Author Archives: Reinder

Volledige toewijding

Een van de slogans die de Adventkerk enkele jaren geleden lanceerde was: TOTALE BETROKKENHEID VAN ALLE LEDEN (Total Member Involvement). Ik heb onlangs nog eens enkele artikelen en preken bekeken waarin wordt uitgelegd waar het bij dit streven naar ‘totale betrokkenheid’ van alle kerkleden om draait. Het is de naam voor een wereldwijde evangelisatiestrategie. Alle leden worden opgeroepen om op alle mogelijke manieren te getuigen, zodat de verspreiding van de Adventistische boodschap een nieuwe impuls krijgt.

Persoonlijk leg ik liever de nadruk op “volledige toewijding” dan op “totale betrokkenheid” bij een evangelisatie-strategie. Wat betekent het om ergens toegewijd aan te zijn? Het is meer dan de bereidheid om tijd vrij te maken iets te doen. Het heeft te maken met alles wat we zijn en hebben. Er is een groot verschil tussen louter betrokkenheid en volledige toewijding. We weten wat er nodig is om een ontbijt met ham en eieren te maken. De kip moet betrokken zijn door het ei te leveren. Maar voor de ham heb je een varken nodig dat volledig toegewijd is.

Het Engelse woord “Commitment” heeft Latijnse wortels: Het is afgeleid van het woord committare, d.w.z. samenbrengen, verenigen, verbinden. Woordenboeken verwijzen naar een proces van zich ergens aan binden, intellectueel of emotioneel, zoals aan het uitvoeren van een project. Of een belofte om iets te doen; je verplicht of gedwongen voelen. Je zou kunnen zeggen dat het betekent dat je ergens volledig voor gaat.

In de Bijbel vinden we voorbeelden van mensen die zich volledig hebben ingezet. Denk aan Noach en zijn ark-project waaraan hij vele tientallen jaren onafgebroken werkte, misschien wel 120 jaar lang. Denk aan Abraham en zijn bereidheid om naar een onbekend land te reizen en een onbekende toekomst tegemoet te gaan. Denk aan Mozes en het leiderschap dat hij gaf aan een enorme schare tijdens de uittocht uit de slavernij in Egypte en het daaropvolgende veertigjarige verblijf in de woestijn. Denk aan Ruth, die na haar tragische verliezen niet bereid was Naomi, en de God die zij had leren kennen, op te geven. Denk aan de apostelen, aan hun moed om het evangelie naar verre oorden te brengen en die, behalve Johannes, een martelaarsdood stierven.

Maar we kunnen ook denken aan veel recentere voorbeelden van totaal toegewijde mensen:
* Martin Luther King jr, die een droom had en daarvoor stierf.
* Albert Schweitzer, de getalenteerde theoloog, musicus en arts, die een groot deel van zijn leven onder primitieve omstandigheden doorbracht in een Afrikaans ziekenhuis in Lambarene, in de Afrikaanse staat Gabon.
* Moeder Theresa en haar levenswerk voor de allerarmsten in India.
* Nelson Mandela, die zijn land naar een nieuwe toekomst leidde, na vele jaren gevangen te hebben gezeten op Robin Island.
En ik zou de namen kunnen noemen van veel toegewijde mensen – die ik in de loop der jaren heb leren kennen, binnen en buiten de kerk.

Wat is christelijke toewijding?
Christelijke toewijding is niet in de eerste plaats toewijding aan een aantal leerstellingen, hoe belangrijk dit element ook is. Christelijke toewijding wordt subliem beschreven in Marcus 12:30, 31: Toegewijd zijn is de Heer, onze God, liefhebben met heel ons hart, heel onze ziel, heel ons verstand en heel onze kracht. En dit moet worden aangevuld met het liefhebben van onze naaste als onszelf.

Totale toewijding is een toewijding aan de christelijke kernwaarden van liefde, gerechtigheid en waarheid. En ja, het omvat ook dienstbaarheid en het aanvaarden van verantwoordelijkheden. Maar dat is niet waar het begint. Volledig toegewijd zijn aan Jezus Christus betekent dat we zijn discipelen zijn, die naar Hem kijken als de primaire bron van inspiratie voor ons leven. En dan volgt al het andere.

Kwetsbaarheid

We worden regelmatig geconfronteerd met de kwetsbaarheid van onze maatschappij. De Covid-pandemie kostte wereldwijd niet alleen miljoenen mensenlevens en deed honderdduizenden op IC’s belanden, maar bracht ook economische chaos en enorm veel sociale ellende. Ook op veel andere manieren ervaren we hoe gemakkelijk onze wereld ontwricht kan raken omdat we ongelooflijk kwetsbaar zijn. De laatste dagen waren de lekkages van de Nordstream 1 en 2 gaspijpleidingen, die gas vanuit Rusland naar West-Europa vervoeren, voortdurend in het nieuws. Is het een merkwaardig toeval dat vrijwel tegelijkertijd een lek ontstaat in twee leidingen? Of is het sabotage? Kan een vijandige macht zo gemakkelijk opeens onze energievoorziening in de war sturen? Zijn we zo kwetsbaar? Ja dus.

Een ander nieuwsitem ging vandaag over de storm Ian, waardoor heel Cuba in het donker zit. Hoe kwetsbaar de infrastructuur van Florida is zal in de komende uren blijken. In een radioprogramma hoorde ik eerder vandaag dat Nederland vooral kwetsbaar is vanwege het feit dat veel trans-Atlantische datakabels via de Noordzee bij ons aan land komen. Als er een vijandige macht zou zijn die veel IT-ellende wil veroorzaken, dan is dat de uitgelezen plek om een paar onderzeeërs naar toe te sturen.

Elk land is in de eenentwintigste eeuw steeds kwetsbaarder geworden. Cyberaanvallen kunnen vrijwel alles in de war sturen, van het bankwezen tot de drinkwatervoorziening en van de gezondheidszorg tot het vliegverkeer. Enzovoort. Nederland moet constant alert blijven ten aanzien van de zee- en rivierdijken. Het kan zo maar weer een keer fout gaan met fatale gevolgen.

De meesten van ons beseffen ook terdege hoe kwetsbaar we zelf zijn. Een ongeluk schuilt voor ons allemaal—en zeker voor de wat ouderen onder ons—in een piepklein hoekje. We kennen allemaal redelijk gezonde mensen die plotseling een hart- of herseninfarct kregen, of bij wie plotseling een uitgezaaide kanker wordt geconstateerd.

Kleine bedrijven blijken vaak extreem kwetsbaar te zijn als een personeelslid, die over vitale expertise beschikt, besluit dat zij naar de concurrent gaat waar een hoger salaris wordt geboden. Soms kunnen treinen in een flink deel van ons land niet rijden omdat een paar personen die het treinverkeer vanuit de centrale in Utrecht regelen zich ziek hebben gemeld.

Ja, en ook kerken zijn kwetsbaar—-lokale gemeenten zowel als de overkoepelende organisaties. Misschien geldt dat (vooral op hoger niveau) voor de zevende-dags adventisten nog wel meer dan voor veel andere geloofsgemeenschappen, omdat dikwijls enkele personen aan de top van veel adventistische organisaties tamelijk veel macht hebben. Ze kunnen het beleid in een bepaalde richting sturen en het kan heel wat jaartjes kosten voordat dit weer ongedaan is gemaakt. De geschiedenis van de Adventkerk levert daar de nodige voorbeelden van op.

Een plaatselijke gemeente blijkt ook dikwijls uitermate kwetsbaar. Door veroudering van een aantal leden en enkele verhuizingen kan het moeilijk worden om nog voldoende mensen te vinden voor de noodzakelijke taken. Soms kunnen een paar nieuwkomers met extreme ideeën de sfeer in een kleine gemeente in korte tijd zodanig nadelig beïnvloeden dat sommige leden liever elders gaan kerken en de gemeente in een negatieve spiraal terechtkomt.

Maar gelukkig kan het soms ook andersom gaan en kunnen een paar nieuwkomers een organisatie uit het slop trekken. Maar dat onze maatschappij-—inclusief onze kerkelijke wereld—-kwetsbaar is en blijft, is een feit dat we niet kunnen wegpoetsen. En dat is reden te meer om ons in te spannen om waakzaam te zijn als er personen en ideeën opdoemen die schade veroorzaken en om, waar we kunnen, steun te bieden aan positieve trends en aan degenen die deze op verschillende niveaus de ruimte willen geven om zich verder te ontwikkelen.

Asielzoekers en de Bible Belt

Mijn vorige blog ging over een aantal aspecten van armoede in Nederland. Ook deze week wil ik een sociaal probleem aansnijden, namelijk dat van de zorg voor vluchtelingen, asielzoekers en migranten. Er bestaat nogal wat verwarring over hoe die verschillende groepen moeten worden gedefinieerd. Daarover bestaan echter internationale afspraken.

Een vluchteling die iemand die, vaak heel plotseling, gedwongen is zijn of haar land te ontvluchten, meestal vanwege oorlog, andere vormen van geweld of geloofsvervolging. Internationale instanties bepalen of mensen de vluchtelingenstatus krijgen. Zij mogen niet door het land waar zij zijn terechtgekomen worden weggestuurd. De status van asielzoekers is onzeker totdat door de bevoegde instantie in het land waarin zij asiel aanvragen hun recht op asiel heeft beoordeeld. Migranten zijn mensen die vrijwillig naar een ander land gaan, bijvoorbeeld voor werk of studie, en na verloop van tijd in veel gevallen weer naar hun land van herkomst teruggaan.

Op dit moment in er in Nederland een crisis in de opvang van asielzoekers. Dat is overigens ook het geval in veel andere westerse landen, maar ik volg wat er in mijn land gebeurt nauwlettender dan de situatie elders. We worden de laatste maanden vooral geconfronteerd met de schrijnende situatie in het nationale opvangcentrum van asielzoekers in Ter Apel. Daar moeten allen die in Nederland asiel willen aanvragen zich laten registreren. De laatste maanden blijkt men daar de zaak niet langer in de hand te hebben. Het duurt vaak een aantal dagen voordat nieuwkomers zich kunnen laten registeren en in die tijd zijn er dikwijls niet voldoende faciliteiten om hen op te vangen. Het gevolg is dat regelmatig honderden mensen de nacht buiten moeten doorbrengen—-onder omstandigheden die mensonwaardig zijn. Het onderliggende probleem, zo krijgen we te horen, is dat de mensen onvoldoende kunnen doorstromen naar de diverse asielzoekerscentra elders in het land, die op hun beurt vol zitten omdat er te weinig huizen zijn voor mensen van wie de aanvraag is goedgekeurd en die dus als statushouders in ons land mogen blijven. Het aantal asielzoekers is momenteel niet excessief hoog, maar veel azc’s werden in de afgelopen jaren gesloten nadat de enorme stroom van Syrische vluchtelingen voor een belangrijk deel opdroogde. Wat de oorzaken echter ook mogen zijn, het blijft voor mij onbegrijpelijk en onverteerbaar dat we in een modern en welvarend land niet kunnen voorkomen dat mannen, vrouwen en zelfs kinderen (!) de nacht buiten moeten doorbrengen.

Het is natuurlijk tamelijk gemakkelijk om de regering de schuld te geven van de chaos in Ter Apel. Maar ik heb soms haast medelijden met Eric van den Burg, de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, die stad en land afreist om plekken te vinden waar asielzoekers tijdelijk kunnen worden ondergebracht. In heel veel gevallen krijgt hij nul op het rekest. In Bant-—in de Noordoostpolder, zo’n 65 kilometer van waar ik woon—-heeft de overheid grond gekocht om daar een faciliteit te kunnen vestigen dat het aanmeldcentrum in Ter Apel kan ontlasten. De bevolking van deze kleine plaats heeft zich daar-—overigens om begrijpelijke redenen—-fel tegen gekeerd. Maar toch . . . waar lukt het dan wel om iets te regelen zonder tegenstand en problemen? Gelukkig worden er nu wel allerlei maatregelen genomen die ervoor moeten zorgen dat de stroom van asielzoekers binnenkort wel in goede banen kan worden geleid.

Deze afgelopen week kwam ik echter een aspect van het asielzoekersprobleem tegen dat mij niet alleen verbaasde maar ook diep teleurstelde. Onderzoek heeft laten zien dat vooral gemeenten in de zgn. Bible Belt weigeren om groepen asielzoekers onderdak te verlenen. De zogenaamde Nederlandse Bible Belt (ook wel Bijbelgordel of refoband genoemd) loopt dwars over Nederland, van Overijssel naar Zeeland. In deze strook wonen relatief veel mensen die tot de conservatieve gereformeerde kerkgenootschappen behoren. Het zijn dus de mensen voor wie godsdienst een belangrijke rol in hun leven speelt. Ze stemmen vaak op een christelijke partij, met name op de SGP. Daarentegen zijn gemeenten waarin een groot percentage “groen” stemt het meest geneigd om van der Burg te helpen bij het vinden van plaatsen waar asielzoekers kunnen worden ondergebracht. En van de “groenen” is een groot deel niet aan een kerk gebonden.

Als christen schaam ik mij als ik met dit soort dingen word geconfronteerd. Ik voel mij niet erg verbonden met de manier waarop een aanzienlijk deel van de christelijke bevolking in de Bible Belt het geloof beleeft. Maar ik dacht toch wel te mogen verwachten dat zij voldoende met de inhoud van de Bijbel bekend zijn om te weten dat zorg voor vluchtelingen voor God een heel belangrijk punt is. Te horen dat juist zij op dit punt onder de maat blijven is toch wel heel teleurstellend. Zouden dan de ‘groenen’ en andere maatschappelijk geëngageerden in sommige opzichten meer van het evangelie hebben begrepen dan veel christenen die op zondag dikwijls twee keer naar de kerk gaan? Terwijl ik deze regels schrijf schiet mij een bijbeltekst te binnen: ‘Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse vader’ (Matteüs 7:21 NBV21). En het is beslist de wil van de hemelse Vader dat we zorg hebben voor vluchtelingen en asielzoekers.

Armoede

Sinds het aantreden van het huidige kabinet—-Rutte IV—-hebben wij in Nederland een minister voor armoedebeleid. Ik vind Carola Schouten een van de sympathiekste ministers van onze regering—-en dat is niet alleen omdat zij bij de politieke partij hoort die de laatste jaren mijn voorkeur heeft. Minister Schouten komt over als iemand die haar werk uit overtuiging doet. Dat zij nu zo intensief te maken heeft met het armoedevraagstuk past bij haar persoonlijke achtergrond. Zij heeft in haar eigen leven een fase gekend waarin zij als ongehuwde moeder de eindjes aan elkaar moest zien te knopen. Het siert haar dat zij daar openlijk over spreekt.

Dat in een welvarend land als Nederland (op de vierde plaats van de rijkste landen ter wereld) een minister voor armoedebeleid nodig is, is eigenlijk ten hemel schreiend. Hoe komt het dat er zoveel mensen om de een of andere reden onder de armoedegrens belanden? Volgens recente statistische gegevens is dat het lot van ten minste 600.000 Nederlandse gezinnen. En met de huidige energiecrisis en de explosief gestegen prijzen voor elektriciteit en vooral gas, zullen nog veel meer mensen in de armoede terechtkomen.

Wat is armoede? Als ik naar de gangbare definities kijk die door overheidsinstanties worden gehanteerd leefde het gezin waarin ik opgroeide lange tijd in pure armoede. Gedurende een aantal jaren hadden we in ons huis geen stromend water, geen elektriciteit en alleen een toilet op enige afstand van ons huis. Ik kreeg een oude fiets om dagelijks naar de middelbare school te kunnen gaan. Een subsidie van de gemeente waarin we woonden zorgde ervoor dat we de schoolboeken konden kopen. Er was geen sprake van vakantie. En buiten de deur eten was beperkt tot af en toe een zak frites (die toen 25 cent kostte). We waren arm, maar ik kan me niet herinneren dat ik me echt arm voelde—-ook al wist ik natuurlijk wel dat ons leven er anders uitzag dan dat van de meeste van mijn klasgenoten. Ik was eraan gewend geraakt dat er van alles erg weinig was.

Tijdens het eerste jaar van ons huwelijk was het niet eenvoudig rond te kunnen komen. We waren in de Verenigde Staten waar ik aan Andrews University mijn masters-studie volgde. We arriveerden met duizend dollar in onze zak, werkten (naast de studie) het hele jaar keihard, en hadden toen nog ongeveer honderd dollar over. We genoten in veel opzichten van dat jaar, maar objectief gezien leefden we wel tegen de armoedegrens aan!

En nu? Zijn we nu arm of rijk? Nee, we zijn niet arm. We dreigen niet door de energiecrisis te worden getroffen. We zien wel dat de prijzen in de supermarkt stijgen, maar het heeft ons kooppatroon nog niet ingrijpend gewijzigd. We zijn dit jaar op vakantie geweest en hebben gisteravond nog een van de plaatselijke pizzeria’s bezocht. Arme mensen kunnen zich dat niet veroorloven. We zijn niet rijk vergeleken met de mensen die veelverdieners zijn en in een riante villa wonen met een of meer luxe automobielen vóór hun dubbele garage. Maar we zijn wel rijk vergeleken met de grote aantallen mensen op allerlei plekken in de wereld die ook vandaag niet weten waar ze het eten vandaan moeten halen voor hun ondervoede kinderen. En we zijn beslist ook rijk vergeleken met de honderdduizenden in ons land die, niet door eigen schuld, in armoede zijn beland.

Ik hoop dat onze overheid—-met een breed politiek draagvlak—-snel met maatregelen zal komen om mensen te helpen die nu door de energiecrisis in de ellende zijn gekomen of dreigen te komen. En dat het beleid van de armoedeminister zoden aan de dijk zal zetten en er door dat beleid structureel veel kan gebeuren om een grotere sociale rechtvaardigheid te realiseren en in de toekomst te waarborgen.

Als christen besef ik dat de Bijbel ons laat zien dat God extra aandacht heeft voor mensen in de marge. En het is duidelijk dat Hij van de mensen die zeggen dat ze in Hem geloven verwacht dat zij ook oog hebben voor de “armen” om hen heen en dat metterdaad laten blijken.

Daarbij is er echter wel een probleem. De meesten van ons leven in een eigen “bubbel”. Ik heb in mijn familie- en kennissenkring geen mensen die bij de voedselbank moeten aankloppen of wegens huurachterstand uit hun huis gezet dreigen te worden. Wellicht is echter voor mij en anderen in mijn “bubbel” in de komende winter de tijd gekomen om eens uit die “bubbel” te stappen en actiever dan we tot nog toe hebben gedaan iets van onze rijkdom te delen met degen die het water tot aan de lippen staat.

Vertel je verhaal

Ik kreeg de gelegenheid het verhaal te vertellen van mijn theologische en geestelijke pelgrimage in een artikel in SPECTRUM—het onafhankelijke tijdschrift dat uitgegeven wordt door de Adventist Forum- organisatie. Het feit dat ik deze week tachtig jaar word was een goede gelegenheid om achterom te kijken en na te gaan of mijn denken over geloof en kerk in de loop van de tijd wellicht veranderd is. Heel wat theologen en kerkelijke leiders hebben tegen het einde van hun leven de balans opgemaakt en zich afgevraagd: ‘Hoe is mijn denken gerijpt en wat is uiteindelijk het belangrijkste gebleken?’ Ik heb niet de pretentie me met hen te meten, maar het lijkt me dat zo’n zelfkritische terugblik niet alleen aan de groten onder ons voorbehouden moet zijn.

Het werd een lang artikel en ik verwachtte dat de redactie van SPECTRUM het aan mij terug zou sturen en me zou vragen ongeveer de helft (of nog meer) te schrappen. Behalve een paar punten waarvan men vond dat ik ze wat moest verduidelijken, werd mijn stuk integraal geaccepteerd. Wie het wil lezen moet het laatste nummer van het tijdschrift-—hetzij in druk of digitaal-—raadplegen en beginnen bij blz. 56: My Pilgrimage of Theology and Faith: “What Remains.”

Tot mijn grote verrassing werd mijn artikel gevolgd door commentaar van niet minder dan twaalf collega’s/vrienden: Andreas Bochman (Friedensau University), Denis Fortin (Andrews University), Stefan Höschele (Friendensau University), Robert Johnston (emeritus Andrews University), David Larson (emeritus Loma Linda University), Johannes Naether (voorzitter Noord-Duitse Unie), Jan Paulsen (oud-voorzitter General Conferentie), Helen Pearson (Newbold College), Mike Pearson (emeritus Newbold College), Rolf Pöhler (emeritus Friedensau University), Laurence Turner (emeritus Newbold College) en Jean-Claude Verrecchia (emeritus Seminarie Collonges en Newbold College). Hun commentaar werd afgedrukt op de blz. 71-79 onder het kopje “Tributes.” Ik werd stil van het lezen van wat zij over mij zeiden. Ik besef dat niet iedereen een net zo positief beeld van mij zal hebben. Maar mensen die er voor mij toe doen wilden laten weten dat ze hebben gezien dat ik mij voluit heb gegeven voor mijn werk in de kerk en dat ik naast al mijn gebreken en tekortkomingen steeds integriteit heb getoond.

Ik geloof dat het goed is dat mensen hun verhaal vertellen en ik zou willen dat veel meer van mijn collega’s in binnen- en buitenland dat zouden willen doen. Het is misschien een beetje uit de mode geraakt, maar ooit schreven mensen als Ellen White en James White al op betrekkelijk jeugdige leeftijd een autobiografie. De eerste uitgave van Ellen White’s Life Sketches verscheen in 1860, toen zij 23 was. En James White schreef zijn Life Incidents toen hij 47 was. Ik heb heel wat boeken over de geschiedenis van het adventisme in mijn bibliotheek en daaronder zijn de nodige biografieën, maar het aantal autobiografieën is heel beperkt. Er zijn er maar enkele, bijv. Pilgrimage (1992) van Richard L. Hammill, een kerkleider uit de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, en Ambassdador for Liberty (2012), waarin Bert B. Beach zijn boeiende loopbaan beschrijft. Beide boeken zijn inspirerend en het lezen meer dan waard.

Kortgeleden las ik Edwin Zachrison’s Profile of a Religious Man (2020). Daarin is een theologie professor / predikant aan het woord die zijn verhaal vertelt, dat niet alleen maar bestaat uit vooruitgang en succes. Het is het verhaal van iemand die ook de lelijke kanten van de kerk heeft gezien. Het is goed dat ook zo’n verhaal verteld wordt. Dingen die goed gingen en succes hadden moeten verteld worden. Dat inspireert en voorziet de kerk en de maatschappij van de nodige role models. Maar de dingen die pijn deden en mensen ongelukkig maakten moeten niet worden toegedekt. Daarover te lezen helpt om kritisch te blijven en het menselijk tekort in de kerk te blijven zien en te beseffen dat de kerk er niet altijd in slaagt een sfeer te scheppen waarin mensen geestelijk kunnen gedijen.

Onlangs sprak ik met iemand die een aantal jaren predikant was in een gemeente (niet in Nederland, maar elders in West-Europa). Tijdens het gesprek kwam zijn carrière-switch aan de orde. Waarom had hij het predikantschap vaarwel gezegd en had hij een ander beroep gekozen? Het was geen besluit dat opeens opborrelde. Het beslissende moment kwam toen hij tijdens een vergadering van predikanten uit de mond van een divisieleider hoorde dat je als predikant een werknemer bent van de kerk. Daarvoor krijg je je salaris. Dat houdt wel in dat je in alles de kerkelijke richtlijnen dient te gehoorzamen en in je prediking altijd precies de officiële kerkelijke leer dient te volgen. Als je dat niet wilt, zei de spreker, dan moet je maar vertrekken. En dat deed de ex-predikant met wie ik sprak dan ook. Ik zei tegen hem: Je moet je verhaal vertellen. Men moet weten dat er soms een sfeer geschapen wordt waarin mensen die voor de kerk werken in ademnood kunnen komen.

Ik heb mijn verhaal kunnen vertellen in SPECTRUM. Daar ben ik dankbaar voor. Ik ben ook dankbaar (ja, zeg maar rustig: ontroerd) door de commentaren die daarop werden gegeven. Ik hoop dat het anderen ook aanspoort hun verhaal te vertellen. Het goed voor jezelf en voor anderen.