Alweer een nieuwe Bijbel . . .

Vorige week ontving Koning Willem Alexander uit handen van de voorzitter van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap het eerste exemplaar overhandigd van een nieuwe Nederlandse Bijbelvertaling, de NBV21. Inmiddels heb ik er ook een. Gisteren hield een vertegenwoordiger van het Bijbelgenootschap een lezing tijdens een bijeenkomst van Nederlandse adventistische predikanten over de vertaalprincipes die ten grondslag liggen aan deze nieuwe vertaling. De spreker, Cor Hoogerwerf, was als specialist vertalen en exegese van het Nieuwe Testament direct betrokken bij de nieuwe Bijbelvertaling, waarvan alle aanwezige predikanten een exemplaar cadeau kregen.

Eigenlijk is er geen sprake van een geheel nieuwe vertaling, maar van een grondige herziening van de editie van de Bijbel die in 2004 verscheen. Het was destijds al voorzien dat er nog verder aan deze vertaling zou moeten worden gesleuteld. Niet alleen zouden er nieuwe wetenschappelijke inzichten komen, maar er waren ook de (onvermijdelijke) fouten die moesten worden gecorrigeerd en op tal van punten kon het Nederlands worden verbeterd. Toen de editie van 2004 verscheen werd aan de lezers gevraagd om hun opmerkingen en eventuele kritiek en voorstellen tot verbetering in te sturen. Daaraan werd op grote schaal gehoor gegeven, zodat de groep vertalers en de groep Neerlandici enkele duizenden reacties moesten beoordelen. Hun werk leidde uiteindelijk tot ca. 12.000 (merendeels) kleine en een aantal grotere wijzigingen. Soms betreft het interpunctie, maar soms ook verandering van woorden, of het omzetten van zinnen en het consequenter vertalen van bepaalde Hebreeuwse en Griekse woorden met Nederlandse equivalenten. Op een aantal plekken vind je opvallende veranderingen. Zo is in Jesaja 34:11 “stekelvarken” vervangen door “roerdomp” en in een dozijn teksten het woord “drank” door het woord “bier.” Recent archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat Israël brouwerijen kende en dat “bier” dus een logische vertaling is!

Een ander aspect leverde verreweg de meeste discussie op, namelijk de herinvoering van hoofdletters (de zgn. eerbiedskapitalen) bij persoonlijke voornaamwoorden die betrekking hebben op de Godheid. Die hoofdletters waren in 2004 achterwege gelaten. Men meende destijds dat in het algemeen taalgebruik in Nederland de hoofdletter op zijn retour was. Dat blijkt echter niet het geval te zijn, concludeerde men nu. Bovendien was er bij heel veel bijbellezers het gevoel dat de hoofdletter weer terug moest komen om onze eerbied voor God uit te drukken. Het is een sentiment dat ik in de adventistische geloofsgemeenschap ook dikwijls heb gehoord.

Ik ben blij met deze nieuwe Bijbelvertaling, en vermoed dat deze vrij snel ook door veel Nederlandse adventisten zal worden gebruikt, ook op de kansel. Nieuwe edities van de Bijbel zijn in het verleden in adventistische kring steeds vrij snel geaccepteerd en er is alle reden om aan te nemen dat dit nu ook wel weer het geval zal zijn. Maar er zal ook stevige tegenstand zijn. Er zijn nog altijd heel wat mensen in “onze” kerk (evenals in veel andere geloofsgemeenschappen) die vast willen houden aan de Statenvertaling of de Herstelde Statenvertaling omdat zij deze als als “zuiverder” zien. Bij de meesten van hen die dat vinden berust dit op traditie en gevoel, en dat is begrijpelijk. Als je aan bepaalde uitdrukkingen gehecht bent is het niet voor iedereen even gemakkelijk om die los te laten. Maar dat de nieuwere bijbelvertalingen minder “zuiver” zouden zijn is niet waar. Integendeel.

Vertalen is een gecompliceerd proces. Het gaat om een getrouwe weergave van de brontekst en een goed leesbare en verstaanbare versie in de taal van de doelgroep. Daarbij kunnen verschillende vertaalmethoden worden gehanteerd. Sommige methoden leggen alle nadruk op de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse tekst en willen daar zo dicht mogelijk bij blijven. Andere vertaalmethoden (zoals bijvoorbeeld gebruikt bij de Bijbel in Gewone Taal) willen eerst en vooral een vertaling leveren die gemakkelijk leesbaar is. De NBV21 gaat een middenweg.

Bij een nieuwe Bijbelvertaling gaat het niet alleen om taalkundige kwesties, maar gaat het ook om theologie. De meeste Bijbellezers geloven dat de Bijbel geen gewoon boek is maar op de een of andere manier te maken heeft met goddelijke inspiratie. God heeft zich geopenbaard door zijn Zoon Jezus Christus, maar ook door het geschreven/gedrukte Woord. Hij heeft daarvoor mensen gebruikt, door de eeuwen heen, die met hun eigen woorden en bijzondere stijl op schrift stelden wat zij herkenden als Gods boodschap. Sindsdien zijn die woorden steeds weer overgeschreven en in talloze talen vertaald. De Bijbel is Gods werk maar is ook heel nadrukkelijke mensenwerk. In elke fase van de geschiedenis en binnen elke cultuur moeten de bijbelse woorden steeds weer een nieuwe klank krijgen, zodat ze de mensen voor wie ze bedoeld zijn kunnen aanspreken. God heeft mensen de taak gegeven zijn woorden door te geven, zo goed als zij dat kunnen. En aangezien de kennis van de oorspronkelijke talen continu toeneemt, en de taal van de lezers voor wie een vertaling bestemd is voortdurend evolueert, zijn nieuw vertalingen steeds weer een Godsgeschenk dat ons verrijkt.

Wie de Statenvertaling wil blijven gebruiken of aan een andere vertaling gehecht is–wat mij betreft is dat prima! Maar laat niemand beweren dat het van extra vroomheid en trouw aan Gods Woord getuigt om nieuwere vertalingen af te wijzen. Er is dan ook alle reden om nu ook de NBV21 dankbaar te gaan gebruiken!

Over de theologische problemen die de kerk bedreigen

De jaarvergadering van de wereldwijde Adventkerk is op het moment dat ik deze blog schrijf weer bijna voorbij. Het waren hybride bijeenkomsten, met een deel van het wereldbestuur fysiek aanwezig in de kapel van het hoofdkantoor in Silver Spring (VS) en het grootste deel van de bestuursleden verspreid over de aarde, op vaak ongemakkelijke tijden, deelnemend via Zoom. Het was qua techniek een huzarenstukje, met live streams in vijf verschillende talen en veel grafisch prima verzorgde presentaties. Het doet me goed te zien hoe de kerk ondanks de coronacrisis organisatorisch overeind is gebleven en de financiële averij beperkt is gebleven. Maar de pandemie is niet aan de kerk voorbijgegaan. Naar schatting zijn zo’n 17.000 kerkleden aan het virus bezweken, waaronder circa 800 employés. Wie dacht dat God alle trouwe zevendedags adventisten tegen de Covid-19 epidemie zou beschermen moet zijn/haar theologie dringend herzien.

Ik besef dat ik van een afstand geen volledig beeld heb kunnen krijgen van alles wat er in de afgelopen dagen besproken en besloten is, maar er zijn een aantal aspecten waarover ik mij grote zorgen maak en die mij—-ik moet dat helaas bekennen—-nogal deprimeren. Dat betreft allereerst het statistische rapport van de als altijd flamboyant geklede David Trim, die de directeur is van het statistisch bureau en de archieven van de kerk. De laatste twee decennia zijn we eraan gewend geraakt dat het ledental van de kerk wereldwijd elk jaar met meer dan een miljoen personen toenam. Tijdens de recente pandemie bleef dat cijfer steken op ca. 800.000. De vraag is of die teruggang alleen te wijten is aan de praktische problemen tijdens dekpandemie of dat dit ook de eerder ingezette afvlakking in de kerkgroei bevestigt. Meer alarmerend in het statistische rapport is de grafiek die duidelijk maakt dat van elke 100 mannen en vrouwen die tot de kerk toetreden er 41 na kortere of langere tijd de kerk weer verlaten. Dat schrikbarende percentage kruipt langzaam maar zeker verder omhoog. En de onplezierige werkelijkheid is dat dit getal helaas geflatteerd is, aangezien er velen afhaken zonder dat dit ergens wordt geregistreerd.

Kerkverlating is een gecompliceerde aangelegenheid waarmee de meeste kerkgenootschappen te maken hebben en dat vele aspecten heeft. Maar het heeft zeker ook te maken met de behoudende koers die de kerkelijke leiding van de Adventkerk, vooral sinds het aantreden van de huidige voorzitter van de wereldkerk, heeft ingezet, en die weer eens krachtig werd benadrukt tijdens de afgelopen dagen. Dat kwam heel duidelijk tot uiting in de preek van Wilson op sabbatmorgen, waarin hij niet minder dan veertien “gevaren” opsomde die volgens hem de Adventkerk bedreigen. Hij noemde zijn preek “pastoraal”, maar dat was het bepaald niet. Broeders en zusters met een niet hetero-geaardheid zullen eerder het gevoel hebben gekregen dat er geen plek voor hen in de kerk is. Velen van hen vragen zich af waarom zij zouden blijven in een geestelijke gemeenschap waar ze niet welkom zijn.

Een van de belangrijke agendapunten op maandag had ook te maken met de “gevaren” die de kerk bedreigen. Een groepje van vier mannen, onder aanvoering van de voorzitter, had de opdracht om deze bedreigingen in kaart te brengen. Het lijstje met tien punten liep voor een belangrijk deel parallel met de preek van sabbatmorgen.
Er is hierop via de sociale media al heel wat commentaar geleverd, zowel pro als contra. Ik werd vooral getroffen door een opmerking op Facebook van iemand die vaststelde dat niet hij de kerk had verlaten, maar dat de langzaam maar zeker de kerk hem had verlaten! Dat aspect moeten we in ons achterhoofd houden als we kijken naar met de kerkverlatingscijfers.

Een brandende vraag is wat hierbij de rol is van de honderden theologen die verbonden zijn aan de adventistische colleges en universiteiten. Het antwoord is triest en ontluisterend: zij staan bijna allemaal buiten spel. Het lijstje van “theologische problemen” dat op de agenda van de najaarsvergadering stond werd samengesteld door enkele vertrouwelingen van de voorzitter van de kerk. Het bewaken van de “leer” van de kerk kan kennelijk niet aan mensen met een solide theologische vorming worden toevertrouwd maar is afhankelijk van het geestelijk inzicht van enkele topbestuurders. (Het valt trouwens op dat in het lijstje van gevaren de ketterij van de Last Generation Theology ontbreekt!) Terecht (maar op dit moment tevergeefs) pleitte de vorige General Conferentievoorzitter ervoor dat er bruggen worden geslagen tussen de theologen en de bestuurders!

Al met al stemmen de afgelopen dagen mij nogal gedeprimeerd. Maar ik geef de hoop niet op dat er op een gegeven moment een nieuwe wind zal gaan waaien. Als dat niet gebeurt dreigt de kerk, waartoe ik met hart en ziel behoor, een museum te worden in plaats van een plaats waar ik me geestelijk kan opladen en waar mijn geloof aansluiting vindt bij de uitdagingen van het leven van elke dag.

Zeventig jaar televisie

Dagenlang staat het menu dat we op de Nederlandse televisie voorgeschoteld krijgen al in het teken van de viering van zeventig jaar televisie. Van de ene terugblik tuimelen we in de andere. En we kunnen ons haast niet meer voorstellen dat er ooit een tijd was zonder televisie.

In mijn vroege tienerjaren stond er naast de watermolen waarin ons gezin toen woonde een oud huisje dat een echtpaar uit Amsterdam jarenlang als weekendhuisje gebruikte. Kennelijk was de snoepwinkel die zij in het centrum van onze hoofdstad hadden een goede bron van inkomsten, want deze mensen hadden niet alleen een vakantiewoning maar behoorden tot de eerste kleine groep die zich een televisietoestel kon veroorloven. Elke week zorgden zij op woensdagmiddag voor een stuk of tien stoelen in bioscoopopstelling in de kleine woonkamer. De gordijnen werden vrijwel geheel gesloten en een groepje kinderen uit de buurt was er welkom om naar een zwart/wit programma te komen kijken.

Televisiekijken bleef jarenlang een kostbare geschiedenis. Het tweedehands zwart/wit toestel dat wij ons ternauwernood konden veroorloven, nadat we al enkele jaren getrouwd waren, kostte destijds ongeveer hetzelfde bedrag als wat we kort geleden voor een fonkelnieuwe state-of-the art smart-tv neertelden. Dit was rond het jaar 1970. Het kijkgenot dat we ons daarmee verwierven laat zich niet vergelijken met het huidige programma-aanbod. We konden kiezen uit twee zenders die slechts een deel van de dag in de lucht waren.

In de eerste decennia van de zeventig jaren van televisie was er bij velen twijfel of we wel blij moesten zijn met deze uitvinding. Ds. F. J. Voorthuis (1904-1986), misschien wel de invloedrijkste leider in het verleden van de Nederlandse Adventkerk, hield in zijn boek ‘s Werelds Enige Hoop de lezers voor dat de komst van de televisie een overduidelijk teken des tijds was. Daniel 12:4, waarin we lezen dat in de tijd van het einde de kennis zou toenemen, ging nu onmiskenbaar in vervulling.

Bij christenen aan de rechterkant van de gereformeerde wereld in ons land was de komst van de televisie zeer omstreden. Bij de strengste groepen kregen de kerkleden te horen dat ze geen televisie mochten aanschaffen en kwamen de ouderlingen van tijd tot tijd zelfs inspecteren of die regel wel werd nageleefd. In de zgn. Bible-belt werden eikenhouten kasten, waarin een televisietoestel achter deurtjes kon worden opgeborgen, heel populair.

In de Adventkerk werden de gelovigen opgeroepen om vooral selectief te zijn in hun kijkgedrag. En televisiekijken op de sabbat (dus ook op vrijdag na zonsondergang) was taboe. In hoeverre dit nog steeds wordt nageleefd is moeilijk te zeggen, maar ik heb niet de indruk dat dit nog een belangrijk punt is. Selectief zijn in het kijkgedrag is echter wel een belangrijk uitgangspunt gebleven.

Is de televisie in de afgelopen zeven decennia verrijkend geweest? Er is een wisselwerking geweest tussen veranderingen in de maatschappij en ontwikkelingen in wat op de tv te zien is. Het aanbod is exponentieel gegroeid, maar er is veel dat ik eigenlijk alleen met het woord “rotzooi” kan aanduiden. Je kunt, denk ik, wel zeggen dat het taalgebruik door de bank genomen verruwd is en dat de moraal aanzienlijk veranderd is—in de meeste opzichten niet ten goede. Maar het is moeilijk om vast te stellen in welke mate de televisie een negatieve invloed heeft op hoe we denken en hoe we ons gedragen, of dat de televisie vooral een spiegel is van hoe onze maatschappij zich heeft ontwikkeld.

Intussen zal de televisie voorlopig niet verdwijnen, maar we zien wel dat andere media vooral bij jongeren de televisie heel duidelijk verdringen. De televisie en de nieuwere media hebben ons veel goeds gebracht, maar een selectief gebruik blijft essentieel–niet alleen op vrijdagavond, maar op elke dag van de week!

Loyale dwarsdenkers

Een van de mensen die ik erg bewonderd heb is Dr. Roy Branson. Ik weet niet meer precies wanneer ik hem voor het eerst ontmoette. Het kan bij een evenement geweest zijn in de jaren 1980. Wat ik me wel herinner is dat in de jaren ’90, toen ik regelmatig naar Washington DC kwam om de jaarvergadering van de Generale Conferentie en andere vergaderingen bij te wonen, Roy meestal contact met me opnam en me uitnodigde om een presentatie te geven in zijn zeer populaire sabbatschoolklas in de Sligo Church. Deze lokale kerk, die in die tijd meer dan 2.000 leden telde, had de reputatie nogal “vrijzinnig” te zijn. Het was de kerk waar de eerste vrouwelijke Adventistische predikanten werden ingezegend – ondanks de hevige tegenstand vanuit het nabijgelegen hoofdkantoor van het kerkgenootschap. Roy’s Sabbatschool was niet traditioneel, en, ja, misschien soms wat “vrijzinnig”.

Roy Branson als “liberaal” bestempelen zou hem echter geen recht doen. Hij was een uniek, creatief, mens. Hij was een wetenschapper met brede interesses – een theoloog, een ethicus en daarbij ook een activist. Hij werd in 1941 in het Midden-Oosten geboren in een zendelingengezin. Zijn grootvader, William Henry Branson, was voorzitter van de Generale Conferentie van 1950 tot 1954. Roy’s academische loopbaan speelde zich deels af binnen het adventistische onderwijssysteem en deels daarbuiten. De leiders van zijn kerk stelden niet altijd prijs op zijn mening, en Roy was niet altijd gecharmeerd van wat zijn kerk over bepaalde zaken te zeggen had. Dit speelde zeker een rol bij zijn aandeel in de oprichting van het Spectrum tijdschrift, waarvan hij gedurende een aantal jaren ook de redacteur was. Maar Roy bleef zijn kerk trouw en bleef die dienen. Zijn laatste baan binnen het kerkgenootschap was het directeurschap van het Centrum voor Bio-ethiek aan de Loma Linda Universiteit, terwijl hij ook associate dean was van de theologische faculteit van diezelfde universiteit.

Onze paden kruisten elkaar opnieuw toen ik in 2014 werd uitgenodigd om gedurende drie maanden naar de School of Religion van de Loma Linda University te komen als visting professor. Hoewel ik niet precies weet hoe deze uitnodiging tot stand kwam, heb ik een vermoeden dat Roy daarbij betrokken was. Ik kijk met veel genoegen terug op de drie maanden die mijn vrouw en ik in Zuid-Californië in “Loma Linda” hebben doorgebracht. We koesteren nog steeds de warme vriendschappen die we in die tijd met een groot aantal mensen hebben gesloten.

Het was een vreselijke schok toen we ongeveer een jaar later hoorden dat Roy plotseling was overleden. Eén van de manieren waarop zijn naam voortleeft is door het initiatief van dr. David Larson, die ervoor gezorgd heeft dat de sabbatschool die door Roy Branson geleid werd, voortgezet werd onder de naam Roy Branson Legacy Sabbath School (RBLSS). Het was een groot genoegen om deze klas, die elke sabbatmorgen samenkwam in een van de amfitheaters van de theologische faculteit, een aantal keren te bezoeken en er actief aan deel te nemen. Maar toen. . . sloeg Covid toe en sindsdien heeft de RBLSS on line vergaderd. In die tijd heb ik vanachter mijn laptop in Zeewolde verschillende presentaties gegeven, gevolgd door een discussie. Het is niet helemaal hetzelfde als in het amfitheater met zo’n 60-70 mensen, maar de digitale variant heeft de groep goed gedaan en zal dat nog wel een tijdje blijven doen.

Aanstaande zaterdagochtend (Californische tijd; dat is zaterdagavond Nederlandse tijd) begin ik met een serie van acht presentaties in de SBLSS. De serie is getiteld: Christelijke Profielen van Moed: Voorbeelden van loyaliteit en verantwoord dwarsdenken. Op 2 oktober begin ik met een algemene inleiding op dit thema, en vanaf 9 oktober zal ik een aantal personen bespreken die door de eeuwen heen grote moed en loyaliteit hebben getoond, terwijl zij het niet eens waren met hun kerk – te beginnen met Erasmus. In elk geval zal ik proberen de problemen waar deze mensen mee te maken hadden, in verband te brengen met parallellen in het Adventisme. In veel opzichten is deze serie een eerbetoon aan Roy Branson, die een groot voorbeeld was van verantwoordelijk dwarsdenken en van trouw aan zichzelf, de mensen om wie hij gaf, de sociale idealen waarvoor hij zich inzette, en de kerk die hij diende.

Voor degenen die mogelijk geïnteresseerd zijn in een bezoek aan de RBLSS, zie: http://bransonlegacysabbathschool.com

In Memoriam: Robin Vandermolen

Iets meer dan vijf jaar geleden ontving ik een berichtje op Messenger van een zekere Robin Vandermolen. Ik had geen idee wie deze persoon kon zijn, maar gezien zijn naam nam ik aan dat hij een Nederlander moest zijn. Het bericht was echter in het Engels en het was duidelijk geen landgenoot die het schreef. De schrijver verklaarde dat hij voor zijn huis in Hawai zat en voor de tweede keer een boek aan het lezen was dat ik had geschreven en dat een paar maanden eerder was gepubliceerd. Het was getiteld: FACING DOUBT-A BOOK FOR ADVENTIST BELIEVERS ‘ON THE MARGINS.’ (Ned. Editie: GAAN OF BLIJVEN?) Hij was tot de conclusie gekomen dat hij graag met de schrijver zou willen praten en had op de een of andere manier ontdekt hoe hij met mij in contact kon komen. Hij gaf aan dat hij over enkele weken in een van zijn andere huizen zou zijn, namelijk in Eze aan de Franse Rivièra, niet ver van Lyon. Hij nodigde mij en mijn vrouw uit om een week of langer bij hem te logeren. Boek een goedkoop ticket naar Lyon, schreef hij, en hij zou alle andere kosten op zich nemen.

Het was verleidelijk. Je krijgt niet vaak een uitnodiging voor een vakantie aan de Rivièra, in een mooie villa, met uitzicht op de Middellandse Zee. Maar we vroegen ons af: wie was die Robin VanderMolen? Zou het wel verstandig zijn om op zijn uitnodiging in te gaan? Zou er mogelijk ergens een addertje onder het gras zitten? Ik heb toen wat gegoogeld en wat extra onderzoek gedaan. Toen ik zijn naam zag staan als vaste donateur van Spectrum, besloot ik navraag te doen bij enkele Spectrum-mensen die ik kende. Zij verzekerden mij: Robin is OK. Hij heeft graag gezelschap. Een aantal van hen vertelden ons dat ze wel eens bij hem te gast waren geweest en ze moedigden ons aan om zijn gastvrijheid te aanvaarden en een vlucht naar Lyon te boeken. En dat deden we.

Het werd een unieke week. Het was vermoeiend, want onze gastheer had een lange lijst van dingen die hij ons wilde laten doen – bezoeken aan een aantal uitgelezen musea en verschillende culturele evenementen. Hij zei ons dat we beter twee weken hadden kunnen komen in plaats van slechts één week; dat zou ons programma veel lichter hebben gemaakt! Maar, naast het toeristische programma, werd er ook veel gepraat. Over mijn boek, in het bijzonder over het onderwerp “twijfel” en over wat je moet doen als je het gevoel hebt dat je “in de marge” van de Adventkerk bent beland.

Voordat we de definitieve afspraak hadden gemaakt voor onze reis naar Lyon, had Robin ons geschreven dat hij homo was en samenwoonde met zijn partner Stephen. Zo’n vijftien of twintig jaar geleden hadden we daar misschien moeite mee gehad, maar geleidelijk aan waren onze opvattingen over seksuele geaardheid sterk veranderd. Wij gaven dus aan dat dit voor ons geen punt van discussie was. Ook niet het feit dat Stephen op dat moment in een tamelijk vergevorderde staat van Alzheimer verkeerde.

Tijdens onze week samen vertelde Robin ons zijn levensverhaal. We spraken uitvoerig over homoseksualiteit, in het bijzonder over het gebrek aan acceptatie van homoseksuelen in de Adventkerl, en hoe pijnlijk hij dit persoonlijk had ervaren. Hij vertelde dat hij op zondag vaak naar een kerk ging waar homo’s wel welkom waren.

Natuurlijk ben ik mij bewust van de bijbelse argumenten van veel van mijn geloofsgenoten (en veel andere christenen) die homoseksualiteit lijken te veroordelen – of op zijn minst het praktiseren ervan. Ik gebruik het woord “lijken” met opzet, omdat een zorgvuldige blik op de zogenaamde “clobber-teksten” ons vertelt dat die teksten over homoseksualiteit niet precies zeggen wat velen vaak hebben gedacht. In ieder geval was het horen van Robins verhaal en het zien van zijn liefdevolle zorg voor zijn Alzheimer-partner zeer indrukwekkend. Het versterkte mijn conclusie dat, welke theologische vragen er ook wellicht blijven bestaan, ik alleen maar bewondering kan hebben voor het soort toewijding dat ik in Eze in actie zag.

Sinds ons bezoek in Eze hebben we Robin nog één keer persoonlijk ontmoet. Dat was toen hij en Stephen en Aafje en ik gelijktijdig in Zuid-Californië waren en we elkaar konden ontmoeten voor een uitgebreid ontbijt in Pasadena. Hij bleef er voortdurend op aandringen dat wij hem in Hawaii zouden komen bezoeken. Hij was graag bereid ons de nodige tickets te sturen. Maar dat is er dus niet meer van gekomen.

Nog geen twee weken geleden stuurde Robin me een verjaardagskaart en ook een bericht via Messenger dat Stephen’s situatie zodanig verslechterd was dat opname in een speciaal verzorgingstehuis nu onvermijdelijk was. En minder dan een week geleden ontvingen we een kort maar ontroerend e-mailbericht. Robin’s eigen gezondheidstoestand was plotseling dramatisch verslechterd, en hij had zichzelf in een hospice laten opnemen. Hij vroeg ons voor hem te bidden, en de Heer te vragen dat zijn einde snel en pijnloos zou zijn. Een paar dagen later bereikte ons het nieuws dat God die laatste wens had vervuld.

Wij zullen ons Robin herinneren als de unieke persoon die hij was – met zijn geloof en met zijn twijfels, en met de persoonlijke worstelingen die hij doormaakte. We hebben hem leren kennen als een warm mens, die liefde en gastvrijheid beoefende op een manier die je zelden tegenkomt. Ik betreur het dat de deur van zijn kerk niet altijd wijd genoeg was om zich echt welkom te kunnen voelen. Maar ik ben er zeker van dat de deur van het koninkrijk wijd open zal zwaaien voor Robin!