Kerk en staat

 

Enkele dagen geleden doken een aantal interessante foto’s op van een groep evangelikale leiders die met  (en voor) President Trump baden, terwijl ze hun handen op hem legden. Ik vind het nogal vreemd dat zoiets kon gebeuren in de officiële werkruimte van de Amerikaanse president. En ik vind het nog vreemder dat zoveel evangelikalen daarover zo enthousiast waren. Hoewel de waardering voor de president tot ongekende laagte is gedaald, zien veel evangelikalen merkwaardig genoeg hun president nog steeds als een man met grote morele kracht. Ik las ergens op Facebook (van wie de oorspronkelijke post was weet ik niet) dat degenen die enkele jaren geleden beweerden dat Obama een Moslim is nu geloven dat Trump een Christen is! Maar, aan de andere kant, is het ook heel duidelijke dat veel Amerikanen uiterst kritisch zijn over de innige verstandhouding tussen de evangelikalen en de Trump-regering en zich er zorgen over maken dat de traditie van scheiding tussen kerk en staat behoorlijk op de tocht staat.

Ik heb nooit geloofd in een absolute scheiding tussen kerk en staat. Ooit had de Nederlands Hervormde Kerk in mijn geboorteland een heel bijzondere status, waaraan een reeks voordelen verbonden waren. Dat is echter verleden tijd en ook de banden die er eeuwenlang bestonden tussen de Oranjes en de Hervormde Kerk  bestaan niet langer. Er was maar weinig kritiek toen Maxima (onze huidige koningin) ging trouwen met Willem Alexander (onze tegenwoordige koning). En in onze multiculturele en multireligieuze samenleving vindt men een bede om Gods hulp aan het einde van de jaarlijkse Troonrede niet langer gepast.

Ik kan me wel vinden in die veranderingen die de scheiding tussen kerk en staat benadrukken. Aan de andere kant zie ik  geen problemen om, bijvoorbeeld, geld van de overheid aan te nemen voor de bekostiging van bijzondere scholen (op religieuze grondslag), als aan bepaalde strikte voorwaarden wordt voldaan. Waarom zouden de ouders van kinderen op openbare scholen profiteren van de belastingen die we allemaal betalen en zouden de ouders van kinderen op bijzondere scholen dat profijt niet hebben (zoals nu in de VS het geval is)? En waarom zouden door kerken gestichte charitatieve instellingen en NGO’s niet voor dezelfde subsidies in aanmerking komen (uiteraard onder duidelijke voorwaarden) als andere instellingen die dezelfde doelen nastreven? Zolang er heel duidelijke regels zijn lijkt het mij (en dat is ook de opvatting van de meeste Europese christenen, met inbegrip van adventisten) dat kerk en staat op sommige terreinen vruchtbaar kunnen samenwerken.

Maar dan kijk ik naar de VS . . .  Ik heb nooit goed begrepen wat de scheiding van kerk en staat in Amerika nu precies betekent. Als Europeaan kijk ik er altijd vreemd tegenaan als ik de Amerikaanse vlag vooraan in de kerk op een prominente plaats zie. En ik verbaas mij erover dat vrijwel elke redevoering van een politicus eindigt met de woorden: God bless America! En waarom kwam in de afgelopen decennia Billy Graham steevast naar het Oval Office op momenten dat de president een beslissing moest nemen over oorlog en vrede? En wat te denken van de presidentiële ‘prayer breakfasts’? Dit is allemaal al lastig genoeg om te begrijpen, maar Trumps onbeschaamde vrijage met evangelikale leiders maakt het plaatje nog veel gecompliceerder.

In blogs en posts op Facebook lees ik hoe sommige van mijn adventistische geloofsgenoten deze vermenging van geloof en politiek zien als een duidelijk teken van het einde. Zij zijn van mening da allerlei religieuze leiders de politiek zo zullen weten te beïnvloeden dat uiteindelijk de ‘echte’ volgelingen van Christus daarvan de wrange nadelen zullen ervaren. En ze wijzen vooral ook naar uitspraken van paus Franciscus over wereldomvattende maatregelen en structuren die nodig zijn om de fundamentele menselijke waarden te beschermen. Het is zeker belangrijk om alert te blijven, maar we hebben in het verleden al heel vaak gezien hoe gevaarlijk het is om overhaaste voorspellingen te doen omdat dingen toch vaak heel anders uitpakken dan verwacht.  Voorlopig maak ik me veel meer zorgen over de evangelikalen die Trump steunen dan om de uitspraken van de paus. Ik ben het op veel punten met de paus oneens, maar zijn morele kompas lijkt veel beter te functioneren dan dat van de evangelikale leiders die Trump bewieroken als een ‘wedergeboren christen.’

 

Moeilijke gesprekken

Dit is een greep uit zomaar een paar gesprekken in de afgelopen weken die op een bepaalde manier ‘moeilijk’ waren.

(1) Ik ontmoette iemand die ik heel lange tijd niet had gezien of gesproken. Hij is een regelmatige blog-lezer en reageerde een aantal malen op wat ik schreef. We spraken af elkaar eens te ontmoeten en samen een wandeling te maken. Het werd een leuke dag. Mijn bezoeker herinnerde mij eraan dat ik hem ooit, zo’n kleine vijftig jaar geleden, had gedoopt. Nu geloofde hij niet meer en noemde hij zichzelf atheïst. Hij had het goed doordacht en kon me haarscherp uitleggen waarom hij zijn geloof was kwijtgeraakt. Een God die niet beter op de door hem geschapen winkel past is geen God die onze aanbidding waard is.

(2) Een paar dagen geleden zat ik tijdens een verjaardagsfeestje te praten met twee mannen. Een van hen vertelde over zijn geloof. De ander luisterde beleefd maar gaf duidelijk aan dat voor hem het geloof totaal had afgedaan. En waarom dan? werd hem gevraagd. Zijn antwoord ging over de Jan Siebelink-achtige toestanden à la ‘Knielen op een Bed Violen’ die hij in zijn kinderjaren had meegemaakt. Hij was naar de kerk geslagen, totdat hij zich eindelijk kon bevrijden van het soort negatieve godsdienst dat bestond uit dwang en veroordeling.

(3) Ik luisterde naar een gesprek tijdens een onlangs uitgezonden zondagmorgenprogramma ‘De Wandeling”. De presentator van het programma was in gesprek met de vader van een meervoudig lichamelijk en geestelijk gehandicapt kind. Het woord ‘geloof’ kwam niet ter sprake, maar menige gelovige kijker zal, net als ik, met veel vragen naar het gesprek hebben geluisterd. Waarom moeten mensen zoiets meemaken?

(4) Een paar dagen geleden bezocht ik een vriend die aan Altzheimer lijdt. Ja, dacht ik, dat kan mij ook op een gegeven moment overkomen. Mijn vriend heeft het er moeilijk mee, maar hij wijst niet met een beschuldigende vinger naar God.  Ik zou het kunnen begrijpen als hij dat wel zou doen.

(5) Onlangs hadden we bezoek van iemand die wij in de VS hadden leren kennen. Zij was een paar dagen in Nederland en logeerde bij ons. Naast toeristische activiteiten waren er indringende gesprekken. Haar man kwam een paar jaar geleden bij een auto-ongeluk om het leven.  Zij had daarna een nieuwe partner gevonden, maar ook die was zij vorig jaar–door een hartaanval–kwijtgeraakt. Eén thema overheerste de gesprekken: Is er echt iets na dit leven? Zij is een gelovigen vrouw, maar zij blijft zich afvragen of het echt waar is dat de dood niet het einde is.

(6) Deze week ging ik bij iemand op bezoek die aan ALS lijdt en in een verpleeghuis woont. Veel Nederlandse bloglezers zullen weten wie ik bedoel. Hij gaat op bewonderenswaardige wijze met zijn ziekte, die zijn verraderlijke, slopende werk blijft doen, om. Maar hij moet nu leven tussen vaak dementerende bejaarden, gescheiden van zijn vrouw en gezin, zonder uitzicht op genezing.

(7) En dan, ten slotte, een heel ander gesprek. Het was onlangs na een kerkdienst tijdens het koffiedrinken. Twee jonge mannen kwamen naar me toe. Ze namen me onder handen vanwege het feit dat ik koffie zat te drinken. Trok ik mij dan niets aan van de gezondheidsboodschap? Wist ik niet wat ‘de geest der profetie’ over koffie had gezegd? Ik moest als predikant toch beter weten en een voorbeeld geven . . .

Dit is zomaar een greep uit recente gesprekken.  Dat ik zulke gesprekken heb is niet uniek en vele anderen zullen soortgelijke rijtjes kunnen maken van ‘moeilijke’ gesprekken.  Wat kun je zeggen in dit soort situaties. Je wordt aangesproken op je geloof. Maar in de meeste gevallen weet je niet veel te zeggen. De standaard-antwoorden klinken al gauw hol en gevoelloos. “God heeft er wel een bedoeling mee.”  “Ja, we lijden nu, maar alles komt uiteindelijk goed.”  ‘”je moet toch, ondanks alles, op God blijven vertrouwen.”  Enzovoort. Bij mij blijven dat soort antwoorden al snel achter in mijn keel steken. Ik zit vaak met de mond vol tanden, en probeer dan toch nog maar iets te zeggen dat meer is dan een vrome gemeenplaats. Of, ik zeg maar helemaal niets, omdat ik het ook niet weet.

Het enige antwoord dat ik kan geven is dat ik, ondanks al die vragen en onzekerheden, toch aan mijn geloof in God wil vasthouden. Maar dat geloof is, dat moet ik toegeven, niet iets dat ik met sluitende argumenten kan onderbouwen. Ik wil die geloofszekerheid niet kwijtraken. Het doet mij goed en inspireert mij als ik zie hoe anderen die geloofszekerheid ook, ondanks hun enorme problemen, niet kwijtraken. Maar ik snap ook dat het sommigen niet lukt om dat geloof vast te houden.

Vooral bij het soort gesprekken dat ik als laatste (nummer 7) vermeldde, valt het mij moeilijk om een goed antwoord te geven. Want als het om dat soort dingen gaat, sla ik dicht. Dit heeft niets te maken met mijn geloof. Het bederft mijn dag als ik over dit soort dingen word doorgezaagd. En ik kan goed begrijpen dat veel mensen hierop afknappen. En een ding is zeker: Dat soort geloof helpt je niet om de echte levensvragen aan te kunnen.

Difficult Conversations

Below is a sample of the conversations I had (or listened to) in very recent times and which I experienced, in various ways, as ‘difficult’.

(1) I met someone I had not seen or talked with for a very long time. He is a regular reader of this blog and has reacted a number of times to some of the posts. He contacted me and we agreed to meet and to take a long walk together. It was an enjoyable day. My visitor reminded me that I had actually baptized him almost fifty years ago. But he had lost his faith and now referred to himself as an atheist. He had given this careful thought and had very solid arguments why he could no longer believe in God.  He was adamant that a God, who does not do a better job of caring for what he allegedly made, is not worthy of our adoration.

(2) A few days ago I was at a birthday party and spent most of the evening talking to two men. One was very open about his faith. The other listened politely, but left us in no doubt that he wanted to have nothing to do with faith and church. And why was this? he was asked. He told us about his experiences, growing up in an extremely conservative home, and about his father who had forced him and his siblings to go to church. He attended church twice every Sunday, until he was able to free himself from this kind of negative religion that was very judgmental and even violent.

(3) Last Sunday I listened to a conversation during an early Sunday morning television program. The host of the program interviewed the father of a teenage child with multiple physical and mental handicaps. The word ‘ faith’ was not used, but many a believer, no doubt, watched it with the same kind of questions that I had. Why do people have to go through such misery?

(4) A few days ago I visited a friend who suffers from Altzheimer. I could not help thinking that this might also, some day, happen to me. My friend has difficulty coming to terms with his situation, but he does not point an accusing finger to God. I could have understood if he argued with God about his fate.

(5) A week or so ago someone, who we have met a few years ago in the USA, visited the Netherlands and stayed with us for a few days. Besides the touristic activities we had some very intense conversations. Her husband had died a few years ago at age 60 in a car accident. She had found a new partner, but he died last year from a massive heart attack. One theme dominated our discussions: Is there really something after death? She has her faith and is a loyal church member, but she keeps wrestling with the question whether it is really true that death is not the end.

(6) This week I visited someone who suffers from ALS. He lives is a care home. Many of my Dutch blog readers will recognize whom I am referring to.  He is able to deal in an amazingly positive way with this disease that relentlessly follows its treacherous and destructive course. The bottom line is that he must live between often dementing elderly people, separated most of the time from his wife and family–with virtually no hope of recovery.

(7) And, finally, a total different conversation. It took place after last week’s Sabbath morning divine service, in which I preached. After the service I sat with a group of church members in one of the rooms for our traditional coffee. Two young men came to me and forcefully reprimanded me for the fact that I was drinking coffee. How come I did not pay any attention to our health message? Did I not know what the “spirit of prophecy” says about drinking coffee? As a pastor I should know better and be an example . . . They kept at it for at least ten minutes.

This is just a brief selection of some of the talks I recently had with various persons. I do not in any way claim that having such discussions is unique and many others could make similar lists of the somewhat difficult conversations they were part of. But what can one say in situations as I described above? The standard-replies usually sound hollow and insensitive. “God must have his reasons why . . .” ‘Yes, we must suffer, but in the end all will be well . . .”  “In spite of everything, we must keep our trust in God.”  And so on. I must admit that I cannot get that kind of answers over my lips. Often, I am at a loss for words, as I try to say something that is more than a series of pious platitudes. Or, I simply remain quiet, since I do not have any good answer.

The only thing I can say is that I want to hold on to my faith in God, in spite of all my questions and uncertainties. I must, however, admit that my faith is something for which I have no solid rational basis. But I do not want to lose this existential certainty of faith. It does me a lot of good and it inspires me when I meet others who, in all their problems and sufferings, are able to hang on to their faith. On the other hand, I can also empathize with those who see their faith gruadually evaporate.

I find it especially difficult to respond in  situations such as I mentioned last (Number 7). In such discussions (or “attacks” might be a more suitable word), I tend to become literally speechless. This kind of religion, to me, has nothing to do with Christian faith. It really ruins my day when people want to confront me with this kind of thing. And I can only have sympathy with those who lose all interest in the church when this is the sort of thing that some people feel they must always talk about. It has nothing to do with the faith that we need to deal with the real questions of life.

 

 

Een goede week

 

De afgelopen week was een goede week. We hadden bezoek van een vriendin uit Loma Linda en dat betekende een paar leuke toeristische activiteiten (o.a. het Van Gogh Museum in Amsterdam), lekker eten en vooral goede gesprekken.

In de loop van deze week kon ik ook de Engelse vertaling van mijn laatste boek met dagelijkse overdenkingen (366 Ontmoetingen met God en Mensen zoals wij) toesturen aan Stanborough Press in Engeland. Onze Engelse uitgeverij heeft laten weten het boek te willen uitgeven.  Het was in de afgelopen maanden een flinke klus om het boek naar het Engels te vertalen. Ook mijn vrouw Aafje heeft er heel wat uurtjes ingestoken om mijn tekst te zuiveren van nogal wat spel- en typefouten. Zij heeft, wat dat betreft, een scherper oog dan ik.

Van mijn boek GAAN of BLIJVEN verscheen enige tijd geleden een Russische vertaling, die verspreid wordt via Amazon.com. Deze uitgave is vooral bedoeld voor Russisch-sprekenden in de ‘diaspora’–d.w.z. degenen die buiten Rusland wonen. Voor mensen in Rusland zelf en landen zoals Oekraïne en Wit-Rusland is die editie lastig te krijgen en te duur. Daarom is er nu een goedkopere versie via een Russische website te krijgen.  (http://www.ozon.ru/context=search&text=%c2%d1%d2%d0%c5%d7%c0%df+%d1%ce%cc%cd%c5%cd%c8%df&store=1,0).

Er is nu ook daadwerkelijk een begin gemaakt met de Spaanse vertaling van GAAN of BLIJVEN.  Allemaal goed nieuws dus.

Tussen de andere activiteiten door heb ik de afgelopen twee weken ook een  begin gemaakt met het schrijven van een nieuw boek. De eerste 24.000 woorden van een eerste versie zijn geschreven. Veel lees- en denkwerk was al in de afgelopen maanden gebeurd. Ik schrijf dit boek in het Engels. Of een Nederlandse editie zal volgen weet ik nog niet. Het thema is Last Generation Theology. Deze theologische opvatting krijgt de laatste tijd binnen de Adventkerk steeds meer invloed. Ik (en met mij vele anderen) denken dat het om een theorie gaat die op een heel selectieve keuze van een aantal Bijbelteksten en (vooral) uitspraken van Ellen White gebaseerd is en die een flink aantal gevaren in zich heeft.

De mensen die deze LGT ondersteunen geloven dat er vlak voor het einde van de geschiedenis een groep mensen zal zijn die alle zonden heeft overwonnen. Pas als dat een feit is zal Christus kunnen terugkomen naar onze aarde.  Een belangrijk punt hierbij is dat men ervan uitgaan dat Jezus bij zijn vleeswording dezelfde menselijke natuur aannam als Adam had na de zondeval.  De argumentatie is dan: Als Jezus zondeloos kon zijn terwijl hij dezelfde zondige neigingen had als wij, dan moet dat ook voor ons mensen mogelijk zijn volmaakt te worden. Ik ga proberen in redelijk eenvoudige taal duidelijk te maken dat deze zienswijze op een aantal ernstige foutieve vooronderstellingen berust en uit te leggen waarom het hierbij om heel belangrijke zaken gaat.

Het zal nog wel een paar maanden duren voordat het manuscript klaar is, want er zijn de komende maanden nog wel wat andere dingen die aandacht vragen, onder meer voorbereidingen voor lezingen in diverse plekken in Europa en de VS later dit jaar. En gelukkig is er ook nog zoiets als vakantie!

Al met al dus een heel goede week!

 

Macht en/of invloed

 

Mensen met macht hebben doorgaans ook veel invloed. Dat geldt zowel in de maatschappij als in de kerk. Leidinggevenden hebben een bepaalde vorm en mate van macht over de organisatie waarvan zijn deel uitmaken en over andere mensen in die organisatie. Politici hebben dikwijls macht die zich heel ver uitstrekt.  En daarbij hebben zij dus invloed, zowel wat betreft het heden als de toekomst, omdat hun besluiten vaak langdurige gevolgen hebben en dingen soms onomkeerbaar veranderen.

Kerkelijke leiders hebben ook macht. Doordat mensen in bepaalde functies zijn benoemd kunnen zij initiatieven nemen, of die juist tegenhouden. Zij kunnen vaak andere mensen bevorderen of zo’n bevordering blokkeren. Zij kunnen een belangrijke rol spelen bij veranderingsprocessen en bij het sturen van de denkrichting van de kerk. Daarbij hebben zij dus grote invloed, vooral als zij ook charismatische eigenschappen bezitten en mensen kunnen enthousiasmeren en inspireren.

In democratische landen en organisaties is macht aan beperkingen gebonden en moet die gewoonlijk worden gedeeld. Er zijn ook mechanismen om de beslissingen van leiders te toetsen en om leiders eventueel weer te verwijderen. In niet-democratische landen kunnen leiders tot op zekere hoogte hun wil aan iedereen opleggen.

In een wereldwijde kerk zoals die van de zevendedags adventisten, hebben leiders ook macht en invloed. Maar hoeveel macht zij hebben verschilt van land tot land. In de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, heeft een voorzitter van de kerk in een bepaald gebied veel meer macht (en daarmee vaak meer invloed) dan een kerkelijke voorzitter heeft in een Europees land. De kerk volgt nu eenmaal in sterk mate het bestuursmodel dat in een land gangbaar is.

Maar er zijn ook heel veel mensen die geen macht meer hebben, maar wel invloed. Vaak hebben oud-politici en mensen die door hun arbeidsverleden een heel uitgebreid sociaal netwerk hebben opgebouwd nog heel veel invloed. Ook academici, schrijvers en kunstenaars en belangrijke personen in de mediawereld mogen dan weliswaar geen politieke of bestuurlijke macht hebben, maar ze hebben wel invloed en vaak kunnen ze die laten gelden op zo’n manier dat degenen die de macht hebben daarmee wel rekening moeten houden.

Ook in een kerk zijn er tal van mensen zonder macht maar met veel invloed. Ik denk daarbij aan voormalige bestuurders, maar ook aan mensen die door allerlei oorzaken uitgebreide, vaak internationale, netwerken, hebben opgebouwd. Ik denk ook aan theologen en andere academici, aan predikanten die grote bekendheid hebben gekregen en aan mannen en vrouwen die blogs of boeken schrijven, in allerlei forum van zich laten horen en langs de zijlijn van het kerkelijk bedrijf kunnen lobbyen.

Meer dan ooit is het nu voor de Adventkerk nodig dat de mensen die weliswaar geen macht (meer),maar nog wel invloed hebben, van zich laten horen.  Momenteel zijn er leiders (vooral in de hogere bestuurslagen) die hun macht willen gebruiken om uniformiteit in denken en in regelgeving ten koste van alles af te dwingen. Dat kan catastrofale gevolgen hebben. Het is belangrijk dat al degenen die geen formele macht maar wel invloed hebben en hun bedenkingen hebben bij allerlei processen die zich in de kerk afspelen, hun invloed bewust en gecoördineerd gebruiken om degenen die aan de bestuurlijke touwtjes trekken ertoe te brengen met grotere tolerantie en meer begrip voor andere meningen te opereren.

In de komende herfst zal het bestuur van de wereldkerk zich opnieuw buigen over de vraag wat er moet gebeuren met die organisatorische delen van de kerk waar men zich door zijn geweten gedwongen voelt geen enkel onderscheid in de kerkelijke ambten te maken tussen vrouwen en mannen. Ik hoop vurig dat mensen met invloed, die op alle mogelijke manieren zullen inzetten, zodat de kerk tot een voor allen aanvaardbare oplossing kan komen.

[Ik heb geen macht maar het kleine beetje invloed dat ik nog heb in de kerk zal ik blijven gebruiken. Ik hoop vurig dat degenen die veel meer invloed hebben dan ik die de komende maanden zo intensief en strategisch mogelijk zullen inzetten.]