Author Archives: Reinder

Gaat de Adventkerk verdwijnen?

Ik schrijf met de jetlag nog in mijn lijf. Het tijdverschil van negen uur brengt je lichaamshuishouding onvermijdelijk een paar dagen in de war. Maar het was aangenaam om twee weken in Californië te vertoeven en daar vrienden te ontmoeten en bij geestverwachten te logeren, de eerste week in de omgeving van Loma Linda en de tweede week zo’n vierhonderd kilometer noorderlijker in San Luis Obispo.

Wat ‘werk’ betrof stonden deze week in het teken van het onderwerp van mijn laatste boek GAAN of BLIJVEN? De afdeling van Adventist Forums in San Diego en Los Angeles (Glendale) hadden mij daarvoor uitgenodigd, en toen men daarvan in San Luis Obispo hoorde vroeg men of ik ook naar hun gemeente wilde komen om hetzelfde thema te behandelen. Naarmate ik meer plaatsen bezoek en voor groepen geloofsgenoten spreek van wie de meesten ‘in de marge’ van de kerk zijn terechtgekomen, raak ik er steeds meer van overtuigd dat ik met iets belangrijks bezig ben. Steeds weer ontmoet ik mensen die zeggen dat zij in mijn boek zichzelf zijn tegengekomen en het is ook ontzettend fijn af en toe mensen te ontmoeten die zeggen dat het boek hen heeft geholpen hun relatie met hun geloof en met hun kerk weer te versterken.

Maar er is een element dat we steeds meer zorgen baart. De groepen die mij uitnodigen bestaan voor het overgrote deel uit mensen die de zestig al zijn gepasseerd. Ooit werden de Adventist Forum groepen gesticht door betrekkelijk jonge mensen—hoofdzakelijk dertigers en veertigers. Veel van hen zijn nog steeds bij de Forum-afdelingen betrokken, maar zij zijn inmiddels gepensioneerd en er zijn de laatste jaren nauwelijks jongeren bijgekomen.  In San Luis Obispo werd op zaterdagavond een informeel samenzijn georganiseerd. Het was de bedoeling dat men mij vragen kon stellen en dat we verder konden discussiëren over dingen die eerder op de dag aan de orde werden gesteld. Van verschillende kanten werd benadrukt dat het ook in deze gemeente niet gelukt was om de meeste jongeren vast te houden. Dat leidde tot de vraag of de Adventkerk misschien gedoemd is om ten onder te gaan.

Voor veel adventisten is het ondenkbaar dat het Adventisme (zeker in de westerse wereld) langzaam maar zeker verdwijnt. De Adventkerk is immers ‘Gods laatste gemeente’, de kerk van de eindtijd die de speciale opdracht heeft om overal het zuivere evangelie te verkondigen, alvorens Jezus Christus naar de aarde terugkeert om zijn gemeente ‘thuis’ te halen. Maar de realiteit baart zorgen. Er worden af en toe nieuwe gemeenten gesticht, maar de kerk verdwijnt ook uit bepaalde regio’s. In het noorden van Scandinavië, bijvoorbeeld, is nog nauwelijks een adventist te vinden. De oorspronkelijke bevolking is in de Adventkerken in de grote steden in een groot deel van de westerse wereld gedecimeerd. Uit een studie die dr. Ronald Lawson onlangs op zijn website publiceerde,  blijkt dat in de loop van enkele decennia het percentage ‘blanke’ adventisten in New York is teruggelopen van zo’n 90% tot minder dan 10 %. Toen ik een aantal jaren geleden eens met een collega sprak over het droeve feit dat onze kinderen, en van die van veel andere collega’s, niet meer in de kerk te vinden zijn, was zijn reactie: ‘Ja, het houdt op bij ons.’  Zal hij gelijk krijgen?

In San Luis Obispo hoorde ik een commentaar dat me aan het denken zette. Een van de aanwezigen zei: ‘We zeggen maar steeds dat we ruimte moeten geven aan jongeren en veel meer met hun ideeën en wensen rekening moeten houden. Maar dat heeft nauwelijks resultaat. Jongeren willen geen kerk die een beetje aan hun denken is aangepast. We moeten het aandurven om de kerk uit handen te geven aan de jongeren en dan maar af te wachten wat voor soort kerk tevoorschijn komt. Laat hen het maar van ons overnemen. Alleen als we dat durven heeft de kerk kans om te overleven.’

Ja, durven we dat? Durf ik dat? Ik ben zover nog niet dat ik daarop volmondig ‘ja’ kan zeggen.  En dat is niet alleen omdat ik maar moet afwachten of die kerk van de toekomst dan nog wel mijn pensioen wil of kan betalen. Het is vooral ook omdat ik gehecht ben aan veel aspecten van de kerk van nu. Maar dat er iets radicaals moet gebeuren, daaraan twijfel ik niet. Er zijn al teveel mensen verdwenen of aan de rand van de kerk terechtgekomen. God geve ons de moed om nieuwe wegen in te slaan!

Out of Adventism

Samen met mijn vrouw ben ik op dit moment in Californië.  Ik was uitgenodigd om presentaties te geven aan de hand van mijn boek FACING DOUBT (GAAN OF BLIJVEN?), eerst in San Diego en vervolgens in Glendale, een voorstad van Los Angeles. Een vriendin, die we een aantal jaren geleden leerden kennen en die ons vorig jaar in Nederland bezocht, had ons uitgenodigd om bij haar te logeren. En nu zit ik aan de keukentafel in haar fantastische huis in Redlands, vlak bij Loma Linda, mijn blog te schrijven. Tegen de tijd dat ik deze blog op mijn site zet, zijn we aangekomen in San Luis Obispo, een betrekkelijk kleine stad zo’n 400 kilometer ten noordwesten van Redlands.  Het is de bedoeling dat ik a.s. Sabbat in San Luis Obispo preek en dat ik ook daar een presentatie houd over het thema van mijn boek.

Veel van de mensen die op deze presentaties afkomen hebben mijn boek al gelezen of hebben er tenminste van gehoord. In de Glendale City Church heeft men vorig kwartaal mijn boek als leidraad gebruikt voor de wekelijke discussie tijdens de sabbatschoolperiode. Voor mij waren de verschillende presentaties en de daarop volgende vraag- en antwoordperiodes, en ook de talloze gesprekken van de afgelopen dagen, een verdere bevestiging van het feit dat een groot aantal adventisten ‘aan de marge’ van de kerk is terechtgekomen en dat die groep speciale aandacht nodig heeft.

Kort voordat ik naar Californië vertrok werd ik door iemand attent gemaakt op een boek van de hand van de voormalige adventistische predikant en theologisch docent Jerry Gladson. Het heet Out of Adventism en beschrijft hoe hij ertoe is gekomen het adventisme vaarwel te zeggen en om uiteindelijk predikant te worden bij een andere protestantse kerk. Ik bestelde de Kindle-editie. (Sinds ik een paar maanden geleden van mijn vrouw een Kindle e-reader voor mijn verjaardag kreeg, gebruikt ik dit tamelijk intensief). Tussen de bedrijven door heb ik Gladson’s boek deze week gelezen.

Ik had nog nooit van deze Gladson gehoord, maar wat ik zo van mensen hier in Californië hoor, had hij toch wel enige bekendheid in de kerk. Na een aantal jaren gemeentepredikant te zijn geweest werd hij uitgenodigd om docent theologie te worden aan een van de colleges in het zuiden van de VS (de huidige Southern Adventist University). Hij kreeg de gelegenheid om daarbij te studeren en uiteindelijk te promoveren. Hij specialiseerde zich in het Oude Testament.

Gladson beschrijft in detail hoe hij geleidelijk aan vraagtekens begon te zetten bij een aantal traditionele adventistische leerstellingen. Een aantal hoofdstukken zijn gewijd aan alle tumult die ontstond als gevolg van de activiteiten van Brinsmead en zijn volgelingen en vervolgens vanwege de strijd rond de ideeën van Desmond Ford. Ook werd de kerk geconfronteerd met mensen als Ronald Numbers en Walter Rea, die met hun boeken een reeks van vragen opriepen rond de persoon en het werk van Ellen G. White.  Gladson moest niet alleen voor zichzelf op veel vragen antwoorden zien te vinden, maar raakte ook steeds meer verdacht van theologische onzuiverheden. Het stemt tot nadenken te lezen over het proces dat hij doormaakte, maar het is ronduit onthutsend te lezen over het vergiftigde klimaat in sommige van onze onderwijsinstellingen waar ‘spionnen’ door middel van clandestiene geluidsopnamen probeerden bewijs te verzamelen van de ketterse opvattingen van sommige docenten. Kerkleiders waren maar al te vaak geneigd de kant te kiezen van de conservatieve kerkleden die op ontslag van verdachte theologische docenten aandrongen.

Veel van wat Gladson schrijft over zijn pelgrimage door de Adventkerk loopt parallel met mijn eigen ervaringen. Ten tijde van de controverses rond Brinsmead, Ford en Water Rea en anderen werkte ik in Nederland en daar was de strijd gelukkig veel minder heftig en maakte deze geen slachtoffers onder de predikanten. Op dat punt lopen de ervaringen van Gladson en van mijzelf uiteen.

Gladson besloot, zoals vele anderen, uiteindelijk het adventisme vaarwel te zeggen. Door de intolerante—en vaak ronduit onchristelijke—reacties van de kerkleiding raakten we heel veel fijne en competente krachten kwijt. In de afgelopen jaren heb ik op diverse plaatsen in de wereld velen van hen ontmoet. Maar gelukkig ben ik ook velen tegengekomen die in de kerk zijn gebleven en al het mogelijke hebben gedaan om een ander geestelijk klimaat te bevorderen. Ik ben dankbaar dat ik ook, ondanks mijn bedenkingen tegen bepaalde leerstellingen en mijn aversie tegen bepaalde trends in de kerk, de kracht heb gevonden om in de kerk te blijven en een positieve rol te blijven spelen. Maar boeken als Out of Adventism herinneren mij eraan dat machtspolitiek en intolerantie steeds weer slachtoffers maakt en veel goede mensen voor de rest van hun leven beschadigt. Dat maakte het lezen van dit boek in de afgelopen dagen tot een pijnlijke en droevige ervaring.

Een theologische gereedschapskist

Uitgeverij Boekencentrum heeft onlangs een boekje uitgegeven met de suggestieve titel Goed Gereedschap is het Halve Werk.[1] Het heeft twee auteurs:  Professor Kees van der Kooi, die systematische theologie doceert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, en zijn vrouw Margriet die geestelijk verzorger is in een ziekenhuis. Doordat ik in de afgelopen maanden een Engelse vertaling van het boek heb gemaakt, die binnenkort bij Eerdmans in de VS zal verschijnen, heb ik intensief met de inhoud kennisgemaakt. De boodschap van het boek is duidelijk. Christelijke geestelijke zorg heeft veel aspecten gemeen met geestelijke zorg die vanuit een andere levensbeschouwing wordt gegeven of ‘neutraal’ pretendeert te zijn. Maar de christelijke geestelijke verzorger is een pastor die meer meebrengt dan de vaardigheden en kunde die iedereen nodig heeft die mensen wil begeleiden/coachen in crisissituaties. Hij/zij heeft een goede theologische gereedschapskist nodig om dingen te kunnen zeggen en doen die theologisch verantwoord zijn. Die stelling wordt uitgewerkt aan de hand van een vijftiental casussen uit de praktijk van Margriet van der Kooi.

Toen ik bezig was met dat onderwerp viel mijn oog op een boek dat ik een paar jaar geleden in een christelijke boekwinkel in Australië kocht dat de rol van de predikant als theoloog voor zijn gemeente benadrukt.[2] Een predikant moet over een reeks van gaven en sociale vaardigheden beschikken om een goede leider van zijn gemeente te kunnen zijn. Maar, zo bepleiten de twee auteurs van dit boek, een predikant moet in de eerste plaats als theoloog in staat zijn de gemeenteleden te voeden met goede, theologisch verantwoorde, kost en moet zijn team op een theologisch goed gefundeerde manier kunnen aansturen.

Ik zou de lijn die deze twee boeken, elk op een heel eigen manier, aangeven verder willen doortrekken naar een specifieke groep mensen: de leiders en bestuurders van kerkelijke organisaties—met name van de ‘hogere’ overkoepelende organen. In de context van de Adventkerk valt daarbij vooral te denken aan de bestuurders van conferenties, unies, divisies en de Generale Conferentie. Er is in de afgelopen decennia veel gedaan om leiders bij te scholen via allerlei leiderschapstrainingen en zelfs complete academische programma’s. Daarbij ligt de nadruk op de technieken die nodig zijn om leiding te kunnen geven aan een nogal ingewikkelde organisatie. Wie een beetje heeft gevolgd wat in de meeste van deze trainingen en cursussen wordt aangeboden, ontdekt dat het voor een groot deel om aspecten gaat die één-op-één ook voor niet-kerkelijke organisaties en voor het bedrijfsleven gelden. Daar is tot op zekere hoogte niets mis mee, want een kerk is ook een sociale organisatie waarin je veel processen tegenkomst die voor elke organisatie gelden. Gelukkig wordt bij deze cursussen echter ook steeds benadrukt dat een kerkelijke organisatie geestelijk ingestelde leiders nodig heeft.

Toch is er een element dat vaak onderbelicht blijft. Een kerkelijke leider moet ook een bekwaam theoloog zijn, die de taak die hem/haar is toevertrouwd op een theologisch doordachte manier kan uitvoeren. Het gaat er daarbij om dat hij/zij niet alleen dingen goed kan organiseren, vergaderingen efficiënt kan leiden, anderen kan aansturen en kan enthousiasmeren, enzovoort. Het is van het grootste belang dat de kerkleider als theoloog richting kan geven en ontwikkelingen binnen de kerk op een theologisch verantwoorde wijze kan bevorderen of afremmen. Ik denk dat er op allerlei niveaus in de Adventkerk dikwijls leiders zijn die weliswaar ‘geestelijk’ zijn, maar die je helaas tegelijkertijd theologische lichtgewichten moet noemen. En dat heeft zijn gevolgen. Ik denk haast als vanzelf aan de vorige president van de Generale Conferentie en diens huidige opvolger. Het leiderschap van de vorige president werd vooral gekenmerkt door zijn gedegen theologische achtergrond en dat kan van menige topleiders van dit moment niet worden gezegd. Ook voor kerkelijke leiders geldt dat zij hun theologische gereedschapskist continu bij de hand moeten hebben bij het vervullen van hun taak. De kerk loopt grote averij op als dat niet het geval is.



[1]  Kees en Margriet van der Kooi, Goed Gereedschap is het Halve Werk: De Urgentie van theologie in pastoraat en zielzorg. Utrecht: Boekencentrum, 2017.  [2] Kevin J. Van Hoozer en Owen Strachan, The Pastor as Public Theologian. Grand Rapids: Baker Academic, 2015.

 

Eenheid: een stap dichterbij?

Vorige week bevatte de Adventist Review—het min of meer officiële orgaan van de adventistische wereldkerk—een opmerkelijk artikel over een zaak die de gemoederen in de Adventkerk blijft bezighouden. Hoe moet het nu verder met de kwestie van de inzegening van vrouwelijke predikanten? En vooral: Moet de kerk disciplinaire maatregelen nemen jegens unies en conferenties die ondanks het standpunt van de Generale Conferentie toch besloten hebben vrouwen tot het ambt van predikant in te zegenen?

Tijdens de najaarsvergadering van het bestuur van de kerk (waarin ook alle unievoorzitters zitting hebben) in het najaar van 2017 leed een plan van de topleiding van de kerk om de leiders van de organisaties die zich niet houden aan de kerkelijke richtlijnen, na veel gekrakeel, schipbreuk. De meerderheid van dit ongeveer 250 leden tellende bestuur was heel ontevreden over het proces dat eraan vooraf was gegaan en vond ook het voorstel zelf ondoordacht of zelfs totaal onaanvaardbaar.

In het artikel in het kerkblad werd uit de doeken gedaan hoe men tot een nieuw voorstel wil komen dat op de agenda kan worden gezet van de najaarsvergadering in oktober van dit jaar. Het geeft hoop dat het kerkblad meteen met zo’n artikel komt, en ook dat de commissie die zich met deze materie bezighoudt nu absolute openheid en transparantie wil garanderen. Als dat lukt, dan is dat in elk geval een grote stap voorwaarts. De vorige voorzitter van de Unity Oversight Committee, Tom Lemon, is teruggetreden—al dan niet onder pressie van hogerhand. In zijn plaats is nu Michael Ryan benoemd, een doorgewinterd bestuurder die ik goed heb leren kennen en vooral zou willen karakteriseren als een no-nonsense pragmaticus (let wel: dat is niet hetzelfde als niet-geestelijk of een politicus!). In de aanloop om tot een nieuw voorstel te komen om de ontstane impasse te doorbreken zal nu uitgebreid geïnventariseerd worden hoe men op allerlei niveaus in de wereldkerk denkt over een eventuele aanpak van uit de pas lopende unies. Zo is inmiddels aan alle unievoorzitters een lijst met zes vragen toegezonden. In hun antwoorden kunnen zij aangeven wat er naar hun mening moet gebeuren met deze ‘rebellerende” unies.

Het is te vroeg om te voorspellen of deze nieuwe aanpak iets positiefs gaat opleveren. Persoonlijk zou ik liever zien dat de kerk op Generale Conferentie niveau een stap terugdoet. Is het niet mogelijk om vooral de tijd zijn werk te laten doen? In het verleden hebben zich vaak ontwikkelingen voorgedaan, zonder dat er eindeloze vergaderingen, congressen, studiecommissies en besluiten van wereldcongressen nodig waren. Neem bijvoorbeeld het punt van al dan niet in gewapende militaire dienst gaan. Ooit was het voor iedereen duidelijk: Adventisten willen de overheid gehoorzamen, maar het dragen van wapens en die mogelijk gebruiken om andere mensen te doden, was tegen hun geweten. In sommige gebieden is dat nog steeds het gangbare standpunt, maar op heel veel andere plaatsen in de wereld vinden adventisten het nu een eer om hun vaderland te verdedigen. Persoonlijk betreur ik die ontwikkeling, maar het toont aan dat er een ontwikkeling kan zijn die tot diversiteit op een bepaald punt leidt, zonder dat dit al te veel spanning in de kerk veroorzaakt.

Is het niet mogelijk om voorlopig aan unies die dat willen de vrijheid te geven om met een systeem van slechts één soort geloofsbrief te werken, die aan mannen en vrouwen gelijke status en rechten geeft? Kunnen de gebieden in de wereld die daar niets in zien niet gewoon verdergaan met wat zij juist vinden? En kunnen we dan misschien eens aanzien hoe dingen zich ontwikkelen en over een jaar of tien de situatie nog eens goed evalueren?

Sommigen zullen zeggen: moeten we zoveel tijd nemen? Ik weet dat het in het adventistisch DNA zit om dingen snel te willen doen. Maar enige kennis van de geschiedenis van de kerk leert ons dat kerkelijke processen soms erg lang duren. In de Oosters-Orthodoxe wereld de bepaling van de juiste datum van het Paasfeest is altijd een heikel punt geweest. Een commissie die daarover vergaderde is er meer dan een halve eeuw mee bezig geweest. Ik geeft toe: dat is wel erg lang. Maar onszelf—en vooral Gods Geest—wat meer tijd gunnen dan we doorgaans gewend zijn te doen, lijkt me een goede zaak.

De Hut

Soms raak ik boeken kwijt. Ik vergeet meestal op te schrijven aan wie ik een boek heb uitgeleend. En sommige leners vergeten het terug te geven. (Ik moet bekennen dat ik ook enkele boeken in mijn kast heb die ik heb geleend, maar waarvan ik me de eigenaar niet meer herinner.) Soms gooi ik met pijn in het hart boeken weg, omdat er ruimte moet komen voor nieuwe boeken.

Ik weet niet wat er gebeurde met The Shack, van Wm. Paul Young. Ik kocht het een jaar of tien geleden in een christelijke boekhandel in Sidney. Nadat ik het had gelezen heb ik het, denk, ik uitgeleend. Hoe dan ook, ik was het kwijt. Maar vorige maand zag ik het weer staan in een boekwinkel in de VS en nu ligt het voor mij op mijn bureau. Van de Engelstalige uitgave werden wereldwijd zo’n 25 miljoen exemplaren verkocht. Van de Nederlandse editie die de titel De Uitnodiging meekreeg gingen ruim 25 duizend exemplaren over de al dan niet digitale toonbank.

Het boek begint ermee dat een klein meisje tijdens een kampeervakantie wordt ontvoerd. In een verlaten hut in Oregon worden aanwijzingen gevonden dat zij is vermoord. Vier jaar later ontvangt haar vader Mack, die nog steeds in diepe rouw is, een briefje met de uitnodiging om opnieuw naar de hut te gaan. De ondertekening doet hem vermoeden dat het briefje van God zelf afkomstig is. Na lange aarzeling gaat Mack terug naar de hut, waar hij drie personen aantreft: een zwarte vrouw, een Arabisch uitziende jongeman en een Aziatische vrouw. Het blijken respectievelijk de drie personen van de Drie-eenheid zijn: Vader, Zoon en Heilige Geest, maar in een heel andere gestalte dan hij zich God had voorgesteld. In lange gesprekken, die het grootste deel van het boek beslaan, probeert het drietal de vader nieuwe geloofsinzichten bij te brengen en hem te verzoenen met het vreselijke ongeluk dat hem heeft getroffen.

De recensies die het boek heeft gekregen variërend van “bagger” tot “geniaal”. Heel wat lezers zien het boek als godslasterlijk, terwijl anderen juist zeggen dat het hen heel veel steun heeft gegeven in hun geloofsleven. Ik bevind mij daar ergen tussenin. Het boek heeft m.i. geen al te grote literaire kwaliteiten, maar het stemt wel tot nadenken. Het onderwerp van het menselijk lijden blijft altijd actueel en het wordt in dit boek op een creatieve en indringende wijze besproken. Maar het bijzondere is toch vooral de wijze waarop God in beeld wordt gebracht.

Dat Jezus als een wat Arabisch uitziende man wordt gepresenteerd is niet zo schokkend, maar veel mensen zien Jezus toch vooral voor zich als een blanke, Europees of Amerikaans uitziende jongeman. Maar dat beeld klopt natuurlijk niet. De heilige Geest als een Aziatische jonge vrouw—wat moeten we daarmee? De meeste mensen hebben eigenlijk helemaal geen beeld van de Geest—wie of wat hij is blijft meestal behoorlijk vaag. In de vroege kerk werd over de Geest vaak wel in vrouwelijke termen gesproken.  Maar God de Vader als een knappe zwarte vrouw van zo’n jaar of veertig, dat is voor veel lezers toch wel een brug te ver. Dat staat volkomen haaks op het beeld dat de meeste christenen—voor een deel geïnspireerd door allerlei schilderijen uit de Middeleeuwen— van God de Vader hebben als een oude (blanke) man met een lange witte baard. Maar waarom zou je dat beeld wel voor ogen mogen hebben als je over God spreekt en hem (haar?) niet mogen voorstellen als een zwarte vrouw?

Een theologiedocent aan een van onze adventistische universiteiten vertelde mij eens dat hij, als hij colleges geeft over de godsleer, en met name over de Drie-eenheid, het boek The Shack als leesopdracht geeft, naast de technisch-theologische teksten die de studenten moeten lezen. Het is belangrijk, zei hij, dat de studenten beseffen dat je je de drie-enige God op allerlei manieren kunt voorstellen, maar dat het altijd menselijke beelden betreft. God is zo oneindig ver boven ons verheven dat we hem (?) nooit kunnen definiëren. Zelfs als we zeggen dat God een persoon is weten we niet wat we daarmee eigenlijk bedoelen. Het probleem is dat wij de Onbeschrijflijke moeten beschrijven met onze beperkte menselijke woordenschat. Het blijft voorzichtig zoeken naar woorden en beelden die ons in elk geval boven ons eigen niveau uittillen. Maar zodra we iets over God gezegd hebben moeten we meteen erkennen dat het niet meer dan menselijk stamelen was en dat we niet tot het geheim van wie en wat onze God is kunnen doordringen.

Nee, God de Vader is geen zwarte vrouw, maar ook geen blanke grijsaard. Hij is God. Hij/zij is mijn God, die op de een of andere manier mijn leven zin en toekomst geeft. En als we een beeld nodig hebben, als een concreet ruggensteuntje, om aan en over God te denken, laten we dan altijd wel beseffen dat het Gods werkelijkheid op geen enkele manier echt weergeeft. Want God woont niet in onze menselijk shack, maar in de hemel (wat dat woord ook maar moge betekenen).