen ze daarin een oproep aan anderen om diezelfde stap te zetten en zich te bevrijden uit het geestelijke dwangbuis dat hen lange tijd gevangen hield. Soms richten ze een stichting op om lotgenoten bij te staan die ook willen vertrekken. Dat is duidelijk niet de bedoeling van Renske Doorenspleet. Maar je proef wel steeds de spijt en verwondering: Hoe heb ik het binnen deze club zo lang kunnen uithouden?

In Nederland telt het Apostolisch Genootschap ongeveer 30.000 leden. Merkwaardig genoeg zijn zij heel lang bijna volledig onder de radar gebleven. Zij kwamen niet in de publiciteit door seksuele of financiële schandalen. Een enkele keer hoorden we de naam “apostolisch”, zoals bijvoorbeeld in verband met Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuin. Volkert was apostolisch.

Het beeld dat in Apostelkind wordt geschetst is benauwend. De Nederlandse tak wordt geleid door een apostel, aan wie (in elk geval tot recentelijk) een soort semi-goddelijke status werd toegekend. Hij wordt bijgestaan door een fijn-vertakt netwerk van mannen en (tegenwoordig ook) vrouwen die een reeks nauwkeurig voorgeschreven taken stipt uitvoeren. Het woord van de apostel is wet en zijn weekbrieven hebben meer gezag dan de Bijbel. Hoewel christelijk van origine, is in het Genootschap van het christelijk geloofsgoed weinig overgebleven. De hoop op een hiernamaals is volledige losgelaten. Apostolische moeten zó leven dat zij een soort zuurdesem in de wereld worden, waardoor de maatschappij steeds beter kan worden. Hoe dat dan kan gebeuren als de leden van het genootschap nauwelijks met hun ideeën naar buiten treden is mij, ook na het lezen van dit boek, een raadsel gebleven.

Wat mij wellicht het meeste trof was dat apostolischen in twee volstrekt gescheiden werelden leven—-de wereld binnen het genootschap en de wereld daarbuiten. Die twee werelden raken elkaar niet of nauwelijks. Renske Doorenspleet beschrijft uitgebreid hoe intens haar wereld binnen het genootschap was, maar hoe zij dat leven verborgen probeerde te houden voor haar vriendinnen en in haar bestaan van alledag—-en hoe dat eigenlijk voor alle volgelingen van de apostel gold. Dat roept—-althans bij mij—-de vraag op hoeveel waarde een dergelijke religie kan hebben. Als je een ideaal gevonden hebt waarin je heel veel emotie, tijd en energie (en ook veel geld!) investeert, dan ligt het toch voor de hand dat je dat met anderen wilt delen? En dan mag je toch ook verwachten dat je wordt aangespoord om anderen te bewegen dat ideaal te gaan volgen! En hoe dat ideaal vorm krijgt moet toch ook beïnvloed worden door wat er zoal in de maatschappij speelt en door wat de leden van een genootschap in hun leven van alle dag meemaken! Dit geldt overigens niet alleen voor leden van het Apostolisch Genootschap maar voor elke geloofsgemeenschap. Het leven binnen een geloofsgemeenschap en het leven daarbuiten zijn, als het goed is, communicerende vaten. Het geloofsgoed en de geloofspraktijk van een groepering moet betekenis hebben voor het dagelijks leven. Maar omgekeerd moeten de ervaringen in het leven buiten de groep ook mee worden genomen “naar binnen”, zodat het in de geloofsgemeenschap blijft gaan over dingen die er voor de leden in hun dagelijks bestaan echt toe doen.

Dank aan Renske Doorenspleet voor haar boek dat dit punt zo duidelijk illustreert.

(Renske Doorenspleet, Het Apostelkind: In de greep van een gesloten genootschap, Uitgeverij Balans, 2020. Paperback, € 22,90.)

Heeft Ellen White het laatste woord?

Het is een traditie geworden om tijdens een Generale Conferentie van de Adventkerk de afgevaardigden te vragen in te stemmen met een verklaring over het vertrouwen van de kerk in Ellen G. White. Het is de bedoeling dat dit ook in mei a.s. gebeurt, wanneer de wereldkerk haar (uitgestelde) wereldcongres in Indianapolis houdt (mogelijk, in ieder geval gedeeltelijk, virtueel). Men kan zich afvragen waarom dit vijfjaarlijkse ritueel, van het formeel benadrukken van het blijvende vertrouwen van de kerk in de persoon en het werk van Ellen White, nodig is. Is dit een teken dat kerkleiders zich zorgen maken dat het vertrouwen in de rol van Ellen White geleidelijk erodeert, en dat er zorgen zijn over de wereldwijde verspreiding van, en de interesse in, haar uitgebreide oeuvre?

Er zijn een paar regels in dit nieuwe Statement of Confidence in the Writings of Ellen G. White die mij erg storen en die in feite een paar ernstige interne tegenstrijdigheden lijken te bevatten: Wij geloven dat de geschriften van Ellen G. White geïnspireerd zijn door de Heilige Geest en gefocust zijn op Christus en de Bijbel. In plaats van de Bijbel te vervangen, benadrukken zij het normatieve karakter van de Schrift en corrigeren zij onjuiste interpretaties die aan de Schrift worden opgelegd en die berusten op traditie, cultuur, louter menselijke wijsheid en persoonlijke ervaring. Ze helpen ons ook om de menselijke neiging te overwinnen om uit de Bijbel te aanvaarden waarmee me instemmen en te verdraaien of te negeren wat we niet prettig vinden.

De gedachte dat de artikelen en boeken van Ellen G. White geïnspireerd zijn heeft door de jaren heen tot veel discussie geleid, omdat er nog veel vragen zijn over hoe haar “inspiratie” zou moeten worden gedefinieerd. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de ontstaansgeschiedenis van veel van wat mevrouw White schreef niet zo recht-toe-recht-aan is als de meeste lezers lang hebben aangenomen. Laten we deze kwestie echter voorlopig maar overslaan. Het is goed om in deze verklaring te lezen dat de geschriften van mevrouw White de Bijbel niet vervangen en het normatieve karakter van de Heilige Schrift benadrukken. Wat volgt lijkt echter in tegenspraak met deze “normatieve” status van de Bijbel. Want, zo wordt ons verteld, de geschriften van Ellen White “corrigeren onjuiste interpretaties.” Ik kan dit maar op één manier lezen: de “norm” voor het interpreteren van de Bijbel is te vinden in wat Ellen White heeft geschreven. Dit verheft in feite het gezag van Ellen White tot een niveau dat zelfs dat van de bijbelse profeten overtreft. Is dit echt wat ik als zevendedags adventist moet geloven?

Niet alleen is deze opvatting op zijn minst zeer twijfelachtig, maar wat gezegd wordt roept ook enkele andere belangrijke vragen op. Een daarvan is hoe we bepalen wat Ellen eigenlijk dacht en zei over tal van zaken. Zelf heeft ze herhaaldelijk gezegd dat men niet mag verwachten dat ze een kant-en-klaar antwoord heeft op de dogmatische onderwerpen waar de andere leiders mee worstelen. Over verschillende kwesties veranderde ze van gedachten met het verstrijken van de tijd. Haar denken ontwikkelde zich en rijpte naarmate ze ouder werd. Bovendien leefde zij niet in een tijdloos vacuüm, maar maakte ze deel uit van de 19e eeuwse Amerikaanse cultuur en droeg ze veel, o.a. methodistische, bagage met zich mee. Wie zal dus bepalen wat de “juiste interpretaties” van Ellen White zijn en hoe deze in de huidige context moeten worden toegepast? Is dit de taak van de theologen van de kerk of van de bestuurders van de kerk? Ik vrees dat de bestuurders van de kerk (vaak geen theologische experts) zich in toenemende mate zien als de beschermers van de gezonde leer, en dat zij soms tegen de meerderheidsopvattingen van de prominente theologen van de kerk ingaan.

Wij kunnen slechts hopen dat deze verklaring niet wordt aangenomen tijdens het komende wereldcongres van de kerk. Het zou waarschijnlijk te veel gevraagd zijn om te hopen dat het document zonder meer wordt afgewezen. Maar misschien kan het op zijn minst worden doorverwezen naar een commissie voor verdere studie! (Ook dat is een eerbiedwaardige adventistische traditie!)

James White tussen de muilezels

James Springer White (1821-1881) was een van de grondleggers van de Kerk van de Zevende-dags Adventisten. Hij was nauwelijke twintig jaar toen hij al een full-time prediker was binnen de kleine gemeenschap van mensen die teleurgesteld uit de beweging van Miller waren gekomen, en nu zin probeerden te ontdekken in hun recente ervaringen. Binnen enkele jaren werd hij een van de leiders van deze groep die zich in 1863 organiseerde als de kerk van de Zevende-dags Adventisten. Drie keer diende hij—tussen 1867 en 1880—gedurende een termijn van twee jaar als voorzitter van de Generale Conferentie. In 1880 betekende dit dat hij leiding gaf over een kerk die inmiddels ruim 15.000 leden telde.

James was niet alleen de “president” van de kerk, maar hij was ook de leider van het uitgeverswerk, eerst in het Oosten van de VS, maar later ook in Californië. Hij was een van de belangrijkste auteurs en speelde een belangrijke rol bij de oprichting van de eerste instellingen van de kerk op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs. Daarnaast—-en dat was misschien nog belangrijker dan alle genoemde functies—-was hij ook de echtgenoot van Ellen White. Zijn invloed op de profetes van de kerk moet niet worden onderschat.

Je zou kunnen zeggen dat James White een genie was. Hij had vele talenten en een enorme werklust. Met zijn vrouw en een aantal andere “pioniers” bracht hij ongekende offers in de beginperiode van de kerk. Maar er waren ook andere kanten aan het verhaal. James kende perioden van diepe depressie en totale uitputting. Hij had tenminste vijf keer een beroerte, waarna hij steeds weer moeizaam opkrabbelde. Zijn persoonlijkheid werd daardoor in ongunstige zin beïnvloed en maakte hem vaak een uitermate moeilijk mens om mee om te gaan. Hij had een buitengewoon scherpe tong en pen en kon zijn collega-leiders soms snoeihard bekritiseren of zelfs vernederen. Er waren periodes waarin de relatie tussen hem en zijn vrouw Ellen onder grote spanning stond en zij geruime tijd niet bij elkaar woonden.

Wat James White steeds zoud achtervolgen waren verdenkingen rond zijn financiële activiteiten. De predikanten in de Adventbeweging waren in het begin straatarm. Er was nauwelijks sprake van een regelmatig salaris en zij leden daarom vaak pure armoede. Dat zij daarom naar manieren zochten om wat te kunnen bijverdienen valt te begrijpen en daar kwam geen of weinig kritiek op van de kant van de kerkleden. Maar James was, bij alle drukke bezigheden voor de kerk, voortdurend bezig met handel. Hij zag overal gelegenheden om wat te verdienen, door als agent voor bepaalde producten op te treden, of door het kopen en verkopen van huizen of partijen goederen. Tweemaal werd door de kerkelijke leiding een diepgaand onderzoek ingesteld naar de zakelijke handel en wandel van James. De uitkomst was in beide keren in het voordeel van James White, maar dat hij een slimme zakenman was staat buiten kijf.

Ik wist wel het nodige van deze buitenkerkelijke activiteiten van James White, maar pas heel onlangs las ik over een episode waarvan ik niet eerder had gehoord. Veel adventisten van en eerste uur, inclusief hun leiders, leefden heel ongezond en hadden steeds weer met ziekte te kampen. De staat Colorado, met zijn bergen, kreeg de reputatie dat dit een plek was waar je je gezondheid kon hervinden. In 1876 was er een groepje Adventgelovigen in het Noorden van Texas dat om gezondheidsredenen besloot om te migreren naar Colorado. James White raakte daarbij betrokken. Hij zou deze mensen helpen bij hun moeizame tocht. Maar hij zag meteen ook “handel”. Muilezels waren in Colorado sterk in trek vanwege de mijnbouw die zich daar ontwikkelde en waarbij veel muilezels nodig waren. James ontdekte dat hij in Texas een muilezel voor 80 dollar kon kopen en dat die in Colorado zo’n 200 dollar kon opbrengen. En zo vertrok in maart van 1876 een kleine colonne van acht overdekte wagens, en het 2-persoons rijtuig van James en Ellen White, vanuit Dallas, met een flink aantal muilezels (hoeveel het er waren is onduidelijk). Een paar cowboys werden ingehuurd om te helpen bij het transport over zo’n 700 kilometer, langs de Chisholm Trail die veel voor dergelijke diertransporten werd gebruikt. Het werd een avontuurlijke tocht van enkele maanden. James was de leider van de expeditie, terwijl Ellen en haar assistente Marion Davis voor de catering zorgden. Ellen behield allesbehalve prettige herinneringen over aan deze ervaring. Direct na aankomst op hun bestemming vertrok zij per trein naar Californië, terwijl James voor de verkoop van de muilezels achterbleef en nog geruime tijd in de “cabin”, die de Whites inmiddels in Colorado bezaten, doorbracht.

Het is een merkwaardig verhaal. De voorzitter van de Generale Conferentie trekt met een kudde muilezels door een gebied dat grotendeels nog bewoond werd door “indianen”. En een van de reisgenoten, die kennelijk veel aanleg bezat om dieren bijeen te drijven en te houden, was de jonge Arthur Daniels, die later, net als James White, president van de kerk zou worden.

Wat is de moraal van het verhaal? Het illustreert dat de ‘pioniers” geen heiligen waren, die in een andere wereld leefden, maar mensen van vlees en bloed, die verre van volmaakt waren. Zij dwingen bewondering af voor hun enorme opofferingsgezindheid en inzet voor hun ideaal, maar zij niet de onbetwiste “rolmodellen” waarvoor zij worden gehouden door een groot aantal Adventgelovigen die denken dat het met de kerk pas echt goed kan gaan als we in alles deze leiders van het eerste uur tot voorbeeld nemen.

Dwalen langs de randen van de ketterij past mij uitstekend

Mijn vriend en (emeritus-) collega Bram van der Kamp is nogal secuur in het onthouden van verjaardagen. Toen we elkaar enkele dagen geleden ontmoetten had hij een cadeautje klaarliggen vanwege mijn recente verjaardag. Het was een gedichtenbundel van Szeslaw Miloz (1911-2004), een Poolse dichter die in 1980 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Bram voorspelde dat ik er een aantal zinnen in zou aantreffen die me zouden raken. Dat bleek te kloppen. Het derde gedicht in de bundel begint met deze woorden:

Ik ben geen bezitter van de waarheid en wil het ook niet zijn.
Dwalen langs de randen van de ketterij past mij uitstekend.

Vroeger hoorde ik mijn adventistische geloofsgenoten vaak zeggen: “Wij hebben de waarheid.” Dat was trouwens geen exclusieve adventistische claim. Ook leden van veel andere religieuze stromingen wisten zeker dat zij ‘de waarheid” hadden. Zo stellig drukt men zich tegenwoordig meestal niet meer uit. Maar veel individuele christenen denken toch nog steeds dat zij de waarheid “hebben” en als anderen het niet met hen eens zijn, dan “hebben” die mensen de waarheid niet. Ik zeg het Szeslaw Miloz na: “Ik ben geen bezitter van de waarheid en ik wil (en kan) het ook niet zijn.” Als een christen zegt dat hij de waarheid “heeft”, lijdt hij/zij aan een grenzeloze zelfoverschatting. Gods waarheid is oneindig veel groter dan een mens kan vatten. Dogma’s of Fundamentele Geloofspunten kunnen “de waarheid” niet adequaat onder woorden brengen. Dat soort spreken over God is hooguit menselijk stamelen. Dat komt omdat de Waarheid niet is te reduceren tot menselijke woorden, want de Waarheid is een Persoon: Jezus Christus. Daarom: “Ik ben geen bezitter van de waarheid,” maar ben dankbaar dat de Waarheid mij wil “bezitten.”

Ook de tweede zin kan ik Szeslaw Miloz nazeggen. Ook mij “past het uitstekend om te dwalen langs de randen van de ketterij.” In de Nederlandse taal is het woord “ketter” afkomstig van de naam katharen—-christenen die in hun theologie op veel punten afweken van de opvattingen van het middeleeuws rooms-katholicisme en vaak barbaars werden vervolgd. In het Engels gebruikt men de woorden heresy en heretics, die afgeleid zijn van het Grieks (de taal van het Nieuwe Testament). De grondbetekenis van “heresy” is “in staat zijn om te kiezen” en een “heretic” is iemand die een opinie heeft die afwijkt van de gangbare mening.

Je zou kunnen zeggen: “Ketters” zijn gelovigen die zich niet zomaar bij de gevestigde mening van de meerderheid en bij de kerkelijke traditie neerleggen, maar vragen stellen en daardoor geestelijke verdieping willen bereiken. Zij willen dingen ook wel eens van een andere kant bekijken en hoeven alles niet zeker te weten. Zij komen soms met voorstellen die de meerderheid liever niet hoort, of met kritiek die pijnlijk is. Voor de kerkelijke leiders zijn deze “ketters” natuurlijk lastig. Zij vormen luizen in de pels van hun gevestigde hiërarchie. Maar de “ketters” blijven altijd ook medeverantwoordelijk voor het welzijn van de kerk en daarom kunnen zij niet zo maar overal, en onder alle omstandigheden, hun “ketterse” ideeën spuien.

De vorig jaar overleden Johannes van der Ven was lange tijd hoogleraar in de praktische theologie in Nijmegen en werd internationaal hogelijk gewaardeerd. Hij was van mening dat de kerk altijd reformatie nodig heeft en dat dit niet tot stand komt zonder conflicten. Als er geen controverses zijn in de kerk is dat geen bewijs dat alles koek en ei is, maar eerder het tegendeel. “Ketters” die “dwalen aan de rand van de kerk” dwingen de kerk zichzelf onder de loep te nemen en te overwegen of zij soms in bepaalde opzichten gelijk hebben met hun “ketterse” inzichten. Een kerk doet er dan ook goed aan om kanalen te scheppen, of toe te staan, waarlangs “ketters” hun inzichten kunnen ventileren. De meeste “ketters” zijn geen vijanden van de kerk maar houden van hun kerk en zijn intens loyaal aan hun kerk. De kerk heeft hen nodig. Ik vind het daarom niet erg als ik soms voor “ketter” wordt uitgemaakt. De woorden van Szeslaw Miloz spreken me aan: “Dwalen langs de randen van de ketterij past mij uitstekend.”