Monthly Archives: November 2018

Winnen is niet het belangrijkst

In mijn vorige blog maakte ik melding van de onlangs gehouden Belgisch-Nederlandse predikantenvergadering over het thema “Geweld en Geweldloosheid” en daar ik wil nog even op terugkomen. Een lezing van een Belgische collega ging over Dr. Martin Luther King, een van de grote pioniers van geweldloos verzet. Hij maakte van King geen heilige en noemde ook de zwakke kanten van deze voorvechter van de rechten van de zwarte bevolking in de USA, die in 1968 werd vermoord.

Tijdens deze lezing projecteerde de spreker een dia van de “tien geboden van geweldloosheid” die Dr. King had opgesteld. Omdat ik een beetje met mijn tijd meega nam ik snel een foto van het scherm, zodat ik me later gemakkelijker de exacte woorden zou kunnen herinneren. Als gebod nummer twee noemde dr. King: “Bedenk ten allen tijde dat de beweging van geweldloosheid in Birmingham (USA) streeft naar gerechtigheid en verzoening en niet naar een overwinning.”

Uit de lezing is me dit punt vooral bijgebleven. Als we in een conflict verwikkeld raken willen we graag uiteindelijk als winnaar uit de bus komen. Wanneer we een rechtszaak aanspannen willen we in het gelijk gesteld worden en het proces winnen. Als we ruzie hebben met iemand anders rusten we vaak niet voordat de ander toegeeft dat hij/zij ongelijk heeft. Als landen met elkaar in oorlog geraken gaat het er natuurlijk om dat de vijand het onderspit delft. Dat kan enorm kostbare gevolgen hebben. Een paar dagen geleden werden we daarbij weer eens bij bepaald tijdens de herdenkingen van het einde van de Eerste Wereldoorlog, nu een eeuw geleden. Tijdens die verschrikkelijke oorlog ging het om de overwinning, wat het ook zou kosten, terwijl verzoening en gerechtigheid een aantal jaren lang ver te zoeken waren.

De woorden van Martin Luther King zijn heel terecht. Hoe kunnen we conflicten tot een goed einde brengen door de nadruk te leggen op gerechtigheid en verzoening, in plaats van alleen maar op de overwinning?  Is het bijvoorbeeld ook mogelijk om bij het kerkelijk conflict over de rol van vrouwen in de kerk ons niet langer vooral af te vragen wie hierbij de overwinning kan behalen? Deze controverse dreigt immers zozeer uit de hand te lopen dat velen vrezen dat het een wereldwijde scheuring in de kerk zou kunnen opleveren. Is het mogelijk om met alle mogelijke middelen te streven naar verzoening en naar een vorm van gerechtigheid die voor alle partijen aanvaardbaar is? Zouden ook de leiders van de Generale Conferentie bereid kunnen zijn om naar verzoening en gerechtigheid te streven in plaats van de zaken steeds verder te laten escaleren en “compliance” af te dwingen? Ook als dat voor een van de partijen of voor beide partijen betekent dat ze niet een algehele overwinning kunnen behalen?

Martin Luther King’s woorden kunnen ook in plaatselijke gemeenten van toepassing zijn als twee of meer partijen met elkaar overhoop liggen. Helaas is dat (voor zover ik weet) in een aantal Adventgemeenten in Nederland het geval. En ik vrees dat dit ook in andere landen op allerlei plaatsen een trieste realiteit is. Laten de partijen denken aan de woorden van dr. King, dat het niet het belangrijkst is dat ze zich op een overwinning kunnen beroemen, maar dat het moet gaan om gerechtigheid en verzoening. Als puntje bij paaltje komt is dat de weg van Christus.

 

Het terugdraaien van eerdere beslissingen

Deze afgelopen week hield de Belgisch-Luxemburgse Federatie van Adventkerken een tweedaagse studiebijeenkomst in Nederland. Ook Nederlandse predikanten waren uitgenodigd. Ik was blij dat ik er ook bij kon zijn. Sinds ik enkele jaren geleden mijn emeritaat gedurende ongeveer 18 maanden onderbrak om in te vallen als tijdelijke voorzitter van deze conferentie, vind ik het altijd fijn om mijn Belgische collega’s weer eens te ontmoeten. Het thema van deze studiedagen was het onderwerp  “Geweld en Geweldloosheid”. Een aantal van de presentaties gingen over bijbelse aspecten en andere bepaalden ons bij historische ontwikkelingen, terwijl de laatste lezing inging op de vraag hoe we in de kerk met verbaal en niet-verbaal geweld zouden kunnen omgaan. Mij was gevraagd een historisch overzicht te geven van hoe de Adventkerk zich door de jaren heen heeft opgesteld tan aanzien van militaire dienst en met name in te gaan op onze lange traditie om het dragen van wapens te weigeren.

Ik had heel wat uurtjes gestopt in de voorbereiding voor mijn lezing, omdat het een gebied is waarop ik bepaald geen expert ben. Onze kerk werd georganiseerd (in 1863) tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. De kleine kerkgemeenschap van slechts enkele duizenden leden moest beslissen hoe zij met deze situatie moest omgaan. Hoewel het standpunt van de leiders in eerste instantie nogal ambivalent was, kunnen we toch wel stellen dat er vanaf het eerste begin in de Adventbeweging een ruime mate van consensus was dat christenen loyaal moeten zijn ten aanzien van hun overheid maar dat gehoorzaamheid aan goddelijke regels op de eerste plaats komt. Dat betekent dat werk op de sabbat (ook in het leger) vermeden moet worden en dat we ons moeten houden aan het zesde gebod dat ons verbiedt om andere mensen te doden. Op veel plaatsen in de wereld, en vooral in de Verenigde Staten, heeft zich echter een aanzienlijke verschuiving voorgedaan en vandaag de dag is het kiezen voor een militaire loopbaan voor veel jonge adventisten een goede optie. Ik vind het jammer dat op die manier een belangrijk stukje adventistisch erfgoed teloor is gegaan.

Bij de voorbereidingen voor mijn lezing werd ik vooral getroffen door twee interessante feiten die regelrecht verband houden met de huidige problematiek binnen de Adventkerk. In de eerste plaats is er de vraag of beslissingen die tijdens een Generale Conferentie zijn genomen in bepaalde gevallen door het bestuur van de kerk kunnen worden teruggedraaid of terzijde kunnen worden geschoven als men tot de conclusie komt dat die beslissing niet goed was voor de kerk. Tijdens de zittingen van de Generale Conferentie in San Francisco in 1954 werd besloten dat het principe van geen wapens dragen wel zo belangrijk was dat het als een geloofspunt moest worden opgenomen in het Kerkelijk Handboek. Maar dat gebeurde niet. En een paar jaar daarna werd door de bestuurders besloten dat dit ook niet verstandig zou zijn, omdat dit op verschillende plaatsen in de wereld tot grote problemen zou leiden. Hoe interessant! Uit wat destijds gebeurde blijkt dus dat een besluit van een Generale Conferentie in zitting niet altijd onaantastbaar is. Hier hebben we een duidelijk precedent dat een dergelijk besluit later niet werd gehonoreerd. En daarbij is het ook goed om te letten op het gebruikte argument. De gevolgen van het besluit konden bij nader inzien voor sommige regio’s in de wereld dusdanig negatief uitpakken dat het geoorloofd was tegen de wil van de meerderheid  van de afgevaardigden tijdens de Generale Conferentie in te gaan. Zou dit precedent ons misschien kunnen helpen om de beslissing van San Antonio over de inzegening van vrouwelijke predikanten in een ander licht te zien? En zou het misschien het GC bestuur kunnen helpen om gehoor te geven aan het verzoek van de Noord-Amerikaanse Divisie om het “compliance document” dat onlangs tijdens de Najaarsvergadering van de kerk werd aangenomen te herroepen?

In de tweede plaats werd ik bepaald bij het feit dat de verandering in onze houding t.a.v. militaire dienst en t.a.v. het dragen van wapens had plaatsgevonden zonder dat er enige officiële discussie tijdens een Generale Conferentie of Najaarsvergadering aan te pas was gekomen. Het was simpelweg een geleidelijke ontwikkeling. Het gaat er nu even niet om of ik het in dit geval een goede ontwikkeling vind. Waar het om gaat is dat kennelijk de kerk haar standpunten niet altijd vastlegt of heroverweegt door middel van een formeel wereldwijd debat en een stemming tijdens een Generale Conferentie zitting. Sommige dingen maken gewoon een ontwikkelingsproces door—ook al is dat niet overal op dezelfde manier en met dezelfde snelheid. Zou het niet goed zijn als de kerk ook dit proces van het inzegenen van vrouwelijk predikanten gewoon zijn gang zou laten gaan en zou aanvaarden dat dit proces niet overal in de wereld op dezelfde manier en met dezelfde snelheid zou verlopen? Dergelijke ontwikkelingen op andere terreinen hebben zich al vaker voorgedaan zonder dat de wereldwijde eenheid van de kerk daardoor in gevaar is gekomen.

Tijdens de recente Najaarsvergadering van het wereldbestuur van de kerk in Battle Creek was er veel aandacht voor de geschiedenis van onze kerk (soms op een nogal bizarre manier). Maar deze aandacht voor ons verleden was erg selectief. Ik zou er bij de kerkelijke leiders op willen aandringen dat zij ook eens naar het verleden zouden moeten kijken ten einde inspiratie op te doen om wegen te vinden die ons uit het huidige drijfzand  kunnen halen waarin de kerk momenteel steeds dieper dreigt weg te zinken.

 

Honger

Terugkerend van mijn preekbeurt afgelopen zaterdag luisterde ik via de autoradio naar een uitgebreid interview met de schrijfster van een onlangs uitgegeven boek over de lange-termijn gevolgen van honger. Tessa Rosenboom werd geïnterviewd naar aanleiding van het project waarover het boek rapporteert, dat zij samen schreef met Ronald van de Knol en dat is uitgegeven door Atlas/Contact. De titel van hun boek is: Baby’s van de Hongerwinter: de onvermoede erfenis van ondervoeding.

De winter van 1944-45 was ongewoon streng. Daardoor ontstonden tijdens de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog, toen ook de normale voedselaanvoer in belangrijke mate was geblokkeerd, enorme problemen. Vooral in het Westen van het land konden veel mensen heel moeilijk aan voldoende eten komen en moesten zij zich vaak tevreden stelen met het eten van bloembollen en suikerbieten. Rosenboom en haar team begonnen een breed, twintig jaar durend, onderzoek naar de vraag of de omstandigheden van deze verschrikkelijke winter een negatief gevolg hebben gehad voor de kinderen die tijdens de hongerwinter werden verwekt of geboren. Zij ontdekten dat met name de prenatale periode van grote invloed was. De ongeboren kinderen van moeders die onvoldoende of onvolwaardige voeding kregen tijdens hun zwangerschap hadden gemiddeld in hun latere leven meer gezondheidsklachten dan de gemiddelde bevolking. Zij leden vaker aan hart- en vaatziekten, en hadden ook aanzienlijk meer last van depressies en stress, terwijl—verrassend genoeg—ook hun hersenen vaak kleiner waren. Bij de studie waren enkele honderden personen betrokken van wie de geboortegegevens in het archief van een Amsterdams ziekenhuis bewaard waren gebleven. (Ik moet mijzelf gelukkig prijzen dat ik, hoewel ik de hongerwinter als een kleuter heb meegemaakt, twee jaar daarvoor was verwekt en geboren!)

In het interview werd er de nadruk op gelegd dat deze studie niet alleen van historisch belang is, maar ook een dringende waarschuwing vormt dat honger niet alleen een tijdelijke impact heeft op de lichamelijke ontwikkeling maar ook heel ernstige lange-termijn gevolgen heeft. Op dit moment zijn er wereldwijd grote aantallen zwangere vrouwen die geen adequate voeding krijgen en zijn miljoenen kleine kinderen chronisch ondervoed. We behoeve maar te denken aan het door oorlog verscheurde Jemen, waar de voedselvoorraden vaak niet verder komen dan het vliegveld of de haven en de miljoenen mensen die in nood verkeren niet bereikt. Wat betekent dat voor de toekomst van miljoenen mensen en voor de toekomst van dat land? (Ik lees de berichten over Jemen altijd met extra interesse sinds ik, nu al weer zo’n twintig jaar geleden een reis van ongeveer tien dagen naar Jemen maakte om een aantal ADRA-projecten te bezoeken.)

Nu kunnen we ons er gemakkelijk vanaf maken door te zeggen dat de voedseltekorten en de grootschalige ondervoeding heel vaak rampen zijn die mensen direct of indirect hebben veroorzaakt. Maar ook al hebben degenen die in andere delen van de wereld wonen geen aandeel in het veroorzaken van deze catastrofes, toch wordt ons toch door diverse NGO’s gewoonlijke gevraagd om onze financiële contributies. Ik verwacht dat we ook binnenkort wel weer een televisieactie zullen krijgen om de ramp in Jemen te bestrijden. Velen vragen zich af: Moeten wij altijd maar weer klaar staan om tons portemonnee te trekken als mensen het slachtoffer worden van toestanden die het gevolg zijn van de onderlinge strijd van diverse partijen in de betreffende landen? Het is wellicht begrijpelijk dat er van tijd tot tijd sprake is van donor-moeheid.

En toch kunnen we onze verantwoordelijkheid niet ontlopen als, om welke reden dan ook, mensen honger lijden. Gewoonlijk hebben degenen die de gevechten veroorzaken en elkaar bestrijden wel genoeg te eten, maar zijn onschuldige burgers, en vooral kinderen, het slachtoffer. En laten we niet vergeten dat zelfs in onze westerse wereld vol voorspoed veel mensen niet voldoende te eten hebben en onze hulp nodig hebben. Christus maakte heel duidelijk dat Hij naar ons toe komt in de gedaante van de hongerigen van deze wereld en dat we, wat we doen om het lot van deze mensen te verlichten, in feite voor Hem doen!