Category Archives: Algemeen

De Charles Elliott Weniger stichting

Niemand kan verbaasder zijn dan ik was toen ik afgelopen juli een bericht ontving van dr. Bernard Taylor, de voorzitter van de Charles Elliott Weniger Society for Excellence, dat ik dit keer een van de vier personen ben die door het bestuur van deze stichting was gekozen om de Charles Elliott Weniger Award of Excellence te ontvangen.

Dit was wat hij mij bij wijze van uitleg schreef: Als hoofd van de theologisch faculteit, professor Engels, en begaafd spreker, beïnvloedde Charles Elliott Weniger een generatie van predikanten door zijn colleges in homiletiek aan de adventistische Andrews Universiteit in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Zijn studenten herinnerden hem vanwege zijn kwaliteit en zijn vriendelijkheid–die twee aspecten blijken een inspirerende combinatie te zijn. In 1974, tien jaar na de dood van Dr. Weniger, richtten drie van zijn vrienden de stichting op om zijn nagedachtenis en de kwaliteiten van uitmuntendheid die in zijn leven voorop stonden te eren. Door middel van de jaarlijkse onderscheidingen probeert de stichting adventisten te eren die met vergelijkbare belangrijke karaktereigenschappen een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan hun kerk en de wijdere gemeenschap.

Dr. Taylor informeerde mij dat de onderscheidingen voor 2020 zullen worden uitgereikt tijdens een ceremonie in Loma Linda op 15 februari. Naast mijzelf worden de volgenden drie personen geëerd: Dr. Andrea T. Luxton, president van Andrews University, Dr. Richard T. Hart, president van Loma Linda University en Dr. A Danoune Diop, hoofd van de afdeling publieke zaken en godsdienstvrijheid van de Adventistische wereldkerk.

De onderscheidingen worden nu al zo’n 45 jaar uitgereikt en vele leiders en academici in de kerk zijn vereerd met deze ‘award of excellence’. Onder hen zijn vooraanstaande mannen en vrouwen als Jan Paulsen, Bert B. Beach, Nils-Erik Andreasen, Ella Simmons, Lyn Behrens, Roy Branson, William Johnsson, Richard Rice en Fritz Guy – om slechts enkelen van hen te noemen.

De ceremonie op 15 februari begint om 16.30 uur en vindt plaats in de Loma Linda Universiteitskerk. Het zal worden gestreamd via de LLBN (Loma Linda Broadcasting Network). Voor geïnteresseerden is de link: https://www.llbn.tv/home. Let op: 16.30 uur is de lokale tijd in Californië, dat is 1.30 uur (volgende dag) Nederlandse tijd en 2.30 uur (volgende dag) Engelse tijd.

Het Coronavirus – ‘een teken des tijds’?

Op het moment dat ik deze blog schrijf zijn al meer dan 400 mensen in China aan het Coronavirus bezweken en zijn er meer dan 20.000 gevallen van besmettinggemeld. In Nederland is het virus nog niet opgedoken, maar vandaag werd bekend dat een van de Belgen die uit Wuhan zijn geëvacueerd het virus heeft meegenomen. De wereldgezondheidsorganisatie neemt de zaak ernstig op en alom wordt er rekening mee gehouden dat de ziekte zich zal uitbreiden en nog wereldwijd veel slachtoffers zal vergen.

Veel lezers van het Matteüs evangelie zullen onwillekeurig moeten denken aan de woorden van Jezus in het vierentwintigste hoofdstuk, waarin hij voorzegt dat er allerlei rampen gaan komen voordat de wederkomst plaatsvindt. Als een van de rampspoeden wordt in de Statenvertaling melding gemaakt van ‘pestilentiën’ (vers 7). De Herstelde Statenvertaling vertaalt dit als ‘besmettelijke ziekten’. In de nieuwere Nederlandse bijbelvertalingen wordt dit aspect van de zgn. ‘tekenen der tijden’ niet apart vermeld. De Engelse King James Version noemt ook de ‘pestilences” die gaan komen, terwijl meer recente Engelse vertalingen dit aspect ook niet expliciet vermelden. Mijn kennis van het nieuwtestamentisch Grieks is nog net voldoende om in mijn Griekse Nieuwe Testament te ontdekken dat de nieuwere vertalingen correct zijn.
Maar, hoe dan ook, het coronavirus is een ernstig probleem en door de enorme globalisering is het gevaar van wereldwijde verspreiding uiteraard sterk toegenomen. Maar is het een teken van het naderend einde?

En wat te zeggen van de Brexit? Is het een vervulling van de laatste fase van de profetie van het beeld waarvan Koning Nebukadnezar droomde? Zien we voor onze ogen dat de ‘koninkrijken’ die op het grondgebied van het Romeinse Rijk ontstonden geen blijvende eenheid zullen vormen, zoals de profetie voorspelde? En wat te zeggen van de politieke spanningen en de vele oorlogen en van de oorlogsdreiging die steeds weer voelbaar wordt? En van de aardbevingen waarvan we steeds horen? Daarbij denk ik dan niet zozeer aan de herhaaldelijke aardschokken in de provincie Groningen, hoe vervelend die ook zijn, maar aan bevingen die voorbij ‘zeven’ op de Richterschaal gaan.

Zijn het allemaal ‘tekenen der tijden”? Voor sommigen is dat ongetwijfeld zo. Als ze deze dingen zien, dan kan het, zo concluderen zij, niet lang meer duren. Dan staat de komst van Christus voor de deur, misschien nog tijdens hun leven! Anderen halen hun schouders op en wijzen erop dat er altijd vreselijke rampen hebben plaatsgevonden. In de afgelopen dagen heb ik herhaaldelijk de vergelijking horen maken tussen het Coronavirus en de Spaanse Griep. Aan die epidemie in de jaren 1918-1919 zijn tenminste twintig miljoen mensen gestorven. Sommige historici denken dat er zelfs zo’n honderd miljoen doden waren.

Het is belangrijk om een en ander in een deugdelijk bijbels kader te plaatsen. Uit het Nieuwe Testament blijkt dat de ‘eindtijd’ de periode is tussen de eerste en de tweede komst van Christus. En gedurende die gehele periode zijn er steeds ‘tekenen’ die ons eraan herinneren dat er een eind gaat komen aan de geschiedenis. We zitten in de laatste fase. In het Grieks wordt het woord ‘semeion’ gebruikt. Dat wordt over het algemeen met ‘teken’ vertaald. Het is echter geen wonderteken. Daar heeft het Grieks een ander woord voor. Misschien is het woord ‘signaal’ nog de beste weergave. Er zijn steeds signalen geweest dat de tijd niet altijd maar gaat voortduren. En die signalen zijn er ook in onze tijd en het is belangrijk dat we ze als zodanig herkennen.

Sommigen zullen zeggen: Maar die eindtijd duurt dan toch wel erg lang—-nu al zo’n tweeduizend jaar. Ja, dat lijkt wel lang, als we tenminste uitgaan van een begin van deze wereld in een betrekkelijk kort verleden, misschien 6.000 tot 10.000 jaar terug. Voor degenen (en daar reken ik mijzelf ook bij) die het begin, toen God zijn scheppingsproces in beweging zette, mogelijk veel verder in het verleden zien, is een eindtijd van 2.000 jaar een relatief korte tijd—-zeker in goddelijk perspectief. Maar hoe we daar ook over mogen denken, de ‘signalen’ blijven ons er steeds aan herinneren dat er een einde komt aan de geschiedenis en dat de belofte van een nieuwe wereld werkelijkheid gaat worden.

Het wonder van hoe God met ons spreekt

Ik ben halverwege een interessant boek over het onderwerp van de Drieëenheid. Ik heb de laatste tijd verschillende boeken over dit fundamentele christelijke thema gelezen en het blijft me fascineren. In het boek dat ik nu onderhanden heb kom ik echter een facet tegen dat een veel bredere reikwijdte heeft, namelijk de vraag wat er gebeurt met het bijbels gedachtengoed als de bijbelse tekst vertaald wordt. In dit boek wijst de schrijver erop dat de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament allerlei verwijzingen bevat naar een diversiteit in de Godheid, die opgevat kunnen worden als hints naar het bestaan van God als Drieëenheid. Die hints zijn echter verloren gegaan in de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuaginta) die in de dagen van Jezus en de apostelen de gangbare bijbelversie was en ook lang daarna veel werd gebruikt.

Iedereen die enige ervaring heeft met maken van vertalingen, weet dat vertalen altijd ook een element van interpretatie bevat. De vertaler begrijpt de tekst op een bepaalde manier en probeert daarvoor dan het zo goed mogelijke equivalent in de andere taal te vinden. Met bijbelvertalingen is dat niet anders. Ook als er voorin een Bijbel staat dat de vertaling gemaakt is vanuit de oorspronkelijke talen (Hebreeuws, Grieks en een paar kleine stukjes Aramees) is dat het geval.

Het is belangrijk dat te beseffen als we de Bijbel lezen. Daarbij moeten we trouwens iets verder teruggaan, tot ver vóór de vertaling werd gemaakt. Tussen het moment dat de Bijbelboeken (over een periode van vele eeuwen) werden geschreven en het moment dat wij onze Nederlandse Bijbel lezen ligt een lang en ingewikkeld proces. Het begint, zo geloven de meeste christenen, bij het moment dat God de schrijvers inspireerde. Hoe dat precies in zijn werk ging weten we in de meeste gevallen niet. Maar mensen hebben van Godswege op de een of andere manier daartoe ‘geïnspireerd’ gebeurtenissen gerapporteerd en gedachten op schrift gesteld. Over wat er daarna precies met die verschillende ‘bronnen’ gebeurde bestaan veel verschillende theorieën. Maar het lijkt wel zeker dat er in de loop van de tijd brokstukken tekst zijn doorgegeven aan anderen, in bepaalde kringen bewaard zijn gebleven, door ‘redacteuren’ zijn bewerkt en uiteindelijk hun huidige vorm hebben gekregen en een rol gingen spelen in het godsdienstig leven van Israël en vervolgens ook van de vroege kerk. Uit de vele geschriften die in omloop waren gekomen werd ten slotte een keuze gemaakt en zo ontstond de bijbelse canon—hoewel er lange tijd discussie bleef over de vraag of sommige geschriften nu al dan niet in de canon thuishoorden.

Aanvankelijk gebruikte de bijbelschrijvers perkament. Van geen van de oorspronkelijke geschriften is het origineel bewaard gebleven. We moeten tevreden zijn met handmatig vervaardigde afschriften van afschriften, van afschriften, enzovoort. Daarbij zijn soms fouten gemaakt, en zijn al dan niet abusievelijk woorden of zinnen weggelaten of ‘ter verduidelijk’ toegevoegd. Er bestaan vele duizenden tekstfragmenten die tot verschillende tekstfamilies behoren. Er zijn ook heel oude vertalingen die soms teruggaan op originele handschriften die wij niet meer bezitten. Het is een wetenschap op zich om al deze handschriften met elkaar te vergelijken en zo dicht mogelijk te komen bij wat de originele tekst moest zijn geweest. Het werk van de geleerden die daarmee bezig zijn geweest heeft geresulteerd in een basis-tekst die uitgangspunt is geworden voor de ‘moderne’ vertalingen van de laatste paar eeuwen. De vertalers ontmoeten daarbij heel wat uitdagingen, want niet alle talen hebben eenzelfde rijkdom aan woordenschat en bepaalde nuances zijn in sommige talen moeilijk weer te geven. Gelukkig zijn in de loop der tijd oudere handschriften van bijbelboeken ontdekt (bijv. de Dode Zeerollen) en onze kennis van de oude talen is toegenomen. Daarom zijn nieuwere vertalingen over het algemeen betrouwbaarder dan bijvoorbeeld de Nederlandse Statenvertaling of de King James Version van de zeventiende eeuw.

Wij mogen ons gelukkig prijzen dat we over diverse vertalingen van de Bijbel kunnen beschikken, die bovendien zo goedkoop zijn dat ze voor iedereen beschikbaar zijn. (In de Middeleeuwen was dat wel anders en was het bezit van een eigen Bijbel alleen voor heel rijken weggelegd.)

Vaak wordt gezegd dat de Bijbel een uniek boek is omdat het werd geschreven door zo’n veertig personen met totaal verschillende achtergronden, over een periode van zo’n vijftien eeuwen, en toch een eenheid vormt met een consistente boodschap. Ik denk dat het eigenlijke wonder van de Bijbel is dat ik, anno 2020, kan luisteren naar wat God mij te zeggen heeft door te lezen in een boek dat zo’n vreemde, gecompliceerde geschiedenis achter de rug heeft. Dat besef haalt een streep door elke gedachte aan woordelijke inspiratie en door wat tegenwoordig in adventistische kringen vaak wordt aangeduid als ‘plain reading’ (lezen zoals het er staat). Dit doet echter aan de waarde van de Bijbel niets af. Het wonder gebeurt elke keer weer opnieuw als we dat wonderlijke boek, dat zo’n merkwaardige wordingsgeschiedenis heeft doorgemaakt, openen en ervaren dat God tot ons spreekt.

Het drama van intolerantie

Volgens een rapport van de in Barneveld gevestigde Stichting Open Doors is de vervolging van christenen wereldwijd nog steeds een probleem dat grote aandacht verdient. In 2019 werden ruim 3000 christenen omwille van hun geloofsovertuiging gedood. Maar daarnaast lijden grote aantallen christenen in tientallen landen onder andere vormen van vervolging of van belemmeringen in het praktiseren van hun geloof. Daarbij kan het gaan om gevangenschap, marteling, verstoting, een verbod om samen te komen voor vieringen of openlijk evangelisatie te bedrijven, naast economische hindernissen of geblokkeerde carrières. Op de ranglijst van meest vervolgende landen staat Noord-Korea opnieuw op de eerste plaats. Ook China scoort bedroevend hoog, terwijl ook Afghanistan, Somalië, Libië, Soedan en Pakistan de lijst blijven aanvoeren (voor de ranglijst van de vijftig grootste boosdoeners, zie https://www.opendoors.nl/ranglijst.

Soms halen opzienbarende incidenten de wereldpers, zoals bijvoorbeeld toen de ter dood veroordeelde Pakistaanse christin Asia Bibi toestemming kreeg haar land te verlaten. En we zijn nog niet vergeten hoe in 2014 zo’n 50.000 (christelijke) Yezidi’s het vege lijf probeerden te redden op het Sinjar-gebergte in Noord-Irak, op de vlucht voor de terreur van de Isis.

Als christen voel ik me natuurlijk heel direct aangesproken als het leven van medechristenen in gevaar komt of als zij in belangrijke mate onvrij zijn in de wijze waarop zij hun geloof kunnen belijden en beleven. Voor een zevendedags adventist is die belangstelling extra groot, omdat adventisten niet zelden een specifiek doelwit waren (en soms nog zijn) van discriminerende maatregelen in intolerante landen. Maar daarbij het is belangrijk om niet te vergeten dat niet alleen christenen door intolerantie worden getroffen. Helaas zijn er nog steeds afschuwelijke (en soms dodelijke) uitingen van antisemitisme—ook in de zogenaamde beschaafde landen in de westerse wereld en niet alleen in het Midden-Oosten.

Ook moslimminderheden worden in een reeks van landen vervolgd. Dat is bijvoorbeeld het geval in India, maar ook in Myanmar waar het de Rohingya’s zo moeilijk wordt gemaakt, dat zij op grote schaal hun land ontvluchtten. De situatie is zodanig dat een aantal landen, onder leiding van Gambia, Myanmar zelfs bij het Internationaal Strafhof in Den Haag hebben aangeklaagd wegens genocide. De Chinese maatregelen tegen de Oeigoeren wekken eveneens terecht wereldwijd veel verontwaardiging. Naar schatting is nu een miljoen mannen en vrouwen van deze etnische moslimminderheid in heropvoedingskampen opgesloten. En daarmee is de lijst van voorbeelden van grootschalige religieuze terreur niet uitgeput.

Helaas moeten we ook vaststellen dat groeperingen binnen een bepaalde godsdienst elkaar naar het leven kunnen staan, zoals bijvoorbeeld de islamitische sjiieten en hun soennitische broeders en zusters! Maar voordat we als christenen daar te hard over oordelen doen we er goed aan ons te herinneren dat het eeuwenlang haat en nijd—-en doodslag—-is geweest tussen katholieke en protestantse christenen.

En als we een stapje verder gaan moeten we erkennen dat intolerantie veel verder gaat dan fysieke vervolgingen. Gevoelens van afkeer en intolerantie, zoals bijvoorbeeld ten opzichte van islamitische immigranten, kunnen de maatschappelijke verhoudingen behoorlijk vergiftigen. Het is nog niet zo lang geleden dat katholieken en protestanten elkaar in Noord-Ierland letterlijk naar het leven stonden en nog steeds is de relatie tussen protestanten en katholieken nog niet overal genormaliseerd en hebben verschillende protestantse groeperingen er grote moeite mee elkaar te respecteren.

Ook binnen kerkelijke gemeenschappen vallen op het gebied van tolerantie vaak nog wel wat stappen te zetten. Dikwijls is onbegrip de oorzaak. Maar wat de oorzaak ook mag zijn, we moeten niet vergeten dat intolerantie (en zelfs regelrechte vervolging) begint met gevoelens van antipathie en afkeer die gemakkelijk omslaan in haat en vijandig gedrag. Vrijheid van geloof in belijden en praktijk is een fundamenteel mensenrecht, dat naarmate de wereld verder globaliseert steeds belangrijker wordt. Maar de werking van dat recht houdt niet op bij contouren van een religie of geloofsgemeenschap en zelfs niet bij de muren van een plaatselijke moskee, synagoge of kerk!

Heeft bidden zin?

Vorige week stuurde de voorzitter van de adventistische wereldkerk een boodschap aan de leden wereldwijd met het verzoek te bidden voor de mensen die getroffen zijn door de bosbranden in Australië. Hij riep de kerk op om God te vragen een keer te brengen in de vuurzee die inmiddels flinke delen van Australië in de as heeft gelegd. Enkele dagen geleden stuurde de voorzitter een nieuwe oproep tot gezamenlijk gebed, ditmaal voor degenen die op de Filippijnen bedreigd worden door de vuur- en asregen van de Taal-vulkaan in de Bantangas provincie. Deze vulkaan wordt tot de gevaarlijkste vulkanen in Azië gerekend. Hij voegde eraan toe dat ook het regionale kantoor van de kerk in Zuid-Oost Azië en een universiteit van de kerk, op korte afstand van de vulkaan, worden bedreigd.

Het deed bij mij opnieuw een vraag bovenkomen die ik mezelf al heel vaak heb gesteld. Helpen dergelijke gebedsacties nu echt? En is er een grotere kans op verhoring naarmate er meer mensen aan meedoen? Het is een ingewikkeld probleem. Gelovigen gaan er doorgaans vanuit dat God almachtig is, en dus in staat is om dergelijke gebeden te verhoren. Zij gaan er gewoonlijk ook vanuit dat God de personificatie is van liefdevolle goedheid. Op die basis mogen we toch verwachten dat God gebeden, die hem smeken om bij soort nare situaties als in Australië en op de Filippijnen in te grijpen, graag zal verhoren. Maar als we te maken hebben met een liefdevolle God die almachtig is, zouden we dan ook niet mogen verwachten dat hij dit soort rampen voorkomt?

Gebed speelt in mijn geloofsleven een belangrijke rol, maar niet op de manier die ik soms bij medegelovigen aantref. Ik bid God regelmatig om bescherming, maar ga niet eerst routinematig in gebed voordat ik de auto start om even een boodschap in het dorp te gaan doen. Ik verwacht ook niet dat God een parkeerplaats voor mij vindt als ik in het centrum van Amsterdam ben aangekomen.

Ik vertrouw op de woorden van de apostel Jakobus dat het belangrijk is om voorbede te doen voor ernstig zieke mensen, maar vraag me wel af of de apostel niet wat voorzichtiger had kunnen zijn met de verzekering die hij daarop laat volgen: ‘Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan’ (Jakobus 5:15). We weten immers allemaal dat veel gebeden om genezing zonder het gewenste resultaat blijven. Er is natuurlijk de ontsnappingsclausule dat we onze gebeden steeds vergezeld moeten laten gaan van de slotzin dat niet onze wil, maar die van God de doorslag moet geven. En ja, heel vaak blijkt die goddelijke wil ondoorgrondelijk (of, volgens sommigen wellicht, nogal wispelturig).

Voor heel wat mensen is dit reden om af te haken en het geloof vaarwel te zeggen. Ze kunnen niet geloven in een God die kennelijk wel iemand van zijn verkoudheid wil afhelpen of iemand bijstaat die haar sleutelbos niet kan vinden, maar de andere kant opkijkt als de holocaust plaatsvindt of de bom op Hiroshima valt. Als mensen mij hierop aanspreken en mij vragen waarom God allerlei vreselijke dingen toelaat en waarom hij sommige gebeden kennelijk wel verhoort, maar andere gebeden naast zich neerlegt, dan heb ik geen antwoord.

Toch zijn de problemen rond gebed voor mij geen reden om dan maar niet meer te bidden. Een van de boeken die mij hebben geholpen om, ondanks de vele vragen, toch te blijven bidden is dat van de bekende Amerikaanse schrijver Philip Yancey: Prayer: Does it Make a Difference? (2006). Yancey benadrukt dat God er voor ons is, of wij dat nu al dan niet duidelijk ervaren en voelen. In ons gebed erkennen wij Gods aanwezigheid en antwoorden wij erop. Bidden wil zeggen dat we onze plaats kennen, onze beperkingen en kleinheid beseffen en bereid zijn om te doen wat we kunnen, maar alles verder aan God overlaten. Bidden is vooral ook uitdrukking geven aan onze dankbaarheid voor de vele goede dingen die elke nieuwe dag weer brengt. En het is nadenken over wat we verkeerd hebben gedaan en waarvoor we vergeving nodig hebben. Wat het verder ook mag doen, bidden voor anderen helpt ons onze verantwoordelijkheden voor de ander serieus te nemen. Bidden is stil zijn voor de God die—ook al lijkt het er vaak niet op—op de een of andere manier weet wat er gebeurt en waarom het gebeurt. De apostel Paulus schreef aan de kerkleden in Rome dat wij vaak eigenlijk niet weten ‘wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen’, maar dat op de een of andere manier zelfs ons woordloze zuchten voor God waarde heeft (Romeinen 8:26). Dat is op zich al voldoende reden om te blijven bidden.