Author Archives: Reinder

Hemel

In het boek van Hans Buddingh over De Geschiedenis van Surinamelas ik ooit iets wat me steeds is bijgebleven, ook al is het een aantal jaren geleden dat ik het boek las. De slaven werden vaak heel slecht behandeld en velen overleefden hun straffen niet. Maar volgens sommige berichten waren ze niet bang voor de dood, want ze geloofden in een hiernamaals waar ze door blanken zouden worden bediend! Als je slaafs onderworpen bent aan de luimen van blanke meesters ligt het voor de hand dat je ultieme verlangen is dat eens de rollen omgedraaid zullen zijn. Dat zou een paradijselijke toestand zijn!

Voor islamstrijders, die zich tijdens hun inzet voor het ware geloof veel moeten ontzeggen, is de paradijselijke vergoeding voor al hun lijden dat zij straks, na hun dood, kunnen beschikken over een flink aantal aantrekkelijke maagden.

Voor de oudtestamentische profeet Jesaja was er geen betere toekomst denkbaar dan de tijd dat men van de vruchten kan genieten van de wijngaard die men zelf heeft geplant en het huis dat men voor zichzelf heeft kunnen bouwen. De hemel was dus de plaats waar je niet langer hard moet werken terwijl een ander er de vruchten van plukt!

Voor veel christenen is de hemel de plaats waar ze direct na de dood als onsterfelijke zielen voortleven, in afwachting van de opstanding van hun lichaam. Ik heb dat altijd een heel mistig verhaal gevonden. Waarom heb je nog een lichaam nodig als je ziel toch al bij de Heer jubelt?

Als ik me een beeld van de hemel probeer te maken denk ik altijd onwillekeurig aan het prachtige strand, zo’n vijftien kilometer buiten Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust, waar we ooit ruim vier jaar woonden. Vaak gingen we op zondag naar het palmenstrand. Maar als je er wat verder over nadenkt . . . Voor ons was het onbezorgd genieten, maar of het ook zo leuk was voor de vrouwen die met grote bakken ananassen op hun hoofd langs de (goeddeels blanke) badgasten liepen om hun waar te slijten en zo nog een paar centen te verdienen . . .?

Voor veel bijbellezers geven de laatste twee hoofdstukken van het boek Openbaring een stuk houvast. Daar lezen we over het nieuwe Jeruzalem met zijn straten van goud en zijn paarlen poorten. Als ik eerlijk ben zegt me dat niet zo veel. Maar ja, het is ongetwijfeld een beeld dat mensen zo’n 2.000 jaar geleden moet hebben aangesproken: een ommuurde stad waar het absoluut veilig zal zijn.  Ik word niet blij als ik lees dat er geen zee meer zal zijn. Maar voor mensen die bang waren voor het woeste water was dat een enorme geruststelling.  Het paradijs was voor de lezers in de eerste eeuw een toestand waarin alle angsten voor dingen die het bestaan bedreig zijn weggenomen.

Het probleem met alle menselijke ideeën over de hemel is dat het menselijke voorstellingen zijn. Dat kan ook niet anders. We hebben alleen menselijke beelden tot onze beschikking om over de eeuwigheid te kunnen dromen. Maar we moeten wel beseffen dat eeuwigheid, en alles wat daarmee te maken heeft, categorieën zijn die bij God horen. En daarom schieten onze ideeën per definitie tekort.  Voor Surinaamse slaven van weleer geldt: Door blanken worden bediend mag een ultiem genot lijken, maar het wordt uiteindelijk nog veel beter. En hoe moeilijk ik me dat ook kan voorstellen, de eeuwigheid wordt nog een heel stuk aangenamer dan het strand bij Abidjan.  (En dan ga ik er voorlopig toch maar vanuit dat de mededeling dat er geen zee meer zal zijn een symbolische betekenis heeft.)

Wanneer is de nacht voorbij en wordt het dag?

In mijn blog van deze week wil ik alleen maar een stukje citeren uit een boek dat ik momenteel aan het lezen ben. De titel van het boek is: Thank You for Being Late: An Optimist’s Guide to Thriving in the Age of Accelerations. Het werd geschreven door Thomas L. Friedman, en gerenommeerde columnist van de New York Times. Het boek is het lezen meer dan waard en mogelijk kom ik er in een toekomstig blog nog eens op terug.

Op blz. 388-389 gebruikt Friedman het volgende verhaal om een punt in zijn betoog duidelijk te maken.

Een rabbi vroeg op een dag aan zijn studenten: “Hoe weten we wanneer de nacht voorbij is en het dag is geworden?” De studenten dachten meteen dat zij het belang van die vraag goed hadden begrepen. Want er zijn immers gebeden en rituelen die alleen ’s nachts kunnen plaatsvinden. En er zijn ook gebeden en rituelen die bij de dag horen. En daarom is het dus belangrijk dat we weten wanneer de nacht voorbij is en de dag is begonnen.”

De eerste, en ook de pienterste, van de studenten kwam met zijn antwoord: “Rabbi, als ik over de velden uitkijk en onderscheid kan maken tussen mijn veld en het veld van mijn buurman, dan weet ik dat de nacht voorbij is en het dag is geworden.” Een tweede student kwam ook met een antwoord: “Rabbi, als ik over de velden uitkijk en een huis zie, en ik kan zien dat het mijn huis is, dan weet ik dat de nacht voorbij is en de dag is aangebroken.” Een derde student kwam vervolgens ook mijn een antwoord: “Rabbi, als ik in de verte een dier zie, en ik kan zien wat voor dier het is—een koe of een paard of een schaap—dat weet ik dat de nacht voorbij is en een nieuwe dag is begonnen. En een vierde student kwam vervolgens met nog een ander antwoord: “Rabbi, als ik een bloem zie en ik kan de kleur van de bloem onderscheiden—of die bloem rood, of geel, of blauw is—dan is de nacht voorbij en is de dag begonnen.”

Bij elk antwoord begon de rabbi steeds bedroefder te kijken en verschenen er diepere fronsen op zijn voorhoofd. Tenslotte riep hij: “Nee! Niemand van jullie begrijpt het! Het enige wat jullie doen is scheiding aanbrengen. Jullie kunnen alleen maar dingen van elkaar scheiden. Jullie kunnen alleen maar verdelen. Je onderscheidt je eigen huis van dat van je buurman, je eigen akker van die van je buurman. Je onderscheidt een bepaalde soort dier van een andere soort en een kleur van alle andere. Is dat alles waartoe we in staat zijn—verdelen, scheiden, de wereld in stukken splitsen? Is de wereld al niet genoeg gebroken? Is de wereld al niet genoeg gefragmenteerd? Is dat wat de Thora ons leert? Nee, beste studenten. Zo is het niet. Nee, zo is het helemaal niet!

De studenten keken geschrokken naar het bedroefde gezicht van de rabbi. “Maar rabbi, vertel ons dan hoe we kunnen bepalen wanneer de nacht voorbij is en de dag is begonnen.”

De rabbi keek de strak aan, en met een stem die zowel mild als smekend klonk, antwoordde hij: “Als je in het gezicht van de persoon die naast je staat kijkt en je ontdekt dat deze persoon je broeder of je zuster is, dan is de nacht eindelijk voorbij en is de dag begonnen.”

 

 

Update: wat mij zoal bezig houdt

In mijn blog van deze week wil ik mijn lezers op de hoogte brengen van de stand van zaken ten aanzien van een aantal projecten die mij de afgelopen tijd van de straat hebben gehouden. Ik kijk nu allereerst uit naar een paar weken vakantie in Zweden in augustus, en vooral naar de tijd die we met onze zoon en onze kleinkinderen zullen doorbrengen. Daarna volgen een paar drukke maanden met afspraken in Dublin (Ierland), Belgrado (Servië), Wenen (Oostenrijk), Brisbane (Australië), Riga (Letland) en dan opnieuw in Zweden—met preken, presentaties, workshops, enz. En natuurlijk hoop ik ook hier en daar wat toeristische dingen te doen, oude vrienden te ontmoeten en nieuwe vrienden te maken.

In de afgelopen drie maanden heb ik een flink deel van mijn tijd besteed aan het voorbereiden van preken, lezingen en power point presentaties.  Ik wil graag alles klaar hebben voordat we naar Zweden vliegen en ik denk dat dat gaat lukken. Maar, terwijl ik bezig was met de voorbereidingen voor de evenementen in de komende maanden, zijn een paar schrijfprojecten uit het recente verleden geworden tot concrete boeken.

Tijdens de Europese predikantencongres in Belgrado in de laatste week van augustus zal de Stanborough Press (de adventistische uitgeverij in het Verenigd Koninkrijk) de Engelse vertaling van mijn laatste bijbelse dagboek—met 366 portretten van bijbelse personen—lanceren. De Engelse editie heet: Face to Face. Ik schreef het eerst in het Nederlands en vertaalde het daarna zelf in het Engels. Het zal leuk zijn een eerste gedrukte exemplaar in mijn handen te houden.

Vorige week verscheen mijn nieuwste boek dat gewijd is aan de zgn. Last Generation Theology. Ik ben ervan overtuigd dat de verschillende theorieën die onder deze paraplu schuilgaan heel gevaarlijk zijn, zowel voor de individuele gelovige als voor de kerk. Ik heb geprobeerd het onderwerp in mijn boek op een pastorale manier te benaderen en ik hoop dat de lezers mijn argumenten overtuigend zullen vinden. Het boek heeft als titel meegekregen: In All Humility: Saying No to Last Generation Theology.  Het is uitgegeven door uitgeverij Oak and Acorn in de VS. Het is de bedoeling dat ook een Spaanse editie verschijnt en er zijn plannen voor een Franse en mogelijk een Duitse vertaling. De Engelstalige versie kan besteld worden via Amazon.com. Het boekt telt ca. 200 bladzijden en kost $ 12,99.

Ik verwacht dat nu binnen enkele dagen ook de (Braziliaans-) Portugese editie van mijn boek GAAN OF BLIJVEN: Een Boek voor Adventisten aan de Zijlijn zal verschijnen. De Portugese titel is: Sair our Permanecer?Um livro para Adventistas que lidam com a dúvida. Nadat een aantal mensen in Brazilië (en in Europa) mij lieten weten dat heel veel adventisten in hun land ook baat zouden hebben bij dit boek, heb ik enkele personen gevonden die de vertaling, correctie en redactie op zich wilden nemen. Het boek zal besteld kunnen worden via Amazon.com en ongetwijfeld ook via andere on-line boekverkopers. Maar er blijft nog één grote uitdaging. Hoe kunnen we dit boek het meest effectief promoten in Brazilië en in de Braziliaans/Portugese diaspora? We zullen vooral de sociale media inschakelen, maar elke suggestie (en alle hulp) is welkom.

En dan is er tenslotte een brochure met de titel Basic Alphabet Theology. Het woord ‘alphabet’ verwijst naar de reeks hoofdletters die vaak gebrukt wordt om de LHBTI-gemeenschap aan te duiden. Met deze brochure probeer ik mijn mede-gelovigen te helpen een beter begrip te krijgen van wat het betekent ‘anders’ te zijn en van wat de Bijbel over dit onderwerp zegt. De brochure is uitgegeven en wordt verspreid door The Coracle Project—(Building Safe Places for Everyone) en is verkrijgbaar (of zal dat heel binnenkort zijn) in het Engels, Nederlands, Frans, Duits en Zweeds. Voor meer informatie: buildingsafeplaces@gmail.com

Ik besef dat niet iedereen altijd enthousiast is over wat ik schrijf. Maar het geeft mij een enorme voldoening om een bijdrage te leveren aan diverse discussies en ik ben heel dankbaar dat ik steeds weer van mensen hoor dat zij dat op prijs stellen en dat mijn boeken hen hebben geholpen in hun geestelijke pelgrimage.

En tenslotte: Ik heb zo het vermoeden dat er tijdens mijn vakantie en mijn reizen daarna wel weer een idee voor een volgend boek zal opborrelen.

Zoektocht in het archief

De wereldorganisatie van de Kerk van de Zevendedags Adventisten is recentelijk begonnen aan een aantal ambitieuze projecten. Een groep theologen werkt momenteel aan een nieuw bijbelcommentaar:  het Seventh-day Adventist International Bible Commentary. Het eerste deel (Genesis) is inmiddels verschenen, zodat men een idee kan krijgen hoe het project er uit gaat zien. Alle andere delen zullen tegelijk verschijnen. Ook is het werk begonnen aan een nieuw SDA Bible Dictionary en aan een nieuwe SDA Encyclopedia. Ik heb het verzoek gekregen om een aantal artikelen te leveren voor zowel het bijbels woordenboek als de encyclopedie. Vorige week heb ik drie van mijn vijf artikelen voor het woordenboek ingestuurd, en deze week heb ik gewerkt aan de zes artkelen die ik voor de encyclopedie op me heb genomen.

Bij de voorbereiding van mijn encyclopedie-artikelen heb ik nogal wat tijd doorgebracht in de archieven van de Nederlandse Unie. Ik was op zoek naar bepaalde details van de geschiedenis van “Oud Zandbergen” en vooral van de theologische school en de middelbare school die daar vanaf 1948 tot in de jaren negentig waren gevestigd. Ook zocht ik naar details van de geschiedenis van het uitgeverswerk in Nederland en van de rol van enkele unievoorzitters in het verleden. Sommige dingen waren gemakkelijk genoeg te vinden. In de afgelopen jaren is veel gedaan om het archief van de kerk op orde te brengen. Maar andere zaken vereisten wat meer speurwerk. Ik besloot alle nummers van het kerkblad (Advent, daarvoor: Adventbode) van enkele tientallen jaren na te pluizen en keek vooral naar overlijdensberichten en berichten over specifieke gebeurtenissen. Ik heb heel wat achterhaald, maar ben nog niet klaar met mijn speurwerk .

het doorbladeren van de jaargangen van de periode 1960-2000 was een interessante klus. Tijdens een deel van die periode was ik zelf de eindredacteur van ons kerkblad. Ik was verrast te zien hoeveel artikelen ik in de loop van de tijd voor het blad schreef. Sommige stukken kon ik mij goed herinneren. Van sommige artikelen heb ik kopieën in mijn eigen “archief”, maar het bestaan van andere artikelen was ik volledig vergeten. Het was heel bijzonder om steeds weer namen voorbij te zien komen van mensen die ik ooit kende maar die nu niet langer bij ons zijn. Ik kwam ook het overlijdensbericht tegen van mijn moeder, waarin ik las dat ik bij haar begrafenis iets had verteld over haar leven.

Wat mij het meest trof, terwijl ik door tientallen jaren heenging, was te zien hoeveel dingen exact hetzelfde zijn gebleven. Sommige problemen zijn steeds met ons meegegaan en nooit opgelost. Maar aan de andere kant is het verbazingwekkend te zien hoeveel er wel veranderd is. Nieuwe gemeenten zijn ontstaan, terwijl andere zijn verdwenen. Instituten floreerden, maar beleefden ook moeilijke tijden en moesten soms hun deuren sluiten. Leiders kwamen en gingen. Financieel ‘vette’ jaren werden afgewisseld met financieel ‘magere’ jaren. Ik las de verslagen van de inzegeningen van collega’s die inmiddels overleden zijn of, net als ik, al jaren geleden met emeritaat zijn gegaan. Van tijd tot tijd waren er periodes met theologische onrust—hetzij van eigen bodem of geïmporteerd—die voor verwarring zorgden, maar gewoonlijk verschoof de aandacht dan wel weer naar andere onderwerpen. Nieuwe vormen van evangelisatie vonden gedurende enige tijd bijval, maar bleken gewoonlijk een beperkte houdbaarheidsduur te hebben.

Aan de ene kant stemde deze exercitie mij somber. Ondanks het harde werk van zoveel mensen; ondanks de tientallen miljoenen guldens en euros die in de loop van de jaren werden geofferd en geïnvesteerd; ondanks de vele nieuwe publicaties; ondanks de vaak tomeloze energie van zowel predikanten als gemeenteleden—ondanks dat alles is de kerk in Nederland een heel kleine geloofsgemeenschap gebleven, die na al deze jaren, nog steeds met allerlei problemen worstelt en nauwelijks impact heeft gehad op de maatschappij. Maar, aan de andere kant, gaf deze exercitie moed en hoop. De kerk heeft allerhande moeilijkheden overleefd. Duizenden mensen hebben een geestelijk onderdak gevonden in onze (helaas verre van volmaakte) geloofskring. En hoewel veranderingen vaak op veel protest stootten en meestal heel langzaam tot stand kwamen, waren er wel degelijk heel wat veranderingen. Misschien (zo hield ik mijzelf voor) moet ik toch nog wat meer geduld oefenen. En intussen moet ik mij voor mijn kerk blijven inzetten, ook al zijn er dingen die mij helemaal niet bevallen. Maar dingen kunnen veranderen! Dat is een van de lessen die de geschiedenis van mijn kerk mij heeft geleerd.

Het eeuwig evangelie

Misschien behoort Matteüs 24:14 wel tot de tien bekendste teksten voor zevendedags adventisten: ‘Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de gehele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen’(NBV). Het lijkt een tekst die houvast geeft: Nog even volhouden en actief blijven. Als de mensen overal de boodschap hebben gehoord komt Jezus Christus terug!’

Het lijkt simpel, maar het roept toch wel wat vragen op?  Ik noem er een paar:

  1. Wat is het evangelie (het goede nieuws) dat overal in de wereld moet worden gepredikt? Is het ‘’eeuwig evangelie’ identiek met de boodschap van de drie engelen die ons in Openbaring 14 tegemoet vliegen? En hebben mijn geloofsgenoten gelijk die zeggen dat het ‘evangelie’  gedefinieerd moet worden als de specifieke adventistische vertaling van de bijbelse boodschap?
  2. De vraag die direct uit het voorgaande volgt is: Is de taak om het evangelie aan de wereld te brengen de exclusieve opdracht voor de zevendedags adventisten? Of is het een gezamenlijk project voor alle christenen? Ik ben blij dat mijn kerk al bijna een eeuw geleden duidelijk heeft gemaakt dat dit laatste het geval is. In het dikke boek met de regelgeving voor de internationale Adventkerk (Working Policy) wordt onomwonden gezegd: ‘Wij erkennen die organisaties die de mensen op Christus wijzen als deel van het goddelijk plan om de gehele wereld met het evangelie te bereiken, en hebben grote achting voor mannen en vouwen in andere geloofsgemeenschappen die zielen voor Christus winnen . . .’(Policy O 75). Dit is dus het officiële standpunt van de kerk. Helaas blijkt dat niet alle adventisten daarvan op de hoogte zijn.
  3. Hoe ver zijn we nu gevorderd met het brengen van het evangelie? Aan de groei van het ledental van de Adventkerk (het gaat nu richting 20 miljoen) zou je afleiden dat er behoorlijk succes wordt geboekt. Maar er zijn veel andere cijfers die eerder grote zorg baren. De wereldbevolking groeit alarmerend. Het aantal mensen dat de christelijke religie vaarwel zegt eveneens.  Volgens de statistieken van zendingsdeskundigen kon een eeuw geleden ongeveer dertig procent van de wereld worden beschouwd als ‘bereikt’ met het evangelie. Een eeuw later is het aantal mensen op aarde weliswaar enorm toegenomen (en daarmee ook het aantal christenen), maar is het percentage van de bevolking dat met het evangelie is ‘bereikt’ nog steeds ongeveer dertig procent.
  4. Het zendingsmandaat luidt als volgt: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat zij zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb’ (Matteüs 28:19). Alle volken—dat zijn niet de ruim 220 nationale staten die door de VN zijn erkend, maar dat zijn de vele duizenden etnische groepen die op aarde wonen. Gods volk bestaat uit mensen ‘uit alle landen en volken, van elke stam en taal’ (Op. 7:9). Dat wil dus zeggen dat alle barrières van cultuur en taal moeten worden doorbroken.  Hoe staat het daarmee? Laten we het maar dicht bij huis houden: Communiceren wij het evangelie in de taal van de asielzoekers en vluchtelingen in ons midden? En in de taal van de millennials?
  5. Komt het werk ooit klaar?  Zelfs als het verkondigen van het evangelie plotseling in een stroomversnelling zou komen, blijft er het probleem dat er steeds weer nieuwe mensen bijkomen.  Elke dag worden er in onze wereld zo’n 300.000 kinderen geboren. Dat zijn er ongeveer 110 miljoen per jaar.  Hoe kunnen we ooit het punt bereiken dat iedereen de boodschap heeft gehoord?

Ik zou nog wel een paar vragen kunnen noemen. Op de meeste vragen weet ik geen antwoord. Maar waar ik mij aan vasthoud is de vaste belofte van de Heer dat hij terugkomt. Dat staat vast. En ook blijft de opdracht van kracht: anderen te vertellen over wat Christus voor hen kan doen.

En verder? Leven vanuit het evangelie! En rustig afwachten hoe God ooit de problemen zal oplossen. Wie weet welke verrassingen Hij voor ons in petto heeft!