Author Archives: Reinder

“Fake” nieuws

Geschiedschrijving is nooit helemaal objectief. Wie over het verleden schrijft moet altijd een keuze maken uit de feiten en bekijkt die feiten onvermijdelijk vanuit een bepaald perspectief. Trouwens, wie die beschrijving vervolgens leest doet dat ook weer door een bepaalde bril. Wie zich in het verleden verdiept doet er daarom goed aan zo mogelijk diverse bronnen te raadplegen.

Het feit dat geschiedschrijving altijd een mate van subjectiviteit heeft betekent echter niet dat het daarom in orde is om bewust de feiten te verdraaien of om bewust zo te selecteren dat een geheel vertekend beeld wordt gegeven van wat er destijds gebeurde. Als dat gebeurt is er sprake van geschiedvervalsing en dat is een kwalijke zaak.

Maar ook als we het heden proberen te beschrijven is een mate van subjectiviteit niet te vermijden. Er gebeurt zoveel om ons heen dat we ook in dit geval de elementen moeten selecteren die we in onze beschrijving willen (of kunnen) meenemen. Bovendien speelt ook hier het perspectief van waaruit we de dingen bezien een belangrijke rol. Het maakt meestal nogal wat uit of we politiek meer aan de rechterkant van het politieke spectrum zitten of meer aan de linkerkant. Ook aspecten als gender en etniciteit, cultuur en religie, beïnvloeden onze visie op gebeurtenissen in de wereld veraf en dichtbij.  Maar er is sprake van “fake” nieuws als er een bewuste poging wordt gedaan om relevante feiten te verzwijgen en de dingen zo aan te dikken en in te kleuren dat er een geheel onjuist beeld ontstaat, met de bedoeling mensen te misleiden en door middel van “fake” informatie hen zo te beïnvloeden dat bepaalde vooropgezette doelstellingen worden bereikt. Helaas is deze manier van berichtgeving en communicatie in het Trump-tijdperk een veel voorkomend verschijnsel geworden.

De processen die bij beschrijving van het verleden en bij reportage van dingen uit het heden spelen beperken zich niet tot de wereld van de algemene media (inclusief de sociale media), maar zien we ook elders. Ook in de kerkelijke wereld is het heel moeilijk om echt objectief te zijn.  Ik herinner mij een uitspraak van een theologie-docent aan Andrews University in het midden van de jaren 1960 over het officiële orgaan van de wereldwijde Adventkerk: De Adventist Review and Sabbath Herald. (De naam is sinds geruime tijd ingekort tot Adventist Review.) Deze docent zei dat een trouwe lezer van dit kerkelijk tijdschrift wel tot de conclusie moest komen dat alles in de kerk altijd goed gaat en dat er binnen de kerk alleen maar goede dingen gebeuren en er nooit iets fout gaat. Ik keek destijds nogal op van die uitspraak, maar moest hem, na even nadenken, wel gelijk geven. Inmiddels is er gelukkig veel verbeterd. Het omgaan met de geschiedenis van de kerk is geleidelijk aan een stuk professioneler en kritischer geworden. De kerkelijke pers van nu is weliswaar nog steeds heel vaak in een hallelujastemming maar gaat toch niet systematisch alle problemen en uitdagingen uit de weg. Toch blijft het raadzaam om diverse bronnen te raadplegen en media zoals Spectrum en Adventist Today zijn een welkome (en noodzakelijke) aanvulling op de kerkelijke berichtgeving. Helaas wordt er ook tegenwoordig nog wel eens over bepaalde problemen en tendensen gezwegen of wordt (bewust?) een zó eenzijdig beeld geschetst dat je moet zeggen dat er sprake is van ‘fake” nieuws.

Het is natuurlijk tamelijk gemakkelijk om beschuldigend naar anderen te wijzen en te vergeten dat we ons ook allemaal individueel wel eens schuldig kunnen maken aan het verspreiden van “fake’ nieuws. Natuurlijk zijn we subjectief in onze verhalen over wat we hebben meegemaakt en in hoe we over andere mensen en groepen praten. We hebben allemaal onze eigen achtergrond die onze mening kleurt en vaak beschikken we niet over alle feiten. Daarom is het meestal ook niet verstandig om op één versie van een verhaal af te gaan. Het wordt echter een heel kwalijke zaak als we bewust ons verhaal een bepaalde kleur geven om anderen te misleiden. Het is goed om daar af en toe eens bij stil te staan en onszelf steeds kritisch af te vragen of we ons niet (bewust of onbewust) soms schuldig maken aan het verspreiden van “fake” nieuws.

Het kwaad durven benoemen

Een van de Facebookgroepen die ik tamelijk geregeld volg wordt gevormd door adventistische predikanten (Adventist Professional Ministers). Een paar dagen geleden startte Dr. Nicholas Miller, (een docent aan Andrews University met een achtergrond in theologie en recht),  een discussie over de vraag hoe predikanten op de kansel de morele dilemma’s die momenteel in de Verenigde Staten aan de orde zijn op een profetische manier aan de orde kunnen stellen, zonder dat zij de scheiding tussen kerk en staat geweld aandoen. Wie in de VS immers thema’s als de schrijnende ongelijkheid tussen rijk en arm, de dreiging van toenemende islamitische invloed, rassenhaat en het vluchtelingenvraagstuk aansnijdt (om nog maar te zwijgen van vuurwapenbezit, de LGBTI-issue  en klimaatverandering), komt onvermijdelijk op terreinen die Democraten en Republikeinen sterk verdeeld houden. In veel gevallen heeft een Amerikaanse predikant mensen onder zijn gehoor die grote bewonderaars zijn van Donald Trump, terwijl anderen de huidige president een enorm gevaar vinden voor de toekomst van Amerika en misschien zelfs voor de gehele wereld. Ook de leden van de Adventkerk zijn in de Verenigde Staten op al deze terreinen sterk gepolariseerd. Uit ervaring weet ik zo langzamerhand wel dat ik bij bezoeken aan de VS (en te midden van adventisten) heel voorzichtig moet zijn met kritiek op de president, want die valt lang niet altijd in goede aarde. En tot mijn niet geringe verbazing ontmoet ik zelfs bij vrienden die ik heel erg waardeer een grote weerstand tegen een type ziektenkostenverzekering, die in diverse Europese landen al tientallen jaren op een bevredigende manier voor een dekking zorgt voor alle inwoners.

Maar laat ik allereerst iets zeggen over de scheiding tussen kerk en staat, want al snel hoor je, als er vraagstukken met een politiek aspect aan de orde komen, de opmerking dat staat en politiek volstrekt gescheiden moeten blijven.  Er zijn verschillende manieren waarop de relatie tussen kerk en overheid kan worden geregeld. Belangrijk is dat elk in hun eigen sfeer volwaardig kunnen opereren en dat alle geloofsgemeenschappen in principe dezelfde rechten en plichten hebben. In de VS claimt men vaak dat er een totale scheiding moet zijn tussen kerk en staat, maar als Europeaan vraag ik me dan wel af waarom ik, als ik in de VS naar een kerk ga, altijd een nationale vlag op het podium zie, en verbaas ik mij erover dat de president elke rede van enige betekenis af mag sluiten met ‘God bless America’. En waarom houden Amerikaanse leiders regelmatig ‘prayer breakfasts’ en heeft de Senaat een geestelijk verzorger? En zo zijn er meer voorbeelden te noemen die bij mij vreemd overkomen.  Trouwens, de huidige nauwe contacten tussen de president en sommige evangelische leiders staan toch ook wel haaks op een volledige scheiding tussen kerk en staat. Of zie ik dat helemaal verkeerd?

Maar dat alles even terzijde en terug naar de profetische rol van de predikant op de kansel. Onze studie van het sabbatschoolthema van dit kwartaal herinnert ons aan de profetische rol van alle volgelingen van Christus en dus zeker van de leiders, op alle niveaus en in de eerste plaats op lokaal niveau. Als er sprake is van onrecht en van kwaad moet daar in het licht van het evangelie wat van gezegd worden. Een christen moet protesteren tegen het kwaad in de maatschappij en zal al het mogelijke doen om te helpen dat kwaad te keren.

Dat geldt niet alleen voor de Verenigde Staten. Ook in Nederland zijn er racistische tendensen en ziin rechts-radicale groepen actief die islamofoob en/of homofoob zijn, of soms daarbij ook nog antisemitisch. Ook in Nederland is de welvaart ongelijk verdeeld (niet zo sterk als in de VS, maar toch . . .). Ook in Nederland zijn er—ook onder mensen die trouw naar de kerk gaan—helaas velen die niets van vreemdelingen moeten hebben en het liefst alle hulp aan ontwikkelingslanden zouden stoppen. Hoe moet ik mij opstellen als predikant? Ik zal moeten proberen het evangelie te vertalen naar de concrete situatie van de maatschappij waarin in leef. Ik zal het kwaad moeten benoemen, ook al is het duidelijk dat ik mij daarbij keer tegen bepaalde politieke partijen en opinieleiders. Ik weet dat ik daarbij een deel van de kerkleden tegen de schenen stoot—of ik bepaalde politieke bewegingen of personen nu wel of niet met name noem. Dat kan in extreme gevallen er misschien toe leiden dat sommigen de kerk de rug toekeren of in elk geval niet meer naar mijn preken willen komen luisteren. Toch kan mij dat er niet van weerhouden om de waarden van Gods koninkrijk luid en duidelijk te blijven verkondigen. In een steeds meer gepolariseerde omgeving is dat een enorme uitdaging. Misschien komt er de beschuldiging dat de scheiding tussen kerk en staat geweld wordt aangedaan. Het zij zo. Stil blijven als haat wordt gepredikt en bevolkingsgroepen worden gediscrimineerd, als rijken steeds rijker en armen steeds armer worden en als mensen in de marge grootschalig worden genegeerd, is geen optie als we Gods Woord serieus nemen op het punt van naastenliefde en recht en gerechtigheid. Ik wens mijn collega’s overal, maar met name in de Verenigde Staten, veel moed en wijsheid van boven toe.

Als een zap’er tussen twee klussen

Ik voelde me de afgelopen paar weken een beetje als een zzp’er die tussen een aantal klussen in zit. Een pittig karwei is klaar en er valt even een pause voor ik binnenkort weer met wat nieuws ga beginnen.

Na geruime tijd intensief bezig te zijn geweest met het FACING DOUBT project (Nederlandse editie: GAAN of BLIJVEN?) was ik de afgelopen twaalf maanden, tussen alle andere activiteiten door vooral, bezig met het schrijven van twee nieuwe boeken. Als alles volgens plan verloopt zullen ze allebei rond het einde van deze maand verschijnen.

I HAVE A FUTURE: Christ’s resurrection and mine verschijnt bij Stanborough Press: de adventistische uitgeverij in Engeland. Toen ik met het plan kwam om een boek over dit onderwerp te gaan schrijven, was men daarvoor direct enthousiast. Er is over het thema van dood en opstanding sinds geruime tijd binnen de Adventkerk nauwelijks wat geschreven. Er is, zo zei men, duidelijk behoefte aan iets nieuws. Maar het zou wel fijn zijn als ik het thema op een frisse manier zou kunnen behandelen en zó zou schrijven dat het ook niet-adventisten zou kunnen aanspreken. Ik heb mijn best gedaan en naar het oordeel van de mensen van Stanborough Press en andere mensen die het manuscript hebben gelezen, ben ik daar wel in geslaagd.

De marketing afdeling van de uitgeverij wil het boek niet alleen in de thuismarkt en in West-Europa promoten, maar ook met name ook in Engelstalig Afrika en in de Engelstalige landen in Midden-Amerika. De boeken van Stanborough Press komen daarnaast ook in de adventistische boekhandels in Noord-Amerika en Australië en men hoopt dat er ook belangstelling zal zijn bij de christelijke boekhandels in het Verenigd Koninkrijk. Men verwacht dat er vertalingen in andere talen zullen volgen. Een Nederlandse versie heb ik inmiddels ingeleverd bij de mensen op het hoofdkantoor van de Nederlandse Adventkerk die beslissen over nieuwe kerkelijke publicaties. Inmiddels wordt de eerste oplage van het boek gedrukt in Belgrado. De Adventkerk beschikt daar over een moderne drukkerij die nog steeds kan leveren tegen concurrerende prijzen. Al met al een spannend avontuur.

Het tweede boek dat eind deze maand verschijnt heb ik in het Nederlands geschreven. Ik stuurde het manuscript enkele maanden geleden toe aan Uitgeverij Boekencentrum, de christelijke uitgever die onlangs met enkele andere christelijke uitgevers is gefuseerd. Na het beoordeeld te hebben werd besloten het boek uit te brengen onder de gezamenlijke imprint van Boekencentrum en Boekscout. Dat betekent dat het geproduceerd zal worden via het printing-on-demand principe (geen voorraad, maar steeds drukken wat er wordt besteld), maar dat het samen met de andere boeken van Boekencentrum ook in de Nederlandse boekwinkels wordt aangeboden.

De titel van het nieuwe boek is: Christelijk Denken en Doen: Geloof geeft je leven richting. In dit boek probeer ik mij te richten tot christenen in Nederland in het algemeen. Ik maak er echter bepaald geen geheim van dat ik een zevendedags adventist ben en dat ik vanuit dat perspectief schrijf. Ik probeer op basis van mijn specifieke christelijke traditie in ca. 200 bladzijden uit de doeken te doen hoe je geloof en wat je in de Bijbel kunt vinden je richting geeft bij het maken van je keuzen op allerlei terreinen van het leven, of het nu gaat om keuzes t.a.v. van politiek of beroep, je voedingspatroon of tijdsbesteding, vragen rond oorlog en vrede, recht en gerechtigheid, of ‘issues’ t.a.v. levensbegin en levenseinde. Ik ben natuurlijk erg benieuwd hoe het boek zal ‘landen’? Zal mijn adventistische vertrekpunt misschien toch velen afschrikken? Of zullen adventistische lezers daarentegen mij misschien te vaag vinden?

Het ligt wel voor de hand dat ik binnenkort wel weer aan een nieuw boek zal beginnen. Ik heb al wel een paar voorlopige ideeën, maar ik neem even de tijd om die te laten uitkristalliseren. Intussen heb ik deze week maar eens even een paar dagen besteed aan het grondig opruimen van mijn werkkamer en om enkele klusjes in huis te doen. En laat niemand zich zorgen maken: Er zijn nog steeds voldoende andere activiteiten om ervoor te zorgen dat ik me niet verveel.

 

Problemen van een predikant

Terwijl j.l. dinsdag de buitentemperatuur al behoorlijk opliep bleef mijn studeerkamer redelijk koel—koel genoeg om aan een nieuwe preek te werken. Al een paar weken broedde ik op het idee om een preek te schrijven over de dwaasheid van de pas bekeerde christenen in Galatië die zich in de war lieten brengen door lieden die hen er (met succes) van probeerden te overtuigen dat we zelf ook het een en ander moeten doen om behouden te worden en het niet enkel en alleen van Christus mogen verwachten. Paulus pakte de Galaten hard aan. Zij hadden het evangelie van sola gratia opzij gezet door de boodschap van bepaalde lieden te accepteren dat je niet behouden kunt worden als je je niet aan bepaalde regels houdt. Helaas is die wetticistische benadering nog steeds een gevaar voor  christenen van vandaag de dag—en met name voor adventistische christenen.

De preek voor mijn eerstvolgende preekbeurt is dus weer klaar. Soms houd ik een preek maar één keer. Als ik het gevoel heb dat de boodschap niet is overgekomen gaat de preek weer snel naar de digitale prullenbak. Maar als ik denk dat de boodschap wel ‘geland’ is, houd ik hem meestal een aantal keren en hoop ik maar dat er geen mensen zijn die tussen verschillende gemeenten pendelen en dan dezelfde preek te horen krijgen.

Werkend aan mijn preek moest ik plotseling denken een het rijmpje dat o.a. te vinden is op een muur in het museum van Schokland:  “De dominee uit Urk, die zou in Schokland preken. Door ’t razen van de zee, was hij zijn tekst vergeten.”

Het moet destijds een hele onderneming zijn geweest om vanuit Urk op Schokland te gaan preken. Hemelsbreed is het misschien maar 10 of 12 kilometer, maar voordat er polders in de vroegere Zuiderzee werden gemaakt waren zowel Urk als Schokland eilanden en kon je daar alleen per boot komen. Doordat het op de Zuiderzee behoorlijk kon spoken was dat soms een avontuurlijke onderneming. De dominee uit Urk had dat ondervonden. En door ‘het razen’ van de zee was hij vergeten waarover hij zou gaan preken. Kennelijk had hij de gave om vanuit een bepaald tekstgedeelte  uit het hoofd te kunnen preken, zonder dat er papier aan te pas hoefde te komen. Maar nu was hij vergeten waarover hij wilde gaan preken . . .

Ik heb die gave niet om uit het hoofd te kunnen preken. Ik maak heel uitgebreide aantekeningen of schrijf zelfs mijn preken bijna woordelijk uit. Dat betekent dat ik altijd negen of tien velletjes A5 bij mij heb. Het is mij gelukkig nog nooit overkomen dat ik mijn preek thuis op mijn bureau had laten liggen. Wel is het mij een keer gebeurd dat ik al op het podium was van de kerk waar ik zou preken en bij het zingen van het ‘tussenlied’ ontdekte dat mijn preek nog in de auto lag. Gelukkig stond die direct voor de kerk geparkeerd en kon ik de preek nog halen voordat de laatste regel van het laatste couplet was gezongen. (Vermoedelijk hebben de kerkgangers gedacht dat ik even een sanitaire noodstop moest maken.) Dit is mij dus nooit meer overkomen! Ik check en dubbel-check nu altijd dat de preek voorin mijn Bijbel ligt!

Ook is het mij ooit overkomen dat mijn stapeltje A5-velletjes op de een of andere manier door elkaar was geraakt en ik ze al prekend in de juiste moest zien te krijgen. Dat was behoorlijk lastig. Na die ervaring heb ik er wel voor gezorgd dat mijn blaadjes altijd genummerd zijn. De velletjes van de Galaten-preek zijn dan ook keurig genummerd van 1 tot 10!

Een uitnodiging

Op woensdagmorgen werd er aangebeld. Aangezien wij in een apartementsgebouw wonen moeten bezoekers en bezorgers zich eerst melden voordat zij het gebouw binnen kunnen komen. Vanuit onze woning kunnen we dan besluiten of we iemand toelaten tot het gebouw en toestemming geven om naar onze voordeur op de tweede verdieping te komen. De aanbellers van deze morgen waren twee dames. Ze hadden een simpel verzoek: Vond ik het goed dat ze een folder in onze brievenbus zouden doen over een congres over het thema liefde dat binnenkort gehouden zou worden. Keurig dus: want er is een sticker bij onze brievenbus die zegt dat we wel de plaatselijke krantjes willen ontvangen maar geen reclamedrukwerk.

Ik vond het goed dat zij het foldertje in onze brievenbus zouden doen. En wat ik al dacht bleek inderdaad te kloppen. De dames waren jehovah’s getuigen. En het foldertje was een uitnodiging om op 2, 3, en 4 augustus naar de Utrechts Jaarbeurshallen te komen om daar een congres te komen bijwonen van het Wachttorengenootschap.

Ik houd het niet nauwkeurig bij hoe de ‘jehovah’s’ te werk gaan bij hun ‘getuigen’. Maar een paar dingen zijn mij wel opgevallen. De opdringerige tactiek met de spreekwoordelijke ‘voet tussen de deur’ is beslist iets van het verleden. En het ‘getuigen’ op straat heeft ook een nieuwe vorm gekregen. In een aantal landen zag ik hoe men tegenwoordig een handige opvouwbare metalen standaard heeft waarop de publicaties kunnen worden uitgestald. En ik heb daarbij de indruk gekregen dat het publiek pas benaderd wordt als er enige belangstelling wordt getoond. En als ik zo af en toe eens een exemplaar van de ‘Wachttoren’ of een ‘Ontwaakt’ in handen krijg, valt het me op dat de titels van de artikelen heel gematigd van toon zijn en veel van het alarmistische van vroeger allengs kwijt zijn geraakt. Ook het foldertje dat ik in de bus kreeg maakt geen melding van Armageddon of andere vreselijke dingen die op het punt staan te gebeuren.

De vraag is natuurlijk hoe succesvol de ‘getuigen’ momenteel zijn in het rekruteren van nieuwe leden. Het is moeilijk om exacte cijfers te achterhalen. Maar volgens een site die mij redelijk objectief lijkt (https://wachttorenkijker.wimdegoeij.nl/jehovahs-getuigen-statistieken/) waren er in 2015 ruim 29.500 leden en dat was ongeveer 1.500 minder dan in 1995.  Over 2015 was er een groei van 15 leden, terwijl in 2016 het ledental met 18 terugliep.

Ik vond en vind het altijd vervelend als adventisten en jehovah’s getuigen in een adem worden genoemd. Gelukkig is dat steeds minder het geval en is het besef sterk toegenomen dat adventisten een protestantse geloofsgemeenschap zijn in plaats van een sekte. Veel jehovah’s getuigen zijn ongetwijfeld oprechte gelovigen. Hun ijver voor de verbreiding van hun overtuiging is wel minder dan vroeger, maar nog steeds een voorbeeld voor veel ‘main-line’ christenen. Het feit dat zij naar nieuwe methoden zoeken om leden te werven is prijzenswaardig. Elke beweging die dat nalaat plukt daarvan de wrange vruchten.

Als zevendedags adventist zie ik natuurlijk ook graag dat de kerk waartoe ik behoor blijft groeien. Ik betwijfel of we daarbij terug moeten naar vroeger en ook weer ‘langs de deuren’ moeten gaan of folders moeten uitdelen.  (Als er al op grootschalige manier folders moeten worden verspreid, dan kunnen we dat uitstekend overlaten aan Post.NL of Sand.) Ik betwijfel ook of grote congressen veel nieuwe contacten zullen opleveren. We zullen wel nooit te horen krijgen hoeveel niet-jehovah’s het congres in Utrecht zullen bezoeken. Misschien zal het congres veel ‘getuigen’ inspireren maar of het tot ledenaanwas leidt, ik betwijfel het.  En of de nieuwe wijze van het presenteren van publicaties veel zoden aan de dijk zet? Ook dat betwijfel ik.

Adventisten moeten ook blijven zoeken naar nieuwe manieren om met de wereld om hen heen te communiceren. Maar ik herhaal wat ik in een vorige blog heb gezegd: De grootste prioriteit is om een warme en open geloofsgemeenschap te zijn die mensen samenbindt—een gemeenschap die uitstraalt dat men daar wat belangrijks te zeggen geeft dat het leven rijker maakt. De reacties die ik via allerlei kanalen op mijn blog van vorige week kreeg onderstreepten de droeve realiteit dat we op dat punt in heel veel plaatsen nog een lange weg hebben te gaan.