Ook andere levens zijn belangrijk

Op 16 mei,  om zeven minuten over half acht in de avond, werd Donnie Edward Johnsson ter door gebracht door middel van een injectie in de Riverbend-gevangenis voor zware misdadigers in de Amerikaanse staat Tennessee. Hij had in 1984 zijn vrouw op brute wijze vermoord. Johnson was christen geworden en had zich,  terwijl hij gevangen zat, aangesloten bij de zevendedags adventisten. Hij was actief in het delen van zijn geloof, gaf geestelijke steun aan een groot aantal van zijn medegevangenen en was door de Adventkerk in Nashville ingezegend tot ouderling. In zijn laatste ogenblikken bad hij een lang gebed waarin hij God om vergeving vroeg en daarna zong hij een tweetal liederen. Hij vroeg of zijn laatste maaltijd aan een dakloze kon worden gegeven!

Een groot aantal adventisten in de VS en elders hebben gebeden dat de gouverneur, Bill Lee, de executie zou afblazen. Ds. Ted N.C. Wilson, de voorzitter van de adventistische wereldkerk, en ds. Daniel R. Jackson, de voorzitter van de Adventkerk in Noord-Amerika, zonden een dringend verzoek tot clementie aan de gouverneur. Lee verklaarde dat hij in gebed deze verzoeken had overwogen, maar had besloten dat het recht zijn loop moest hebben.

Ik ben altijd een fervent tegenstander geweest van de doodstraf en het blijft me verbazen dat er nog zoveel christenen zijn (waaronder veel adventisten) die deze brute strafmethode steunen. Ik weet natuurlijk wel dat in bijbelse tijden de doodstraf veel werd gebruikt en dat God zelf ook vaak opdracht gaf om mensen op die manier te straffen. Maar we leven niet langer in deze oude tijden, toen er nog geen rechtssysteem was, met gevangenissen waarin mensen langdurig konden worden ondergebracht. Als een nieuwtestamentisch christen ben ik een tegenstander van deze inhumane vorm van straffen, die volgens mij ook tegen de geest van het evangelie indruist. Natuurlijk moeten misdadigers worden gestraft, maar het gaat niet om wraakneming—zoals helaas veel mensen toch nog denken. Het uiteindelijke doel moet zijn om iemand na verloop van tijd weer terug te kunnen brengen in de maatschappij als een beter mens.

Inmiddels is het bijna twintig jaar geleden dat ik een boekje schreef over een aantal ethische zaken. Het heette: Matters of Life and Death en werd in het jaar  2000 uitgegeven door de adventistische uitgeverij Pacific Press . Het bevatte o.a. een hoofdstuk over de doodstraf en daarin noemde ik een aantal redenen waarom ik tegen de doodstraf was (en ben), vooral zoals die in een aantal staten in de VS wordt toegepast. Er is absoluut geen bewijs dat er een afschrikwekkende werking van uitgaat en dat het aantal misdaden daardoor afneemt. En er zijn in het verleden ook veel fouten gemaakt bij de rechtspraak waardoor onschuldige mensen ter dood werden gebracht. Een groot probleem met de doodstraf in de VS is ook dat zwarte misdadigers een veel grote kans hebben om op de elektrische stoel te belanden of een dodelijke injectie te krijgen dan blanken die zich aan hetzelfde misdrijf hebben schuldig gemaakt. Daarbij komt dat het Amerikaanse rechtssysteem heel wreed kan zijn. Hoe is het mogelijk dat een man als Johnson meer dan dertig jaar op zijn vonnis wacht? Waarom zou je zo iemand, die inmiddels heel duidelijk heeft laten zien dat hij niet langer een gevaarlijke moordenaar is, nog ter dood brengen? Welk doel is daarmee gediend?

Mijn boek ging destijds ook over abortus, euthanasie, genetische modificaties, en andere thema’s die met leven en dood te maken hebben. In het algemeen kreeg het boek goede recensies. Ik wist natuurlijk wel dat mijn visie op deze onderwerpen niet door alle lezers zou worden gedeeld. Maar het verbaasde mij dat ik de meeste kritische reacties kreeg van medegelovigen (vooral uit de VS) die vurige voorstanders waren van de doodstraf. Ik heb er nog steeds veel moeite mee om dat te begrijpen.

Ik was blij dat enkele van onze kerkelijke leiders probeerden om de executie van Donnie Johnson tegen te houden. Maar ik zou het nog fijner hebben gevonden als onze kerkelijke leiding zich resoluut tegen de instelling van de doodstraf als zodanig zou keren—en niet één keer maar steeds weer. Waarom zouden we alleen protesteren als het gaat om het leven van een adventist? Ook andere levens zijn belangrijk!

Jan Mulder wil eeuwig leven

Voetbal interesseert me heel erg weinig en ik heb geen speciale band met een of andere voetbalclub. Ik heb natuurlijk wel zo en passant meegekregen dat Ajax een succesvol seizoen beleeft. Maar dat is het wel zo ongeveer wat mijn belangstelling voor het voetbal betreft. Johan Cruyff kon altijd wel op mijn sympathie rekenen en dat geldt ook voor Jan Mulder. Als ik zijn gezicht op de tv zie verschijnen ben ik wel altijd eventjes nieuwsgierig naar wat hij te melden heeft.

Mulder is inmiddels midden-zeventig. Na een briljante carriėre als voetballer (met name bij de Belgische club Anderlecht en het Nederlandse Ajax), werd hij vooral bekend als columnist en als de auteur van meer dan twintig boeken. Maar hij is al jarenlang ook een bekende verschijning op de televisie. En nu presenteert hij een reeks van zes programma’s bij omroep MAX met de titel: Jan Mulder wil eeuwig leven.

Uit de paar afleveringen van het programma’s die inmiddels zijn geweest is duidelijk dat Jan Mulder  graag nog heel lang wil leven.  Hij wil niet doodgaan en hij gaat een aantal weken lang op de buis op zoek naar de mogelijkheid om eeuwig te kunnen blijven leven. Ik ben benieuwd of in latere afleveringen ook de religieuze invalshoek aan de orde zal komen. Ik keek met veel interesse naar het interview dat Mulder in Engeland had met Dr. Ian Pearson, een futuroloog die voorspelt dat zo rond het jaar 2050 eeuwig leven binnen ons bereik ligt. Maar daar moet dan wel een kanttekening bij worden gemaakt, want het is niet het soort eeuwig leven waarvan ik direct heel enthousiast word. De Engelse toekomst-voorspellende professor gaat ervan uit dat de technologie in binnen enkele tientallen jaren in staat zal stellen om ons brein te koppelen aan de digitale wereld en dat we op die manier ‘in de cloud’ kunnen blijven leven als ons fysieke lichaam het heeft laten afweten. Ons digital ‘ik’ zou dan een robot kunnen uitkiezen waarmee we ons in deze wereld kunnen blijven manifesteren. Het was duidelijk dat ook Jan Mulder nog niet meteen dit toekomstbeeld in zijn hart sloot.

Ik heb geen idee welke toekomstige technologische vondsten aan veel dingen in ons leven een andere wending zullen geven. De technologische ontwikkelingen kunnen onze levensverwachting nog wat verder oprekken en we staan misschien nog maar aan het begin van het vervangen van falende lichaamsdelen met steeds kleinere apparaatjes, motortjes en zendertjes, enz. Maar er een grens aan wat wij kunnen. Als gelovige denk ik dat leven scheppen of volmaakt eeuwig leven bieden voorbij die grens is. Voor eeuwig leven moet Jan Mulder niet bij professor Pearson zijn maar bij zijn Schepper.

Intussen snap ik wel de gretigheid waarmee Mulder aan het leven wil vasthouden en zijn verlangen om de dood op de heel lange baan te schuiven. De vraag of eeuwig leven inderdaad een realiteit kan zijn heeft mij de laatste jaren ook tamelijk intens beziggehouden. Het heeft mij onlangs geïnspireerd om er een boek over te schrijven. Ik heb antwoorden gezocht op mijn vragen door de Bijbel als basis te nemen. Ik heb geen antwoord gevonden op al mijn vragen maar heb toch het boek vol overtuiging de titel kunnen meegeven: Ik heb een toekomst! Het verschijnt later dit jaar in het Engels onder de titel : I Have a Future. Ik ben nu ook begonnen aan een Nederlandse editie van dit boek. Als het verschenen is zal ik Jan Mulder een exemplaar toesturen. Als ik het adresseer aan Jan Mulder te Belliingwolde zal het ongetwijfeld bij hem aankomen. Ik neem aan dat de postbode hem in dit Groningse dorp waar hij werd geboren en nu woont wel zal weten te vinden.

Kleine signalen van hoop

Ik probeer zo goed mogelijk te volgen wat er zoal op het Nederlands religieus en kerkelijk erf gebeurt.  Deze week vielen mij drie dingen vooral op. In de eerste plaats was er het bericht dat gemeenten van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk en de Nederlands Gereformeerde Kerk, respectievelijk ontstaan in 1944 en 1967, in het dorpje Langerak op korte termijn zullen fuseren. Voor de meeste Nederlanders is het verschil tussen de verschillende soorten gereformeerden nogal schimmig en ik heb er vaak ook moeite mee om mij te herinneren wat nu precies de verschillen zijn. Gelukkig ontdekt men hier en daar dat verschillen overbrugbaar zijn, omdat vaak veel meer samenbindt dan verdeelt, en dat men over de schaduwen van het eigen verleden kan heenstappen.

Het tweede wat mij opviel was dat in Voorhuizen een doop door onderdompeling had plaatsgevonden van enkele rooms-katholieke vrouwen. Zij behoren tot de charismatische stroming in de Rooms-Katholieke Kerk en hadden er behoefte aan hun band met Christus op deze bijbelse manier te bevestigen. Daarmee zetten zij hun lidmaatschap met hun kerk niet op het spel, ook al werd van officiële zijde benadrukt dat deze onderdompeling weliswaar een mooi symbool is maar natuurlijk niet als de echte doop moet worden gezien.  Maar toch . . . er is kennelijk voldoende ruimte om een gebeurtenis als deze te tolereren.

Maar een andere gebeurtenis tijdens deze week was vooral indrukwekkend. Na vierhonderd jaar besloot de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) dat de opstelling jegens de Remonstrantse Kerk fout was geweest en dat de tegenstellingen destijds niet zo hadden moeten escaleren als het geval was. In de zeventiende eeuw woedde in de protestantse kerk in Nederland een felle strijd tussen twee opvattingen over de weg naar eeuwig behoud. De traditionele Calvinistische opvatting dat God van alle eeuwigheid had besloten wie er behouden zouden worden en wie er verloren zouden gaan (de predestinatieleer) werd fel bestreden door de aanhangers van de Leidse hoogleraar Arminius, die uit de Bijbel meende te mogen opmaken dat iedereen een vrije wil heeft en voor of tegen God kan kiezen. Toen de landelijke politiek (met name via Stadhouder Maurits en Raadspensionaris Johan van Oldebarneveld) zich ermee ging bemoeien sloeg de vlam helemaal in de pan. De befaamde Dordtse Synode veroordeelde de Arminianen en dat leidde er uiteindelijk toe dat er een nieuwe kerk ontstond die tot op de dag van vandaag bestaat: De Remonstrantse Broederschap.

De kerkelijke ontwikkelingen hebben echter niet stilgestaan. Bij veel Calvinistische Protestanten in Nederland leeft de oorspronkelijke predestinatieleer nog nauwelijks. Wat de Remonstranten betreft: zij zijn geleidelijk steeds verder naar de vrijzinnige kant opgeschoven. Voor veel leden is het aantrekkelijk dat zij zelf hun eigen geloofsbelijdenis mogen schrijven!

Zevendedags Adventisten geloven in de vrije wil van de mens en zijn dus Arminianen. Opmerkelijk is trouwens dat protestants Amerika—dat voor een groot deel Calvinistische wortels heeft, in het algemeen terughoudend was in het omarmen van predestinatie. Die leer paste niet bij de Amerikaanse ‘doe’-cultuur, waarbij ieder mens voor alles in zijn leven zelf de verantwoordelijkheid draagt.

Wat neem ik mee uit deze drie berichten uit de Nederlandse kerkelijke pers van deze week? Zij hebben iets gemeenschappelijks, namelijk dat er ruimte wordt geboden aan diversiteit Het blijkt soms mogelijk te zijn om terug te komen op eerder ingenomen standpunten en ruimte te bieden voor gedachten en praktijken die een ander dan het traditionele geluid laten horen. Dat stemt me optimistisch.  Er is veel mensenwerk in de kerk, maar af en toe wordt desondanks de werking van de Geest zichtbaar en voelbaar. Dat geeft hoop als je maar al te vaak aanloopt tegen schijnbaar onwrikbare standpunten.

Vrijheid van godsdienst

Vorige week vrijdagmiddag was ik in het gebouw van het Hoge commisariaat van de Mensenrechten van de Verenigde Naties in Genėve. Samen met de andere deelnemers aan het theologencongres dat vlak over de grens in Frankrijk, in Collonges-sous-Salėve, werd gehouden, nam ik deel aan een excursie naar het hoofdkwartier van dit onderdeel van de VN dat in Genève in het Palais Wilson is gevestigd. Het werd een boeiende middag. Eerst was er een uitleg van de werkwijze van de afdeling die toezicht houdt op de uitvoering van het door ongeveer 170 landen ondertekende Verdrag tegen Marteling en daarna werden we in een andere zaal voorgelicht over het Faith for Rights initiatief van de VN, waarin de rol van geloofsgemeenschappen in de strijd voor handhaving van de mensenrechten wordt onderstreept. Maar dit was niet de enige keer dat ik in de afgelopen week met mijn neus op het belang van de Universele Rechten van de Mens werd gedrukt.

Strijd voor de rechten van de mens blijft ook in 2019 een grote prioriteit. Het is een voorrecht om in een land te leven waar het met de mensenrechten tamelijk goed gesteld is. In Nederland kun je vrij vergaderen; er is vrijheid van meningsuiting, vrijheid om te demonstreren—om zo maar een paar van de mensenrechten te noemen. En Nederlanders leven ook in een land met vrijheid van godsdienst. Maar soms zijn er situaties waarin die vrijheden niet onbeperkt kunnen worden toegestaan. Naar het oordeel van de overheid was er zo’n situatie vanwege het plan van de Amerikaanse dominee Steven Andersen om op 23 mei in Amsterdam te komen spreken. Wat was er zo bijzonder aan de komst van deze dominee? Dat iemand er merkwaardige ideeën op nahoudt, of in de ogen van de meerderheid een bizar geloof predikt, is op zich geen reden om mensen te weren. Mensen die denken dat de wereld niet rond is (de leden van de ‘flat earth society’) mogen naar hartenlust hun theorieën verkondigen en aan wicca’s en satanisten wordt geen haarbreed in de weg gelegd, zolang zij de openbare orde maar niet schenden. Maar ds. Andersen staat erom bekend dat hij de holocaust ontkent. Hoe iemand kan beweren dat de holocaust nooit heeft plaatsgevonden is mij een raadsel, maar het gevaarlijke aan het ontkennen daarvan is dat het past in een anti-semitisch kader. In het licht van de geschiedenis is het terecht dat de overheid ervoor zorgt dat iemand die, direct of indirect, aanzet tot jodenhaat in ons land geen platform krijgt.  Ds. Andersen is ook van mening dat mensen met een niet-heteroseksuele geaardheid door de overheid ter dood zouden moeten worden gebracht. Deze dominee mag geloven dat homo’s niet in de hemel kunnen komen, maar hij mag niet aanzetten tot homo-haat! Ook al is het zaak dat de overheid niet al te gemakkelijk mensen met een afwijkende mening de mond snoert, we kunnen alleen maar positief zijn ten aanzien van de maatregel om Andersen buiten de deur te houden. De rechten van de bevolking in het algemeen kregen terecht meer gewicht dan het recht op vrije meningsuiting van deze dominee.

Er gebeurde onlangs nog iets opmerkelijke op het terrein van de mensenrechten, toegespitst op de vrijheid van godsdienst. In 1965 was er tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie een opzienbarende koerswijziging in de Rooms-Katholieke Kerk, toen de kerk zich uitsprak voor vrijheid van godsdienst voor iedereen. Het document dat toen werd aangenomen werd recentelijk door de Internationale Theologische Commissie (ITC) van het Vaticaan aangescherpt en op 23 april door paus Francis goedgekeurd. Het document pleit uitdrukkelijk voor volledige godsdienstvrijheid: zowel voor christenen als voor alle anderen. Er kan geen weg terug zijn, wordt in het rapport gesteld, naar een kerk die ooit de vrijheid van geweten bestreed. Natuurlijk zullen er mensen zijn die de Katholieke Kerk in alle opzichten wantrouwen en zullen zeggen dat de wereld met dit soort mooie woorden alleen maar om de tuin wordt geleid. Dat is een onchristelijke houding. Het past andere christenen eerder om dankbaar te zijn voor het feit dat het pad dat een halve eeuw geleden schoorvoetend door de Katholieke Kerk werd betreden geen doodlopende weg is gebleken maar van een nieuw wegdek is voorzien.

 

Onder theologen

Het is woensdagmorgen. Ik zit op Schiphol vlakbij Gate B 36, vanwaar over ruim een uur mijn vlucht vertrekt naar Genève. Ik ben op weg naar het adventistisch instituut voor hoger onderwijs, vlak over de Frans-Zwitserse grens, aan de voet van de karakteristieke Salève—een langgerekte plateauberg die ook wel het ‘balkon van Genève wordt genoemd. Vanavond begint daar het tweejaarlijkse congres van de theologiedocenten van alle Europese adventistische colleges en universiteiten. Eigenlijk hoor ik niet helemaal bij die doelgroep. Ik ben immers al geruime tijd met emeritaat en ik heb nooit ergens fulltime theologie gedoceerd. Maar kennelijk word ik toch nog steeds gerekend tot de groep Adventistische theologen die men voor een dergelijk evenement wil uitnodigen en ik ben zeer erkentelijk jegens de Trans-Europese Divisie dat zij voor die uitnodiging zorgen (en dat ik bij hen mijn kosten mag declareren).

Dit soort congressen zijn buitengewoon nuttig, niet alleen vanwege de vele presentaties die over een bepaald thema worden gehouden, maar vooral ook voor de onderlinge contacten en de mogelijkheid om vrij te kunnen praten over allerlei theologische en kerkelijke kwesties die de adventistische gemoederen bezighouden Het thema voor ons congres van de komende dagen is: Pastoral Ministry and Ecclesial Leadership en het gaat dus over de relatie tussen het werk van de predikant en de leiding van de kerk.  Mijn lezing op vrijdagmorgen heeft als titel: The Freedom and Influence of the Pastor.

Een paar dagen geleden kwamen de theologiedocenten van de universiteiten aan de Westkust van de VS bijeen onder het passende motto ‘Conversations among Colleagues’. Dit zou je ook het sub-motto van ons congres kunnen noemen, want dit bepaalt de sfeer en het belang van onze bijeenkomst. Onze bijeenkomst moet een veilige omgeving zijn, waar open gesprekken mogelijk zijn zonder dat men bang hoeft te zijn dat wat men zegt, al dan niet selectief en zonder context, morgen op de een of andere kritische website staat.

Het werk van een adventistisch theoloog ligt gewoonlijk onder diverse vergrootglazen. Collega’s geven krtitisch commentaar en geven aan in hoeverre ze het eens of oneens zijn met wat een theoloog zegt of schrijft. Dat is prima. De dialoog tussen theologen scherpt de inzichten, inspireert tot verdere verdieping of corrigeert. Deze interactie tussen theologen maakt ook duidelijk dat sommige dingen (nog) niet geheel duidelijk zijn of dat verschillende invalshoeken mogelijk zijn.

Maar het werk van de theologen ligt ook onder het vergrootglas van de kerkelijke leiding. Natuurlijk willen kerkelijke leiders op de hoogte blijven van de theologische ontwikkelingen binnen de kerk. Het is belangrijk dat de leiders zelf ook een theologische vorming hebben, want een kerk leiden is heel wat anders dan een verzekeringsmaatschappij managen. De leiders hebben de verantwoordelijkheid om zo nodig bepaaalde ontwikkelingen te stimuleren, af te remmen of te corrigeren. Maar de leiders moeten daarbij wel steeds beseffen dat de vaktheologen een belangrijke rol spelen in het steeds weer doordenken van wat wij geloven, van wat wij aan anderen willen doorgeven en van hoe wat wij geloven onze kerkelijke praktijk en het leven van de individuele gelovige bepaalt. Om hun werk goed te doen hebben de theologen het vertrouwen van de kerkleiders nodig en ook de ruimte om nieuwe vragen te stellen en oude antwoorden tegen het licht te houden. Op dit punt zou nog wel wat verbetering wenselijk zijn.

Het werk van theologen ligt in zekere zin ook onder het vergrootglas van de leden van de kerk in het algemeen. Maar vaak geven zij dat vergrootglas in handen van mensen die zich vooral aan de marge van de kerk bevinden en de ‘officiële’ theologen met grote achterdocht volgen. Helaas zijn er nogal wat speurhonden die constant op zoek zijn naar wat zij beschouwen als ‘ketterijen’ en naar alles wat maar enigszins afwijkt van wat zij zien als de ware Adventleer. Een aanzienlijk aantal websites, een vloed aan dvd’s  en een oneindige reeks publicaties waarschuwen de leden van de kerk om op hun hoede te zijn. Erg veel geestelijke inspiratie kan ik meestal niet in deze websites, dvd’s en publicaties ontdekken.

De theologen in onze onderwijsinstellingen moeten maar gewoon hun werk blijven doen en niet te veel van hun tijd en energie besteden aan het reageren op de critici aan de rand van de kerk. Er wordt immers toch maar zelden met een welwillend oor geluisterd. Hooguit kunnen de kritische activiteiten aan de extreme rechterzijde van het theologisch spectrum de vaktheologen ertoe inspireren om, nog meer dan zij al doen, hun werk toegankelijk te maken voor de kerkleden idie niet theologisch geschoold zijn

Hoe dan ook: in elk geval moet het theologisch gezelschap dat de komende dagen in Collonges bijeen is kunnen genieten van ‘conversations among colleagues’ in een veilige omgeving.