Author Archives: Reinder

Heelheid

Vorige week ben ik begonnen in de pas verschenen biografie van Leonardo da Vinci, die geschreven is door Walter Isaacson. Ik had al eerder diens biografieën gelezen van Einstein en Steve Jobs. Ik vond die boeken heel erg de moeite waard en dat bracht me ertoe om ook zijn meest recente werk te bestellen. Ik heb nog maar ruim een derde van de meer dan 500 bladzijden gelezen. Maar de rest moest wachten tot volgende week. Ik ben deze week niet thuis en besloot alleen bagage mee te nemen die ik niet hoefde in te checken. Daarom nam ik mijn e-reader mee in plaats van een dik boek dat een groot deel van mijn computertas zou vullen. Wat ik tot dusverre heb gelezen heeft me zeker niet teleurgesteld en ik zie ernaar uit weer verder te lezen.

Het verhaal van deze Italiaanse meester is fascinerend. Leonardo da Vinci was een van die gezegende mensen die niet alleen uitblinken op één gebied, maar op tal van terreinen een grote bijdrage leveren. Hij was niet alleen een begenadigd schilder, die de wereld de Mona Lisa gaf, maar was ook een knappe beeldhouwer en een gerenommeerd architect. Bovendien ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig wetenschapper en een ontwerper/uitvinder van allerlei nuttige instrumenten en curieuze constructies.

Bij het lezen maakte ik een aantekening van iets wat ik in een blog dacht te kunnen gebruiken. De persoonlijkheid van Leonardo vertoonde een vreemde paradox. Aan de ene kant was hij voortdurend bezig met het bedenken van wapentuig dat wreder en dodelijker was dan alles wat er op de militaire markt van de vijftiende eeuw te krijgen was. Maar aan de andere kant was hij een zachtaardige dierenvriend en overtuigd vegetariër. Zijn vegetarisme was niet gebaseerd op gezondheidsoverwegingen maar op zijn aversie tegen het doden van dieren voor menselijke consumptie. Hoe passen die twee tegenstrijdige elementen bij één en dezelfde persoon?

Deze tegenstrijdigheid die we bij Leonardo da Vinci aantreffen vinden we op een vaak nog veel stuitender manier bij mannen en vrouwen in verleden en heden die wellicht zorgzame partners en liefdevolle ouders zijn maar gewetenloos te werk gaan in hun beroepsleven. Overbekend is het feit dat diverse nazi oorlogsmisdadigers fervente kunstliefhebbers waren. Albert Konrad Gemmelker, de commandant van het concentratiekamp in het Drentse Westerbork, stuurde duizenden joden naar de Duitse gaskamers. Maar hij stond bekend als een groot kattenvriend.

Deze vreemde mix van tegenstrijdige eigenschappen vinden wij—hoewel gelukig meestal niet in deze extreme vormen—bij misschien wel de meeste mensen. Ons leven is dikwijls gefragmenteerd en verdeeld in op zich staande compartimenten, en wat we doen en hoe we ons gedragen kan, afhankelijk van de omstandigheden, heel verschillend zijn. Christenen zijn van dit betreurenswaardige verschijnsel niet gevrijwaard. Wij komen mannen en vrouwen tegen die heel vroom en toegewijd lijken als we zij in een kerkelijke context meemaken, maar die in hun dagelijks leven een heel andere kant van zich laten zien. Het is mij opgevallen dat in mijn kerkgemeenschap de meest orthodoxe verdedigers van ‘de Waarheid’ dikwijls heel onplezierige, liefdeloze en intolerante mensen zijn. Je vraagt je dan af hoe liefde voor ‘de Waarheid’ kan samengaan met gevoelens van vijandigheid die soms zelfs in haat lijken over te gaan. (Daar moet ik wel onmiddellijk aan toevoegen dat niet alle zogenaamde ‘progressieve’ kerkleden altijd een waarachtige christelijke houding aannemen als ze te maken hebben met mensen die met hen van mening verschillen.)

Geloven in Jezus Christus betekent dat we hem ons karakter laten vormen. Voor veel mensen is geloof in de eerste plaats een kwestie van gelijk hebben en ‘de Waarheid’ bezitten, terwijl het eerder een zaak is van het zich ontwikkelen tot geestelijk evenwichtige, plezierige, liefdevolle mannen en vrouwen. Jezus zei tegen de melaatse die terugkwam om hem te bedanken voor zijn genezing: Uw geloof heeft u heel gemaakt. (Ik volg hier de Engelse King James Vertaling; in de meeste Nederlandse vertalingen staat: uw geloof heeft u gezond gemaakt, of: heeft u behouden). Dit geeft aan wat Jezus voor ons allemaal wil doen. Hij wil ons heel maken. In 1948 kwam de Wereld Gezondheids Organisatie met deze inmiddels beroemd geworden definitie van ‘gezondheid’: Gezondheid is een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welzijn en niet slechts de afwezigheid van ziekte of andere lichamelijk gebreken. Met andere woorden: echt gezond zijn betekent heel-zijn. Dat geldt ook in de geestelijke sfeer: geestelijke gezondheid is een staat van heelheid waarbij alle aspecten van wat we zijn en doen afgestemd zijn op Christus.

Ik besef dat het gemakkelijk is om de tegenstrijdigheden en gebrek aan heelheid te zien in het leven van anderen, terwijl we vergeten hoeveel moeite het onszelf kost om die heelheid te krijgen die de essentie van discipelschap van Christus is.

Leiderschap

Tijdens mijn loopbaan in de kerk heb ik aan een flink aantal leiderschapstrainingen deelgenomen. Ik heb heel veel boeken gelezen over aspecten van leiding geven. Van tijd tot tijd heb ik zelf ook lesgegeven in bepaalde onderdelen van leiderschapscursussen in diverse landen. Op dit moment ben ik betrokken bij een Master-opleiding in leiderschap, die wordt aan geboden door het Newbold College of Higher Education en Andrews University. Een groep van ca. 50 mannen en vrouwen, die bijna allemaal op de een of andere manier leiding geven in conferenties of unies in Europa, komen twee keer per jaar een paar weken samen voor instructies, voornamelijk in de vorm van colleges. Daarnaast is er een fikse stapel leesopdrachten en moeten de deelnemers een aantal essays en een thesis of project-rapport schrijven. De participanten zijn verdeeld in een aantal groepen van elk 6-8 personen die regelmatig samenkomen en elkaar support bieden. Elk van die groepen heeft een coach. Ik fungeer als een van die coaches. Mijn groep bestaat uit zeven personen: een uit Nederland, twee uit Duitsland en vier uit het Verenigd Koninkrijk. In 2018 zijn er twee algemene sessies met colleges en werkgroepen. Een daarvan vindt nu plaats op Newbold College en de tweede is gepland voor de herfst in Riga (Letland). Mijn groep komt daarnaast maandelijks bijeen, afwisselend in Rotterdam, Düsseldorf en ergens in Engeland, Het is een interessante ervaring om deel uit te malen van dit programma. Ik steek er zelf heel wat van op, maar het is ook leuk om weer veel nieuwe mensen vanuit allerlei Europese windstreken te ontmoeten. Bovendien is het een gelegenheid om ook zelf een bijdrage te leveren.

Maar terwijl ik lange dagen bezig ben met allerlei dingen die verband houden met onze cursus, rijzen als vanzelf een aantal vragen bij mij op. Een van de vragen die ik niet van mij kan afzetten is: Levert een cursus als deze echt het soort leiders op dat de Adventkerk het meeste nodig heeft? En, als het antwoord daarop ‘ja’ is, dan is de volgende vraag hoe groot de kans is dat deze leiders ook terechtkomen op leiderschapsposities in de hogere regionen van de kerk.

Het lijdt geen twijfel dat het trainen van leiders heel belangrijk is en ook in de afgelopen tien dagen heb ik weer kunnen zien hoe de deelnemers ervan profiteren. Maar er zijn ook dingen die een adventistische leider niet kan leren door het lezen van boeken over diverse leiderschapsmodellen en over andere thema’s die gewoonlijk onderdeel zijn van een leiderschapscursus. De kerk heeft leiders nodig die niet alleen de vaardigheden bezitten die door studie kunnen worden verkregen maar vooral leiders die de boodschap en de idealen van de Adventkerk kunnen vertalen in woorden en initiatieven die aanslaan bij mensen van de eenentwintigste eeuw. Ik blijf daarom worstelen met de vraag hoe dat zou kunnen gebeuren.

En dan is er die andere vraag: Wat moet er gebeuren om zover te komen dat echte leiders, die de kerk op een vernieuwende manier kunnen leiden en de hiërarchische en vaak autoritaire patronen van leiderschap kunnen doorbreken, ook metterdaad door benoemingscomité’s worden gekozen. Ik heb op die vraag geen antwoord. Onze kerkelijke structuren maken dit verre van gemakkelijk. Als nooit tevoren zullen we moeten bidden dat de Geest van God in onze beweging blijft werken en ons getalenteerde, goed-opgeleide leiders geeft die de kerk naar de toekomst kunnen leiden, met een ‘tegenwoordige waarheid’ die opnieuw verpakt is voor een nieuwe generatie en die ook degenen kan inspireren die zich nu niet langer door hun kerk geïnspireerd voelen (zie mijn vorige blog).

 

“De kerk inspireert mij niet meer”

Op 2 juni opende de Adventkerk in Utrecht haar deuren voor een speciaal programma dat zich vooral richtte op kerkleden ‘aan de zijlijn’.  Het was een vervolg op een soortgelijke bijeenkomst van ongeveer een jaar gelden. De beide programma’s werden met name geïnspireerd door mijn boek Gaan of Blijven: Een Boek voor Adventisten aan de Zijlijn. Het doel was met mensen in gesprek te geraken die de kerk hebben verlaten of op weg zijn naar de achterdeur van de kerk. Er kwamen inderdaad een aantal mensen uit deze categorieën, maar de meeste aanwezigen kunnen misschien het beste worden getypeerd als (nog steeds) bij de kerk behorend maar bezorgd over allerlei trends die zij momenteel in hun kerk zien.

De middag in Utrecht begon met een interview met een man van rond de vijfenzestig die ooit een aantal jaren predikant was in de Adventkerk, maar na verloop van een jaar of zeven besloot zijn ambt neer te leggen en ook zijn lidmaatschap op te geven. Wat dreef hem daartoe? En hoe zou de kerk eruit moeten zien om hem mogelijk weer te doen besluiten terug te komen? Er volgde iets later een video-interview met een jonge vrouw die als tiener besloot dat de kerk niets voor haar was, maar zo’n jaar of tien later toch weer deel van de kerk wilde zijn. Deze interviews vormden de basis voor discussies in groepen, waarna een plenaire discussie volgde. De nadruk lag daarbij vooral op de vraag wat er in de kerk zou moeten gebeuren om de gestage uitstroom van jong en oud te stoppen.

Een ander belangrijk programmaonderdeel was een enquête waarbij de aanwezigen hun smartphone konden gebruiken om antwoord te geven op vragen die op een scherm werden geprojecteerd. Het computerprogramma (KAHOOT) liet meteen de score zien nadat iedereen zijn/haar antwoord had gegeven op de meerkeuzevragen. De vragen waren bedoeld om een beeld te krijgen van wat men denkt over de 28 fundamentele geloofspunten van de Adventkerk, en van hoe men tegen een aantal kerkelijke zaken aankijkt. De antwoorden op de vragen over de leerstellingen (“vind je dit punt heel belangrijk, belangrijk, nier erg belangrijk of onbelangrijk?”) leverden weinig verrassingen op. Dit soort onderzoekjes laten gewoonlijk zien dat enkele punten hoog scoren (zoals de Sabbat en de wederkomst), terwijl men andere punten (zoals bijvoorbeeld het hemels heiligdom, 1844 en de duizend jaren van Openbaring 20) als veel minder belangrijk of zelfs totaal onbelangrijk ziet. Natuurlijk is de wetenschappelijke waarde van een dergelijke exercitie tamelijk beperkt. Het maakt wel duidelijk dat veel kerkleden bar weinig afweten van de inhoud van de ‘fundamentele’ geloofspunten en hun aanvankelijke oordeel mogelijk zouden veranderen als ze alle kleine lettertjes zouden hebben gelezen. Zo gaf een flinke meerderheid aan dat men het punt van ‘eenheid in de kerk’ heel belangrijk vindt, maar waarschijnlijk beseffen velen van hen niet dat de hoogste kerkelijke leiding ‘eenheid’ vaak interpreteert in termen van strikte eenvormigheid. Het geloofspunt dat gaat over het gezin scoorde ook heel hoog. Maar voor velen is het niet duidelijk dat de tekst van dit ‘fundamentele’ punt geen enkele ruimte laat voor mensen met een ‘andere’ seksuele geaardheid.

Ik vond het antwoord op een van de algemenere vragen het meest alarmerend. Hoewel de meeste aanwezigen zichzelf nog steeds zien als ‘actieve’ kerkleden, gaf een flinke meerderheid aan dat de kerk hen niet langer inspireert.  En dat is een heel ernstige zaak. Als een meerderheid van de kerkleden zich niet langer geïnspireerd voelt door de kerk—door wat de kerk zegt en aan de leden en vrienden van de kerk aanbiedt—dan heeft de kerk nog maar bitter weinig toekomst. Is dat misschien ten diepste het grootste probleem waarmee de Adventkerk in de westerse wereld worstelt?

Ik heb zelf geen eenduidig antwoord op de vraag of de kerk mij nog steeds inspireert. Gelukkig zijn er dingen in de kerk die mij nog steeds enthousiast maken, maar er zijn helaas ook nogal wat dingen die ik als saai, niet inspirerend of zelfs stuitend ervaar. Ik blijf bij de kerk en doe wat ik kan om—samen met veel anderen die ook dikwijls teleurgesteld zijn maar hun kerk niet willen loslaten—het tij te helpen keren.

Hoe kan de kerk weer een inspiratiebron worden voor veel kerkleden die graag een ander soort kerk willen zien? Volgens mij gaat het in elk geval om de volgende vijf aspecten:

  1. We hebben behoefte aan plaatselijke gemeenten die warmte uitstralen en een omgeving bieden waarin leden en vrienden van de kerk zich welkom voelen en ervaren dat dit een gemeenschap is waar zij echt bij willen horen.
  2. Het is fijn om tot een groeiende, wereldwijde beweging te behoren (en dat aspect moet niet verloren gaan), maar het gaat eerst en vooral om een plaatselijke gemeenschap waarin er ruimte is voor iedereen die er deel van wil uitmaken. Terwijl we allemaal delen in een aantal basis-overtuigingen, moet er een weldadige ruimte zijn voor verschillende meningen en voor open discussie. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn zonder door anderen veroordeeld of bekritiseerd te worden.
  3. Er is behoefte aan het soort eredienst, en aan het soort vorming en prediking die aan de ene kant recht doet aan de kern van het adventisme, maar daarbij vooral wat we geloven verbindt met ons alledaagse postmoderne bestaan. We moeten nadenken over wat we geloven, maar daarbij beseffen dat niet alles even belangrijk is en dat je in de loop van de tijd ook je mening moet kunnen bijstellen.
  4. De kerk kan alleen haar roeping waarmaken en mensen blijven inspireren als zij ook een bijdrage levert aan de wereld om haar heen. Het is meestal niet mogelijk om op alle fronten tegelijk actief te zijn maar we hebben een aantal overtuigingen die ons kunnen helpen activiteiten te kiezen waarmee we een echt verschil kunnen maken.
  5. De kerk moet een plek zijn waar iedereen zich ‘veilig’ kan voelen en waar we onze vrienden en anderen mee naartoe kunnen nemen, ongeachte hun achtergrond of geaardheid, zonder bang te hoeven zijn dat zij zich niet welkom zullen voelen vanwege uitgesproken of onuitgesproken reacties van kerkleden.

Als de meeste plaatselijke gemeenten zich in die richting zouden ontwikkelen, dan zou ik mij zeker meer geïnspireerd voelen door mijn kerk—en dat zou ook voor heel veel anderen gelden.

 

Kopen en verkopen van kerkgebouwen. Goed of toch niet zo goed?

Een paar dagen geleden las ik in de krant dat de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland hoogstwaarschijnlijk de Catharina-kathedraal in Utrecht moet sluiten. Het wordt te duur. Er is een jaarlijks verlies op de exploitatie van het gebouw van 400.000 euro en de plaatselijke katholieke kerkgemeenschap die de kerk gebruikt kan dat niet langer opbrengen. Mogelijk zal de kerk in de toekomst een museumfunctie krijgen, als onderdeel van het Catharijne Convent (het Utrechtse rijksmuseum voor kerkelijke oudheden en kunst). Het opmerkelijke is hierbij vooral dat de kathedraal de hoofdkerk is van het aartsbisdom, met kardinaal Wim Eijk aan het hoofd. Omdat het een kathedraal betreft die aan de eredienst wordt onttrokken moet de paus eerst nog wel zijn toestemming geven. Het is de bedoeling dat de Utrechtse St. Augustinuskerk de kathedrale rol van de Catharina-kathedraal gaat overnemen.

Het is geen uitzondering dat kerken hun deuren moeten sluiten en dat naarstig moet worden gezocht naar een andere bestemming voor hun gebouw. Soms staan projectontwikkelaars in de rij, want de kerkgebouwen staan gewoonlijk op eerste klas locaties. In een aantal gevallen kunnen de gebouwen hun oorspronkelijke functie behouden doordat een andere geloofsgemeenschap er haar intrek in wil nemen. De Adventkerk profiteert daar regelmatig van. Het afgelopen weekend nam ik deel aan een bijeenkomst in een kerkgebouw in Rynfield, vlak bij Johannesburg in Zuid-Afrika. Toen ik de predikant complimenteerde vanwege zijn mooie gebouw, vertelde hij mij dat de kerk vroeger het geestelijk thuis was van een Gereformeerde gemeente. Maar die had wegens gebrek aan belangstelling haar deuren moeten sluiten. De voorzitter van de Adventkerk in België en Luxemburg vertelde mij een paar weken geleden dat onlangs is besloten een kerk in het groothertogdom Luxemburg te kopen van de Apostolische Kerk, die haar gebouw noodgedwongen moet afstoten. In heel wat landen kunnen Adventgemeenten gebouwen kopen van andere geloofsgemeenschappen. En dat is als regel veel goedkoper dan een stuk grond kopen en zelf bouwen.  In Nederland heeft de Adventkerk zowel in Zeeland als in Den Haag een rooms-katholieke kerk kunnen kopen en in Almere en in Utrecht bleek het mogelijk mooie KPN-gebouwen te verwerven.

Je zou zeggen: Dat is goed nieuws. Kennelijk groeit de Kerk van de Zevendedags Adventisten en loopt de belangstelling voor veel andere kerken terug. Maar dat lijkt me een veel te gemakkelijke conclusie en, als die zou kloppen, is het ook niet iets om de vlag voor uit te steken. In de eerste plaats is het overduidelijk dat in de westerse wereld het percentage actieve christenen in zijn totaal dramatisch terugloopt. Vroeger (en helaas geldt dat voor sommige groepen in de kerk nog steeds) beschouwden adventisten andere christenen als hun vijanden (“Babylon” en ‘de hoer en haar dochters’). Met die gedachte ben ik helemaal klaar. Andere christenen—katholieken en protestanten—zijn broeders en zusters. Natuurlijk kunnen we het met een reeks van dingen niet eens zijn, maar we moeten elkaar vasthouden en bemoedigen, om het christelijk geluid toch nog zo helder mogelijk in onze westerse wereld te laten klinken. Ons eigen geluid moet gehoord worden–niet los van, maar ter aanvulling en soms ter correctie, van het geluid van andere christenen.

Maar daarnaast is er een ander aspect dat we niet mogen vergeten. De Adventkerk kan zich in veel westerse landen nog steeds goed handhaven of zelfs iets groeien. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit vrijwel steeds het gevolg is van immigratie van geloofsgenoten van elders in de wereld. Als de immigratiecijfers buiten beschouwing worden gelaten staat het er met onze kerk helemaal in het Westen niet zo florissant voor. Zonder de immigranten zou de Adventkerk ook gebouwen moeten sluiten en verkopen. En, zoals ik al eerder in mijn blogs zei: Adventisten volgen gewoonlijk de trends in andere kerken, zij het met een vertraging van enkele tientallen jaren. Er is alle reden om ons zorgen te maken en alles te doen in een poging de bij ons vaak nog onzichtbare trend om te buigen. Dat kan alleen als er open en vitale gemeenten zijn die hun boodschap zo weten te verpakken dat het de mensen—jong en oud—van deze tijd aanspreekt. Dat blijft een enorme uitdaging.

 

Kijken en zien

Volgens de populaire Lonely Planet Guide staat de Nederlandse provincie Friesland op de derde plaats van de top-tien van Europese vakantiebestemmingen. Op dit moment is de hoofdstad van de provincie—Leeuwarden—de culturele hoofdstad van Europa. Dat maakt een bezoek aan Friesland heel aantrekkelijk, maar als dit jaar voorbij is en de stroom toeristen is afgezwakt, is een bezoek misschien nog plezieriger. Friesland heeft een rijke geschiedenis; het kent heel veel tradities. De provincie heeft een reeks prachtige stadjes met schitterende centra, en van plaats naar plaats rijdend kun je genieten van het schitterende groene landschap.

Ik ga graag naar Friesland. Mijn naam doet vermoeden dat mijn voorgeslacht er vandaan komt. Nederlandse namen die op -sma eindigen duiden immers op een Friese afkomst. Mijn eerste taak in de kerk was de zorg voor een kleine gemeente in het pittoreske Sneek. Daar werd ook, nu al zo’n vijftig jaar geleden, onze zoon geboren. Vorige week vrijdagmorgen reden mijn vrouw en ik naar het Noorden voor een cultureel dagje rond en in Leeuwarden. We logeerden in een alleszins acceptabel 3-sterren hotel en gingen op sabbatmorgen naar de Adventkerk, waar ik die morgen preekte. Aangezien het het Pinksterweekend was had ik een preek voorbereid die op Handelingen 19 was gebaseerd. Daar lezen we het verhaal vanPaulus in Efeze, waar hij een twaalftal mannen ontmoette die niets afwisten van de Heilige Geest. Het is niet moeilijk om te zien hoe dat tekstgedeelte een goede springplank was voor een preek over onze behoefte aan de Geest.

Op vrijdag, op onze tocht naar het Noorden, maakten we eerst een korte stop in Heerenveen, zo’n 30 kilometer ten Zuiden van Leeuwarden, waar we het Belvedėre Museum bezochten. Wij waren nooit eerder in dit kleine museum geweest, dat vooral gewijd is aan het werk van een aantal regionale Friese schilders, maar dat ook speciale tentoonstellingen organiseert. Momenteel is er een tentoonstelling van de Italiaanse kunstschilder Giorgio Morandi. Diens specialiteit is het schilderen van stillevens van flessen en vaasjes. Interessant, maar niet iets om erg opgewonden van te raken. Ik genoot eigenlijk meer van het gebouw en de ligging ervan (en vanher café met een fantastisch uitzicht over het Friese landschap, dan van de flessen en vazen van Morandi. Maar bij het binnengaan van de zaal waarin de kunst van Morandi te vinden was viel mijn oog op een uitspraak van de Italiaanse kunstenaar die aan het denken zet: Men kan over de wereld reizen en niets zien.Maar om de wereld te begrijpen is het niet noodzakelijk om veel te reizen maar om goed te kijken naar wat je daadwerkelijk ziet.’

Deze woorden van Morandi zijn helemaal waar. Ik heb nog steeds de gelegenheid om veel te reizen. Ik schrijf deze blog terwijl ik op Schiphol zit te wachten om in te kunnen stappen voor mijn (een uur) vertraagde vlucht naar Johannesburg. En, heel toevallig: terwijl ik zit te wachten en af en toe even naar mijn mail kijk, komt er een e-mail binnen met een uitnodiging voor een aantal presentaties later in het jaar in Australië. Ook al is er tijdens mijn reizen meestal maar weinig tijd voor toeristische activiteiten, toch zie ik heel wat en probeer ik zoveel mogelijk van de lokale cultuur en het plaatselijk leven in me op te nemen. Ik denk wel dat ik mag zeggen dat het vele reizen dat ik heb kunnen doen van grote invloed op mij is geweest en mij in belangrijke mate tot de persoon heeft gemaakt die ik nu ben. Maar ik kom ook vaak mensen tegen die veel meer hebben gereisd dan ik. Zij hebben allerlei exotische plaatsen bezocht, maar eigenlijk vrijwel niets gezien. Zij zitten twee weken op het strand van de Seychellen, maar doen geen enkele moeite om te ontdekken hoe de mensen daar wonen en leven. Zij gaan op safari in Afrika, maar zien eigenlijk nauwelijks meer dan zij ook in een dierentuin in hun eigen land hadden kunnen zien.

Het zien en begrijpen van de wereld heeft niet in de eerste plaats te maken met de hoeveelheid landen die je hebt bezocht, maar hangt vooral af van de mate van je nieuwsgierigheid. Het hangt af van hoe open je staat voor nieuwe indrukken en voor het leren van nieuwe dingen. Het gaat erom dat je vragen stelt en naar antwoorden zoekt. En dit geldt niet alleen in de sfeer van verre reizen en exotische locaties, maar ook voor het leven van alledag. Veel mensen zijn bijna blind voor wat er om hen heen gebeurt—in hun gezin, hun familie, in de buurt waar ze wonen, op hun werkplek, en in hun kerk. Terwijl anderen steeds nieuwe dingen ontdekken waardoor zij verrijkt worden en gestimuleerd worden in het vormen van een evenwichtig oordeel en om zo nodig dat oordeel bij te stellen.

Een paar jaar geleden werden honderd van mijn wekelijkse blogs gebundeld in een boek (alleen in het Nederlands) dat als titel meekreeg: Wie goed kijkt ziet altijd wat!  Daar ben ik nog steeds helemaal van overtuigd.