Category Archives: Algemeen

Tradities

Het woord ‘traditie’ heeft zijn wortels in het Latijn. Mijn Latijn is nogal roestig, maar ik herinner me nog wel dat het woord teruggaat op het Latijnse werkwoord tradere, wat doorgeven betekent. Een traditie gaat dus over het doorgeven van dingen van de ene periode naar de andere, van de ene generatie naar de volgende. Op zich is het een nogal neutraal woord.

Voor veel protestanten heeft de term ‘traditie’ een katholieke lading. De hervormers propageerden het Sola Scriptura-principe (alleen de Bijbel), maar katholieken beweren dat de kerk door de eeuwen heen een schat aan wijsheid en inzicht (de traditie) heeft voortgebracht die naast de Bijbel een bron van openbaring is.

Adventisten spreken meestal in negatieve bewoordingen over ‘traditie’. Naast wat zij beschouwen als onbijbelse katholieke tradities, ontdekten zij ook in andere christelijke kerken een liefde voor ‘dode vormen’ en ‘onveranderlijke tradities’. Wat in verschillende kerkgenootschappen werd gezegd en gedaan, werd niet aan de Schrift getoetst, maar werd grotendeels voorgeschreven door documenten en synodebesluiten die samen een nogal onwrikbare traditie vormen. In hun veroordeling van tradities vergeten Adventisten soms (vaak?) dat elk instituut tradities ontwikkelt. En dat geldt ook voor de Adventkerk. Adventisten hebben er helaas vaak weinig oog voor dat andere religieuze gemeenschappen inderdaad tal van mooie tradities hebben. Op sommige daarvan kan ik soms wel eens jaloers zijn.

Tradities zijn niet beperkt tot kerken en tot het religieuze domein. Steden en dorpen, landen en etnische groepen hebben ook hun eigen tradities. Veel van deze tradities zijn goed en moeten behouden blijven. Sommige zijn bedenkelijk of zelfs moreel verwerpelijk (bijv. stierengevechten, vrouwenbesnijdenis, ontgroeningsrituelen voor studenten). Sommige tradities zijn geïmporteerd (vooral uit de VS) en werden snel overgenomen, zoals bijvoorbeeld: Valentijnsdag, Halloween en Black Friday. Plotseling heeft de Black Friday rage de Nederlandse verbeelding (of is het: het gebrek aan verbeelding?) geprikkeld.

De laatste tijd zijn enkele Nederlandse tradities nogal controversieel geworden. Op 5 december vieren de Nederlanders Sinterklaas – het jaarlijkse feest voor de kinderen. Het is de tijd om cadeautjes te krijgen en te geven (in plaats van met Kerstmis, hoewel het geven van kerstcadeautjes langzaam maar zeker ook in Nederland een traditie wordt). Een paar weken voor 5 december doet Sinterklaas zijn intrede, vergezeld van een groep zwarte knechten. Er is steeds meer weerstand tegen dit aspect, dat, zo wordt beweerd, het concept van slaafsheid combineert met dat van zwartheid. Een aantal actiegroepen staat erop dat de helpers van Sinterklaas niet langer zwart mogen zijn, terwijl anderen juist vinden dat deze oude traditie niets te maken heeft met rassendiscriminatie en op geen enkele manier mag worden afgezwakt.

De afgelopen week is er veel onrust geweest in een aantal wijken van Den Haag, nadat de stad besloot geen vergunning af te geven voor de traditionele vreugdevuren op oudejaarsavond. Vorig jaar hebben deze branden tot gevaarlijke situaties geleid en de regels zijn dan ook zodanig aangescherpt dat de traditionele vuren eigenlijk tot het verleden behoren. Velen vinden dat de stad een verstandige beslissing heeft genomen, maar anderen voelen zich beroofd van een belangrijke traditie!

Ik denk dat het verkeerd is om opgesloten te zitten in tradities die tegen elke prijs moeten worden voortgezet. Ja, tradities moeten continuïteit hebben, maar er moet ook de vrijheid zijn om ze voortdurend aan te passen. Ik kijk uit naar de komende weken met de vele kersttradities. Sommige van deze tradities zullen ongetwijfeld geleidelijk aan verdwijnen, terwijl ook andere, nieuwe tradities zullen ontstaan. We hebben tradities nodig in ons persoonlijke leven, in de plaats, de regio of het land waar we wonen, maar ook in de geloofsgemeenschap waarvan we deel uitmaken. Het draagt bij aan wat wij identiteit noemen.

Om heel eerlijk te zijn, als sommige tradities uit mijn kerk zouden verdwijnen, zou ik ze niet missen. Maar een kerk moet zeker tradities hebben. Als we niets kunnen doorgeven aan degenen die na ons komen, dingen die we belangrijk vinden en die ons maken tot wat we zijn – en dit is meer dan een lijst van 28 ‘fundamentele Geloofspunten’ – dan is het treurig met ons gesteld.

Dankbaar zijn voor de tradities die aan ons zijn overgeleverd, terwijl we ons vrij voelen om ze aan te passen, waar en wanneer dat gewenst is, en zelf nieuwe tradities scheppen en deze overdragen aan degenen die na ons komen – dit maakt een geloofsgemeenschap tot een levende beweging.

(Aangepast van mijn blog van 19 september 2012)

Het spijt ons . . .

Op 7 september vierde de College View Church in Lincoln in de Amerikaanse staat Nebraska haar 125-jarig jubileum. Voor deze kerkgemeente—de grootste in de Mid-American Union—was het een gelegenheid om niet alleen een feestje te bouwen maar ook eens kritisch te kijken naar het verleden. De leiders van deze gemeente waren er heel duidelijk over dat men in het verleden niet-blanken vaak op een verfoeilijke manier behandelde. . Lange tijd mochten zij alleen op het balkon zitten of werd hen zelfs de toegang geweigerd.

Helaas was de situatie in deze gemeente geen uitzondering—en niet alleen in het Zuiden van de Verenigde Staten. En nog steeds blijft het kwaad van het racisme hardnekkig zijn kop opsteken—ondanks deze schuldbekentenis en tal van andere verklaringen waarin erkend werd dat de Adventkerk helaas op veel plaatsen ruimte gaf aan discriminatie en racisme.

Je kunt je natuurlijk afvragen of schuldbetuigingen zoals die van de College View Church veel zin hebben. Moet de huidige generatie in een kerkgemeenschap, of in de maatschappij in het algemeen, excuses aanbieden voor wat een vorige generatie deed? Moeten de jonge Duitsers van nu nog steeds hun spijt betuigen voor wat de generatie van hun grootouders deed? Moet ik me nog steeds schuldig voelen voor de slavenhandel waarmee veel van mijn landgenoten enkele eeuwen geleden veel geld verdienden? Hoe je daar ook over denkt, het is natuurlijk wel belangrijk dat mensen hun geschiedenis kennen en de lelijke dingen van het verleden niet verbloemen.

Dat een Adventgemeente in de VS bij een jubileumviering openlijk betreurt dat zij in het verleden racistisch was is een goed signaal voor veel andere gemeenten—en niet alleen in de Verenigde Staten–waar men zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan discriminatie. Lokale gemeenten doen er goed aan om zo af en toe zichzelf eens de vraag te stellen om er in het verdere, of het meer recente, verleden sprake is geweest van discriminatie. Of dat discriminatie mogelijk nog steeds, al dan niet ondergronds, doorwoekert. Ik denk daarbij aan de relatie met groepen immigranten die zich bij ons hebben gevoegd. Hebben we hen altijd in alle opzichten welkom geheten als onze broeders en zusters? Of hebben we ons soms bedreigd gevoeld en ons superieur gedragen?

Er is een groep die in heel wat Adventgemeenten—ook in Nederland—al dan niet openlijk wordt gediscrimineerd. Ik doel op de LGBTQ-gemeenschap. Op veel plaatsen treffen zij geen ‘veilige’ kerk aan, waar zij echt welkom zijn en waar zij volop mee kunnen doen, zonder dat hun seksuele geaardheid daarbij een hinderpaal is. We zullen moeten accepteren dat er verschillend gedacht wordt over wat de Bijbel precies zegt en bedoelt in teksten die homoseksualiteit veroordelen. Maar we kunnen niet accepteren dat dat dit tot resultaat heeft dat mensen met een niet-heteroseksuele geaardheid worden gediscrimineerd. Aanzienlijke aantallen van hen hebben de kerk de rug toegekeerd, omdat zij geen warme gemeenschap vonden waar zij konden zijn wie ze zijn. Zijn er gemeenten die alle eerlijkheid zouden moeten zeggen: Ja, wij hebben ons ook schuldig gemaakt aan discriminatie. Dat spijt ons oprecht en we zullen er alles aan doen om daar een punt achter te zetten?

John Wesley en Ellen White

Het stond al heel wat jaartjes tussen een reeks andere biografieën en autobiografieën in een van de boekenkasten in onze woonkamer. Kort nadat ik het kocht las ik zo’n vijftig bladzijden, maar ik legde het daarna om de een of andere reden opzij. Vorige week keek ik het weer eens in en besloot ik het te gaan lezen. Ik ontdekte dat het een fascinerend boek is. Ik heb het over de biografie die Roy Hatterley schreef van een van de grootste godsdienstige leiders van de laatste eeuwen: A Brand from the Burning: The Life of John Wesley (2003).

Wesley was een van de belangrijkste grondleggers van het methodisme-een beweging die voortkwam uit de Anglicaanse kerk en zich naar tientallen landen verspreidde. Vandaag de dag zijn er enkele tientallen kerkgenootschappen die zich methodistisch noemen en die samen zo’n 40 miljoen leden hebben. De grootste daarvan is de United Methodist Church in de VS met ruim twaalf miljoen leden. Het methodisme is vanuit adventistisch perspectief een interessante stroming, want er zijn heel wat punten van overeenkomst in theologie en leefstijl. Bovendien had een aantal adventistische leiders van het eerste uur—waaronder Ellen G. White—een methodistische achtergrond.

John Wesley, en in mindere mate ook zijn broer Charles, gaf vorm aan het vroege methodisme en bleef een inspirator voor wie de methodisten nog steeds grote achting hebben. Een zekere mate van hagiografie heeft de kijk van veel methodisten op hun vroege geschiedenis, en op John Wesley als de belangrijkste stichter, gekleurd. Hatterley’s biografie is een eerlijk boek en geeft, voor zover ik dat kan beoordelen, een sympathiek maar objectief beeld van Wesley. Hij wordt neergezet als een ‘normaal’ mens—als een man met grote gaven, maar ook als iemand met de nodige zwakheden. Zijn theologische inzichten fluctueerden nogal eens. Hij legde de nadruk op volmaaktheid, maar schoot op dat punt zelf duidelijk tekort. Hij was in veel opzichten behoorlijk autoritair, en had voortdurend moeilijkheden in zijn omgang met vrouwen. Maar ondanks zijn zwakheden was hij een geloofsheld die tienduizenden mannen en vrouwen tot Christus bracht. Wat vooral opvalt is zijn enorme werklust. Naar schatting legde hij (voornamelijk te paard) zo tussen de 400.000 en 500.000 kilometer af. En tijdens de 52 jaar van zijn werk als rondreizend prediker hield hij ongeveer 40.000 preken (gemiddeld meer dan twee preken per dag), naast talloze vergaderingen met andere leiders en het schrijven van tientallen publicaties. Ongetwijfeld was het een belangrijk voordeel dat hij in staat was te lezen tijdens het paardrijden.

Wie het over het methodisme heeft noemt onvermijdelijk de naam van John Wesley. Religieuze bewegingen hebben gewoonlijk een heel nauwe band met de visie en het leiderschap van hun stichter. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het lutheranisme. Maarten Luther gaf niet alleen zijn naam aan alle geloofsgemeenschappen die vertegenwoordigd zijn in de Lutherse Wereld Federatie, maar hij blijft een voorname plaats innemen in het denken van de Lutheranen en blijft een belangrijke inspiratiebron voor de lutherse theologie. Calvijn heeft een soortgelijke status in de gereformeerde kerkgenootschappen. Maar in geen van deze godsdienstige stromingen is de stichter de enige maatstaf geworden en gebleven van wat tot de ‘gezonde leer’ en de juiste leefwijze behoort. Bepaalde ideeën die zij propageerden hebben inmiddels afgedaan of zijn in de loop van de tijd ingrijpend gewijzigd.

Ik vraag mij dikwijls af: Waarom kunnen wij als adventisten niet op een soortgelijke manier naar Ellen White leren kijken? Niemand kan ontkennen dat zij een belangrijke rol speelde in de tijd dat de Adventkerk ontstond en vorm kreeg, en dat zij veel mensen sindsdien (en nog steeds) heeft weten te inspireren. Maar ik ben ervan overtuigd dat het verkeerd is om haar op een voetstuk te plaatsen en te beschouwen als iemand die bij alles het laatste woord moet hebben. Ik zou wensen dat we naar haar kunnen kijken op een soortgelijke manier als waarop de methodisten kijken naar John Wesley, de lutheranen naar Maarten Luther en de gereformeerden naar Calvijn: als iemand die door God op een bijzondere wijze werd gebruikt en gewaardeerd moet worden vanwege de bijzondere rol in de ontstaansgeschiedenis van de kerk en die nog steeds een bron van inspiratie is. Als niet minder dan dat, maar ook niet als meer dan dat.

Hebben we Ellen White nodig om de Bijbel te kunnen interpreteren?

Tijdens de recente najaarsvergaderingen van het Generale Conferentiebestuur—de jaarlijkse vergadering met afgevaardigden uit de gehele wereld—werd een verklaring aangenomen over de rol van Ellen G. White en haar geschriften. Deze verklaring zal aan de afgevaardigden van het wereldcongres van volgend jaar worden voorgelegd met de bedoeling dat zij daarmee, namens de wereldkerk, opnieuw hun vertrouwen in Ellen White en haar profetische rol in de kerk zullen uitspreken. Het is overigens bijna een traditie geworden dat de afgevaardigden naar dit congres op deze wijze aangeven dat zij aan Mevr. White nog steeds een cruciale plaats toekennen. Je kunt je natuurlijk wel afvragen waarom het nodig is om elke keer weer opnieuw dit element van het adventistisch gedachtegoed te onderstrepen. Dreigt het vertrouwen in Ellen White in te zakken? En helpt het dan om weer eens een officiële verklaring af te stemmen? Waarom is er dan ook niet regelmatig een verklaring dat adventisten nog steeds de sabbat hooghouden of een congresuitspraak waarin de leden van de kerk wereldwijd worden opgeroepen om hun verwachting van de wederkomst van de Heer niet los te laten?

Maar, afgezien van de vraag waarom een dergelijke verklaring nodig wordt gevonden, is er toch wel een probleem met de inhoud. De volledige tekst is o.a. te vinden via https://mk0atodaytmpyu330hj6.kinstacdn.com/wp-content/uploads/2019/11/resolution-on-EGW.png.

De paragraaf die de meeste vragen bij mij oproept is:
Wij geloven dat de geschriften van Ellen White geïnspireerd werden door de Heilige Geest en hun focus vinden in Christus en op de Bijbel zijn gebaseerd. Zij zijn geen vervanging van de Bijbel, maar benadrukken het normatieve karakter van de Heilige Schrift en corrigeren de onjuiste interpretaties die eraan worden gegeven. Zij helpen ons ook de menselijke neiging te overwinnen om uit de Bijbel datgene aan te nemen wat ons aanstaat en datgene wat ons niet aanstaat te verdraaien of te negeren.

De eerste zin in deze alinea roept de vraagt op wat we precies onder het begrip inspiratie moeten verstaan. Maar dat punt laat ik nu maar even liggen. Vooral de tweede zin ligt mij zwaar op de maag. In feite bevat deze in een ernstige innerlijke tegenstrijdigheid. Aan de ene kant wordt gezegd dat de Bijbel de norm is waaraan alles moet worden getoetst. So far so good. Maar dan wordt er direct aan toegevoegd dat er een andere gezaghebbende bron is (namelijk de geschriften van Ellen White) die ons vertelt hoe we de Bijbel moeten uitleggen. Met een dergelijke visie verlaten we het protestantse uitgangspunt van sola scriptura (alleen de Bijbel) en komen we gevaarlijk dicht bij de rooms-katholieke leer die ervan uitgaat dat alleen de kerk in staat is de Bijbel op de juiste wijze uit te legen en de gelovigen voor verkeerde ideeën kan behoeden. De gedachte dat Ellen White het laatste woord heeft over de interpretatie van de Bijbel plaatst haar werk in feite boven de Bijbel en dat staat haaks op andere uitspraken van de Adventkerk waarin het principe van ‘de Bijbel alleen’ wordt onderstreept. Zie bijvoorbeeld punt 1 van de 28 Fundamentele Geloofspunten van de Zevendedags Adventisten (‘De Bijbel is de laatste, gezaghebbende en onfeilbare openbaring van Gods wil. Hij is doorslaggevend ten aanzien van het geloof . . .’). En Ellen White heeft zelf ook meermalen beklemtoond dat niet van haar mag worden verwacht dat zij het laatste woord heeft op het gebied van theologie en bijbelse exegese!

Het is mijn vaste overtuiging dat deze verklaring over de rol van Ellen White (zo deze er al moet komen) terug moet naar de schrijftafel van degenen die hem opstelden. Maar ik zou ook graag zien dat de verklaring (als die er al moet komen) zou aangeven dat er veel meer aandacht moet worden geschonken aan de resultaten van alle onderzoek dat in de laatste tientallen jaren heeft plaatsgevonden ten aanzien van de persoon en het werk van Ellen White. Door de kerkleden daarover veel meer informatie te geven zouden velen een evenwichtiger visie krijgen op wie Ellen White was en wat zij voor de kerk heeft betekend en nog kan betekenen.

Tienden geven–een plicht of een voorrecht?

Mijn vader stierf toen hij nog maar vijftig jaar was. Ik was een tiener. Mijn moeder was begin-veertig. Het is geen overdrijving om te zeggen dat wij het arm hadden. Mijn moeder moest het doen met een minimale weduwen- en wezenuitkering voor zichzelf en haar kinderen. Zij was vanaf haar zestiende jaar een zevendedags adventiste en nam haar geloof heel serieus, inclusief het feit dat van haar werd verwacht dat zij een tiende van haar magere inkomen zou afstaan. Maar ik herinner me dat zij mij op een keer toevertrouwde dat dit haar niet altijd lukte. En daar had zij het heel moeilijk mee. Temeer, daar de predikant van de kleine gemeente waartoe wij behoorden haar daarover ferm had aangesproken en daarbij Maleachi 3:8-10 had geciteerd. Er was geen excuus, zei hij, om niet trouw te zijn in het geven van je tienden.

De woorden van de profeet Maleachi hebben heel wat Adventgelovigen flinke schuldgevoelens bezorgd. Daarin staat immers dat het niet geven van tienden gelijk staat aan het bestelen van God—iets wat je natuurlijk niet ongestraft kunt doen. Maar er staat ook dat je erop kunt rekenen dat God je zal zegenen als je trouw bent in het geven van je tienden. Je moet hem op de proef stellen en dan zal je zien dat het allemaal heus wel in orde komt.

Ik heb me er altijd aan geërgerd dat mensen in de kerk op deze manier onder druk werden gezet. En die ergernis werd groter naarmate ik ging beseffen dat het geven van tienden aan de kerk helemaal niet zo’n solide bijbelse basis heeft als steeds werd beweerd. Ik moest daar weer eens aan denken toen ik deze week een artikel las op de website van Adventist Today, van de hand van mijn vriend Larry Downing (een gepensioneerde collega in de VS). Hij laat daarin alle tienden-teksten die we in de Bijbel tegenkomen de revue passeren en concludeert dat er toch wel heel wat vraagtekens zijn rond het oudtestamentische verschijnsel van de tienden en dat er geen duidelijk nieuwtestamentisch gebod is voor de volgelingen van Christus om tien procent van hun inkomsten af te staan aan de kerkelijke organisatie. Zie: https://atoday.org/an-overview-of-tithe-texts-in-the-english-bible/

Is het mijn bedoeling met het schrijven van dit stukje om tegen mijn geloofsgenoten te zeggen dat het geven van tienden onbelangrijk is? Zeker niet. Ik hoop dat mijn kerk zich verder kan ontwikkelen en een duidelijk geluid kan laten horen in onze wereld. En daarvoor zijn steeds de juiste mensen nodig, en dat kan ook niet zonder voldoende geld. Ik ben dankbaar voor het feit dat tienden-gevende kerkleden gedurende meer dan veertig jaar voor mijn salaris hebben gezorgd en dat ik nu een kerkelijk pensioen ontvang dat uit de tienden wordt gefinancierd. En ik behoor tot de ca. zestig procent van de kerkleden die regelmatig hun tienden geven. [De kerk zou geen enkel financieel probleem meer hebben als alle leden tienden zouden geven! Helaas is dat een nogal utopische gedachte.]

Tienden geven blijft een heel goed idee, ook al zegt het Nieuwe Testament er nauwelijks iets over. En het zwijgt al helemaal of je tienden zou ‘moeten’ geven van je netto of bruto inkomen. En of al het geld naar een centraal punt moet worden gestuurd (in Nederland dus naar het kerkelijk kantoor in Huis ter Heide.) Maar de Bijbel—en zeker ook het Nieuwe Testament—is er wel heel duidelijk over dat we vrijgevig moeten zijn (2 Korintiërs 9:7) en de apostel Paulus legt de nadruk op het beginsel van systematisch geven (o.a. 1 Korintiërs 16:2).

Het is een goede zaak dat de leden van de kerk ooit met elkaar hebben afgesproken dat zijn hun kerk systematisch wilden ondersteunen. Nadat er eerst een ander systeem werd gehanteerd (”systematic benevolence”), werd vanaf circa 1870 het tienden geven als ideaal gepropageerd.

Als gelovigen in oudtestamentische tijden tien procent (of meer) van hun inkomen aan de dienst van God gaven, zouden wij—die dankbaar terugzien op het enorme offer van Christus—dan niet op zijn minst dat geefpatroon willen evenaren? Niet omdat er een tekst in Maleachi is waarmee we bang gemaakt worden, maar omdat we met liefde geven voor een zaak die ons dierbaar is—en omdat ons geven aan de kerk ten diepste een offer is dat wij met liefde aan God willen brengen.

Laten we zuinig zijn op ons stelsel van systematisch geven. Het is een deugdelijk uitgangspunt. Ongetwijfeld zijn er mensen onder ons die meer dan tien procent kunnen geven (en sommigen doen dat ook). Maar als het (tijdelijk) niet lukt om de tien procents norm te halen, dan is God echt wel tevreden met wat voor ons mogelijk is. Uiteindelijk is het niet de hoogte van onze gift maar onze motivatie die voor hem telt (Marcus 12:41-44).

Misschien moeten het onderwerp van de tienden eens opnieuw onder de loep nemen en tienden geven niet zien als een plicht, maar als een voorrecht.