Author Archives: Reinder

Hans Küng — de dood van een “dwarsdenker”

Deze week—-om precies te zijn op dinsdag 6 april—-overleed een van de grootste theologen van onze tijd. Hans Küng blies op 93-jarige leeftijd de laatste adem uit in zijn huis in het Duitse Tübingen. Hij was rooms-katholiek maar zijn vele (en vaak dikke) boeken werden vooral ook door protestanten gelezen. In een van de vele “in memoriams” die deze week in de kranten verschenen werd hij terecht “de oppositieleider binnen de rooms-katholieke kerk” genoemd.

Wie meer wil weten van Küng’s lange, en volle, leven kan terecht in zijn autobiografie van drie dikke delen, waarvan het laatste deel in 2013 verscheen (de Nederlandse vertaling in 2015). Toen hij daaraan nog bezig was, hoopte hij vurig dat hem de tijd gegeven zou worden om dat werk af te maken. Dat werd hem gegund!

Op 11-jarige leeftijd wilde Küng al priester worden. De wens werd in 1954, toen hij 26 jaar oud was, vervuld en hij is zijn leven lang priester gebleven. Dat was niet zonder de nodige hobbels, want hij raakte in conflict met zijn kerk. Hij ging theologie studeren, promoveerde vier jaar nadat hij tot priester was gewijd en werd al snel docent aan de universiteit in Tübingen, waar hij op 30-jarige leeftijd promoveerde op een proefschrift over de theologie van Karl Barth. Een van zijn medestudenten, en daarna een collega, in Tübingen was Joseph Ratzinger, de latere paus Benedictus XVI. Hun theologische wegen scheidden steeds verder naarmate de jaren verliepen, waarbij Ratzinger steeds verder in conservatieve richting afboog en Küng zich juist in tegenovergestelde richting ontwikkelde.

Küng en Ratzinger waren overigens niet de enige bekende theologen die afkomstig waren van Tübingen. Ook Jan Paulsen, de voormalige voorzitter van de adventistische wereldkerk, bracht er een aantal jaren voor studie door en promoveerde aan deze zelfde universiteit. [Er zijn adventisten die het maar bedenkelijk vinden dat een adventistische leider een dergelijke academische achtergrond heeft; zij doen er goed aan te beseffen dat ook de huidige wereldvoorzitter, Ted Wilson, een doctorsgraad heeft behaald aan een niet-adventistische universiteit.]

Aanvankelijk werd Küng in zijn kerk zeer gewaardeerd. Hij werd een van de vooraanstaande theologische adviseurs van de paus tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie. Maar de liefde van de katholieke hiërarchie voor Küng verkoelde daarna snel, vooral nadat in 1970 zijn boek Onfeilbaar verscheen. Daarin maakte hij duidelijk dat hij grote bedenkingen had tegen de manier waarop het pausambt zich had ontwikkeld. Ook andere aspecten van de kerkelijke leer, zoals het verplichte celibaat voor priesters, wees hij af. Küng’s boek kwam terecht op de bureaus van de Congregatie van de Geloofsleer. Het uiteindelijke gevolg was een soort inquisitie waarbij Küng zijn “leerbevoegdheid” kwijtraakte, d.w.z. dat hij niet langer namens zijn kerk theologie mocht doceren. Hij bleef wel zijn leven lang aan de universiteit van Tübingen verbonden, maar zonder deze kerkelijke goedkeuring.

Hans Küng bleef een luis in de katholieke pels. Je zou hem een “dwarsdenker” kunnen noemen. Ik werd aan dat mooie woord herinnerd toen ik deze week de nieuwe biografie van Erasmus, van de hand van historica Sandra Langereis, kocht. Zij noemde haar werk: Erasmus: Dwarsdenker. De beroemde Nederlandse filosoof, theoloog en taalkundige was een tijdgenoot van Luther. Hij was in vele opzichten een kerkhervormer, maar hij keerde zich nooit van zijn kerk af. Ook Hans Küng was zo’n “dwarsdenker”, een “hervormer” die trouw bleef aan zijn kerk. Het is een combinatie die mij bijzonder aanspreekt. Er kan natuurlijk een punt komen waarop iemand uit gewetensnood zijn kerk moet verlaten, maar nooit voordat hij/zij alles gedaan heeft om zich van binnenuit voor verandering van denken en doen van de kerk in te zetten.

Elke kerk heeft zulke “dwarsdenkers” nodig: critici die van hun kerk houden en daaraan loyaal willen blijven. Dat kan grote problemen voor de betrokkene veroorzaken, zoals in de Adventkerk bijvoorbeeld ”dwarsdenker” Desmond Ford ondervond.” Johannes A. van der Ven, een Nederlandse hoogleraar in de praktische theologie, schreef ooit dat de kerk altijd behoefte heeft aan reformatie maar dat reformatie nooit zonder conflict zal plaatsvinden. “In feite,” schrijft hij, “hangt de reformatie van de kerk af van conflicten en hun evenwichtige behandeling. Het afwezig zijn van conflicten is vaak een teken van een lage frequentie en zwakke intensiteit van interacties tussen leden in de kerk.”(Ecclessiology in Context; Grand Rapids: Eerdmans Publishing Company, 1996), blz. 381.) Hoewel het waar is dat een gemeenschap niet kan bestaan zonder een grote mate van consensus over wat zij wil en wat zij is, kunnen meningsverschillen een gezonde invloed hebben, en hoeft dit de eenheid van de kerk niet te bedreigen. Verschil van mening dwingt een gemeenschap na te denken over wat en wie zij is. Het is daarom ook belangrijk dat een gemeenschap kanalen creëert voor het uiten van de meningen van “dwarsdenkers.”

Er is zeker sprake van een spanningsveld. Wie lid is van een kerk of werkzaam is in een kerk moet aandacht schenken aan wat die kerk zegt, maar tegelijkertijd moet de kerk ook luisteren naar wat individuele leden zeggen. Hans Küng heeft zijn hele werkzame leven in dat spanningsveld geleefd en gewerkt. Zijn kerk en velen daarbuiten zijn er grotelijks door verrijkt.

Reputatieschade

Voordat we onze kritiek spuien op de kerkgangers in Urk en Krimpen aan den IJssel moeten we vaststellen dat ze één ding heel goed hebben begrepen. Regelmatig kerkbezoek is geen luxe bijkomstigheid voor christenen, maar een essentieel onderdeel van de christelijke beleving. Natuurlijk is geloof iets persoonlijks, maar geloven doe je toch ook samen met andere mensen. We spreken niet voor niets over een geloofsgemeenschap. Het is een door en door bijbels gegeven dat we als gelovigen een sterke band hebben met medegelovigen en dat het samen aanbidden en samen zingen, en naar het Woord luisteren, heel wezenlijk is.

Maar het was onverstandig van de kerkelijke gemeenten in Urk en Krimpen om de regels van de Corona-regels te negeren en niet te accepteren dat, zolang de pandemie niet onder controle is, we ons tevreden moeten stellen met digitale kerkdiensten. Kerkelijke gemeenten hebben een verantwoordelijkheid voor hun gemeenteleden en voor alle mensen met wie hun gemeenteleden in contact komen. Het argument dat men zich, ondanks het feit dat meer dan 500 mensen bijeen waren, keurig aan de anderhalve-meter-regel heeft gehouden en andere voorzorgsmaatregelen heeft genomen, is niet steekhoudend. Men had kunnen voorzien dat de gevolgde strategie tot veel commotie zou leiden en dat de pers zich in flinke aantallen op dit “nieuws” zou storten.

Op zich was dat al reden genoeg om te vrezen dat het imago van de kerk (en niet alleen van de Gereformeerde Gemeenten) een flinke deuk zou oplopen. En die imagoschade werd nog een stuk erger doordat enkele kerkleden de journalisten die verslag deden met geweld probeerden te verjagen. Het laat zich indenken dat er overal in het land mensen zijn die bij het zien van de televisiebeelden daarin een bevestiging zien van wat ze al lang dachten, namelijk dat christenen hypocrieten zijn die mooi praten maar in de praktijk weinig christelijk handelen. En een beetje begrijpelijk is dat wel als ze zien dat mensen naar de kerk gaan en voordat ze de kerk binnengaan enkele journalisten schoppen en slaan, of zelfs op hen inrijden.

Het imago van de christelijke kerk heeft in het recente verleden heel veel schade opgelopen. Daarbij valt vooral te denken aan de seksuele misbruik-schandalen in de katholieke kerk (maar ook in andere kerken). Mensen vergeten snel dat er op de meeste pastores niets valt aan te merken. Maar bij heel veel mensen blijft het idee hangen dat voorgangers merendeels huichelaars zijn.

De dominees en de kerkenraden in Urk en Krimpen hadden moeten beseffen dat door hun optreden de reputatie van christenen ernstig is geschaad. En dat betekent dan ook dat de naam van God ernstig in diskrediet is gebracht.

Elke christelijke gemeenschap moet bedenken dat mensen scherp in de gaten houden hoe christenen zich gedragen en dat christenen letterlijk hun naam hoog moeten houden, d.w.z. dat zij de naam van de Christus, die zij als hun Heer belijden, eer moeten aandoen. En dat geldt natuurlijk voor iedere man en vrouw die zichzelf christen noemt. Niemand mag verwachten dat christenen volmaakt zijn, maar als zij zich pertinent onchristelijk gedragen dan schaden zij de reputatie van de kerk en daarmee ook die van de Heer van de kerk.

Zou de kerk kunnen verdwijnen?

Er zijn veel uitspraken van Ellen White die we binnen de Adventkerk steeds weer horen. Dit is er een van: “We hebben niets te vrezen voor de toekomst, zolang we maar niet vergeten hoe de Heer ons in het verleden heeft geleid.” Deze uitspraak slaat op de toekomst van de kerk en heeft door de jaren heen veel adventisten bemoedigd. Er mogen soms problemen zijn in de kerk, en er mag soms alle reden zijn om ons over bepaalde ontwikkelingen zorgen te maken, maar we mogen erop vertrouwen dat de kerk geen schipbreuk lijdt. Het is immers “Gods laatste gemeente” en dus mogen we erop vertrouwen dat Hij die gemeente niet in de steek zal laten!

Ik ga nu niet verder in op de vraag hoe we het begrip “laatste gemeente” moeten definiëren en of we zonder schroom onszelf “Gods gemeente” mogen noemen. Ik denk dat deze woorden in elk geval de nodige nuance verdienen en we ons moeten hoeden voor geestelijke arrogantie. In deze blog wil ik slechts de vraag stellen of we er zo zeker van kunnen zijn dat de toekomst van onze kerk verzekerd is. Blijft de kerk groeien, met een wereldwijde aanwezigheid? En kunnen we er zeker van zijn dat de Adventkerk ook over zo’n vijftig jaar nog steeds in enigerlei vorm bestaat?

De kerkgeschiedenis leert ons hoe in de loop van de tijd kerken en stromingen ontstonden en weer verdwenen. Dat was al zo in de eerste eeuwen. Neem bijvoorbeeld de situatie in Noord-Afrika. Ooit was de kerk daar sterk vertegenwoordigd. Augustinus was de bisschop van de stad Hippo in Noord-Afrika. Hij was slechts een van de vele kerkleiders in die streek in de tijd dat de Romeinen er nog heer en meester waren. Maar vanaf de vierde eeuw verschrompelde het christendom er tot het niets meer voorstelde. Of neem Engeland. Het evangelie won daar vanaf de tweede eeuw bekeerlingen. Maar het verdween weer om pas weer in de zevende eeuw een nieuwe start te kunnen maken. Talloos veel bewegingen en groepen zijn in de lange middeleeuwen ontstaan en geruisloos weer verdwenen. En ook daarna zijn overal—ook in Nederland—kerkelijke groeperingen ontstaan, gegroeid, en weer ten onder gegaan.

Volgens de bekende godsdienstsocioloog David O. Moberg (geb. 1922) gaan kerken, net zoals andere organisaties, gewoonlijk door een cyclus van vijf verschillende stadia: (1) een startende beweging; (2) formele organisatie; (3) maximale kracht; (4) institutionalisering en toenemende bureaucratie; (5) desintegratie. Zou dit niet gelden voor de Kerk van de Zevendedags Adventisten? Kunnen we er zeker van zijn dat God ons daarvoor zal behoeden?

De voortekenen zijn niet gunstig, vooral in de westerse landen. Toevallig las ik deze week een bericht in een tijdschrift dat leiders van de Kerk van Canada vrezen dat hun kerk binnen twintig jaar nagenoeg zal verdwijnen. Dergelijke berichten komen steeds vaker, uit tal van landen. De secularisatie en ontkerkelijking neemt nog immer schrikbarend toe. Er is weliswaar nog veel belangstelling voor spiritualiteit, maar steeds minder voor geïnstitutionaliseerd christendom. En wat de gevolgen van de huidige pandemie zijn voor de kerk is nog een groot vraagteken.

De invloeden die in veel andere kerken tot leegloop leiden doen zich ook in de Adventkerk voelen. In tal van landen blijft de kerk alleen op het eerdere peil dank zij migratie. Maar ook onder de “nieuwe leden” zijn na verloop van tijd dezelfde ontwikkelingen waar te nemen als die eerder de “oorspronkelijke” leden decimeerden. Wereldwijd heeft de kerk problemen met het vasthouden van leden. Zo’n veertig procent van pas geworven leden is na betrekkelijk korte tijd weer verdwenen. Een groot deel van onze jongeren verdwijnt of sluit zich nooit aan bij de kerk van hun ouders. Gemeenten groeien niet meer of verdwijnen gewoon.

Ik raak er steeds meer van overtuigd dat we moeten vrezen voor de toekomst van onze kerk. Maar tegelijkertijd weiger ik om fatalistisch te zijn of ervan uit te gaan dat het “mijn tijd nog wel zal duren.” Maar de kerk kan alleen toekomst hebben—in welke vorm en omvang dan ook—als zij er weer in slaagt relevant te zijn in wat zij zegt en (vooral) doet. Dat vraagt om veranderingen—waarschijnlijk heel radicale veranderingen. Niet iedereen zal daar blij mee zijn. Er zijn risico’s aan verbonden. Dat betekent onder meer dat we bepaalde denkbeelden zullen moeten loslaten, dat de kerk een volledig inclusieve kerk moeten worden en nieuwe dingen moeten proberen. Maar we kunnen alleen onze vrees voor de toekomst van de kerk overwinnen als we de moed hebben om van koers te wijzigen met het doel om (met een klassieke adventistische term) weer “een tegenwoordige waarheid” te hebben.

Was Ellen White een bedriegster?

Meer dan vier decennia geleden gooide Ronald Numbers met zijn boek Prophetess of Health een bom in de vijver van het Adventisme. Hij onthulde hoe Ellen G. White veel minder origineel was in haar ideeën over gezondheid en gezondheidshervorming dan de meeste Zevende-dags Adventisten tot die tijd dachten. Hij documenteerde zorgvuldig hoe zij haar opvattingen over gezondheid had “geleend” van “gezondheidshervormers” uit haar tijd. Dit was in flagrante tegenspraak met haar bewering dat alles wat zij over dat onderwerp schreef gebaseerd was op wat God haar had getoond in een visioen dat zij in 1863 kreeg. Ik herinner me dat het boek van Numbers me destijds niet zo veel deed. Ik was eerder gefascineerd dan geschokt. Maar naarmate er meer informatie kwam over Ellen White’s gebruik van andere auteurs, werden de beschuldigingen van plagiaat steeds luider. Deze beschuldigingen waren echter niet nieuw. Eerdere critici van Ellen White hadden er al op gewezen dat Ellen White grote stukken overnam uit andere boeken, zonder de oorspronkelijke auteurs daarbij te noemen. Maar toen Walter Rea en anderen tot in detail uitplozen hoe de profeet andere bronnen overschreef, begon dit bij mij ernstige vragen op te roepen over de echtheid van haar profetische gave. En ik was heel ontevreden over de onbevredigende manier waarop de kerk op hun kritiek trachtte te antwoorden.

Ik werd echter veel meer van mijn stuk gebracht door het boek dat ik in de afgelopen week las: Ellen White: a Psychobiography, door Steve Daily (Page Publishing Inc., 2020). De baan en het lidmaatschap van de schrijver is niet in het geding, aangezien hij het Adventisme zo’n tien jaar geleden al heeft verlaten. Maar toen hij nog lid en werknemer van de kerk was, had hij al heel duidelijk zijn twijfels geuit over de manier waarop Ellen White haar “profetische” gave had gemanifesteerd. In zijn recente boek van 360 pagina’s gaat hij veel verder dan wat hij eerder over Ellen White schreef. Wat nieuw is aan deze benadering van haar persoon en haar werk is zijn poging om te analyseren wat voor soort persoon zij was en wat haar motiveerde om de dingen te doen die zij deed. Daily heeft niet alleen een achtergrond in theologie maar ook in psychologie. En dit, meent hij, stelt hem in staat om deze psychobiografie te schrijven. Zijn conclusies, indien correct, zijn zeer verontrustend. Hij schildert haar af als een “pathologische leugenaar” en als een “sociopaat”. Bovendien toont zijn portret van Ellen een vrouw die steeds haar wil wilde doordrukken en die haar “visioenen” gebruikte als instrumenten om kerkleiders, die het met haar oneens waren, te bekritiseren, of zelfs te verwijderen. Haar plagiaat was onethisch, frauduleus, en soms zelfs misdadig, en de manier waarop zij probeerde haar uitgebreide gebruik van andere auteurs te verbergen of uit te leggen, was volstrekt oneerlijk. Bovendien bleek veel van wat zij schreef onwaar te zijn, en de leiders van de kerk waren in hoge mate schuldig aan het door de vingers zien van haar praktijken of het toedekken van allerlei kwalijke zaken, uit angst dat het ontmaskeren van Ellen White als de bedriegster die zij was, een schok teweeg zou brengen onder de kerkleden. De profeet schreef anderen een strikte gedragscode en gedetailleerde dieetvoorschriften voor, maar hield zichzelf vaak niet aan deze principes. En hoewel zij een leidende rol in de geheelonthoudersbeweging ambieerde, was zij bij tijd en wijle zelf verslaafd aan alcoholhoudende dranken. Bovendien verrijkten Ellen White en haar man James zichzelf en na de dood van James leefde Ellen op steeds grotere voet. Door de jaren heen “verdiende” zij een enorm bedrag aan royalty’s, en vond zij extra bronnen om zichzelf te verrijken, maar zij liet een flink aantal schuldeisers achter toen zij stierf en zadelde zij de kerk op met een flinke schuld. En zo gaat Daily’s lijstje verder.

Hoeveel is waar van wat Steve Daily beweert? Op basis van wat ik in de loop van de tijd heb gelezen, kan ik niet ontkennen dat helaas veel van de feiten die hij noemt waar zijn, of op zijn minst geloofwaardig. De uitgebreide eindnoten laten zien dat het boek op gedegen onderzoek berust. Ook andere recente boeken hebben aan het licht gebracht dat zowel Ellen als James niet in alle opzichten de geestelijke reuzen waren die men vaak van hen heeft gemaakt. Zo laat Gerald Wheeler in zijn biografie van James White zien hoe James een dubieuze reputatie had als een sjacheraar, die voortdurend betrokken was bij allerlei commerciële activiteiten. Gilbert Valentine heeft in verschillende fascinerende boeken nauwgezet beschreven hoe politiek en manipulatief Ellen kon zijn in haar pogingen om haar ideeën op te leggen aan de leiding van de kerk, en hoe zowel James als Ellen op sommige momenten nogal onaangenaam waren (om het zacht uit te drukken) tegen hun collega’s. Ik kijk uit naar verder onderzoek naar enkele van de zaken die Daily aan de kaak stelt. Het is belangrijk dat we weten wat waar is, of wat niet volledig kan worden onderbouwd en wat misschien overdreven is. Op het eerste gezicht lijkt Steve Daily gedegen werk te hebben geleverd door voldoende bronnen voor zijn beweringen aan te dragen, maar ik vraag me af in hoeverre hij misschien selectief is geweest bij het gebruik van zijn bronnen.

Al deze aspecten zijn belangrijk, maar wat mij vooral verontrustte toen ik het boek las was de agressieve toon en de voortdurend herhaalde beschuldiging dat Ellen White een listige leugenaar en bedriegster was, die zichzelf op zeer dubieuze manieren verrijkte en een “oplichtster” in optima forma was. Ik vraag me af of die karakterisering terecht is. Was zij inderdaad zo’n boosaardig iemand die volhardde in een levenslang project van bedrog? Ik vind het moeilijk dit te geloven. Ik heb de indruk dat het boek een soort agressieve minachting voor het voorwerp van onderzoek tentoonspreidt die (althans volgens mij) verder gaat dan objectieve wetenschap. Moet de psychobiografische benadering misschien ook worden toegepast op de auteur?

De hamvraag is, denk ik, of dit een grote impact zal hebben op de kerk en hoe de kerk moet/zal reageren. Ik denk dat verschillende segmenten van de wereldkerk op verschillende manieren geraakt zullen worden. De realiteit is dat wereldwijd de meeste zevende-dags adventisten heel weinig weten over mevrouw White en niets of heel weinig gelezen hebben van wat zij heeft geschreven. Zelfs in de westerse wereld worden de meeste van haar boeken gekocht door een relatief kleine minderheid. De overgrote meerderheid van de leden van de kerk zal nooit van Steve Daily’s boek horen en zal er niet door worden beïnvloed. Aan de andere kant is er een veel kleinere, maar invloedrijke (en vaak vocale) groep die het boek van Steve Daily onmiddellijk zal wegzetten als de wraakzuchtige aanval van een gefrustreerde ex-Adventist, en dat het eenvoudigweg moet worden beschouwd als deel van Satans sluwe strategie om, waar hij kan, het werk van “de Geest der profetie” te ondermijnen.

Er is echter ook een derde segment, namelijk van degenen die zich in de loop van de tijd bewust zijn geworden van de vele gevoelige kwesties rond Ellen White (en haar echtgenoot), en die steeds sceptischer zijn geworden ten aanzien van de manier waarop haar geschriften werden en worden gebruikt om de kerk in een bepaalde richting te sturen en om traditionele leerstellige standpunten kracht bij te zetten, in het bijzonder met betrekking tot eindtijd. Veel predikanten, leraren en leiders op alle niveaus, en andere opiniemakers, maken deel uit van dit segment van de kerk. Zij zullen Steve Daily’s boek kritisch lezen en het soort vragen stellen dat ik hierboven noemde. En zij eisen bevredigende en eerlijke antwoorden. Het geven van deze antwoorden is niet alleen een dringende noodzaak op korte termijn, maar heeft ook implicaties voor lange termijn. Daily’s boek is niet de eerste of de laatste evaluatie van Ellen White’s levenswerk, maar draagt bij aan een steeds gedetailleerder en zorgelijker beeld van haar. Het is een beeld dat niet genegeerd kan worden.

Ik blijf geloven dat Ellen White een belangrijke rol heeft gespeeld in het ontstaan van de kerk waartoe ik behoor. Ik blijf bewijzen zien dat haar werk een belangrijke factor is geweest in de groei en ontwikkeling van het Adventisme. Ik geloof dat haar boeken, hoe ze ook geschreven mogen zijn, het geloof van vele kerkleden hebben versterkt. Maar ik realiseer me ook dat zij verre van volmaakt was. Ze leefde in het Victoriaanse tijdperk, in het Amerika van de negentiende eeuw. Zij was een onvolmaakt kind van haar tijd, te midden van andere onvolmaakte mensen, die samen bouwden aan de zich ontwikkelende kerk. Ik ben ervan overtuigd dat de kerkleiding in het verleden veel opener had moeten zijn over de aspecten van haar werk die twijfelachtig waren en over allerlei dingen die zij zei en schreef die maar het beste vergeten kunnen worden in plaats van op creatieve manier te worden goedgepraat. Het zal niet gemakkelijk zijn om het officiële, maar vervormde en soms mythische, beeld van Ellen White, dat aan de kerk is voorgehouden en steeds krachtig is verdedigd, recht te zetten. Er zal moed voor nodig zijn en het zal veel discussie en zelfs verwarring veroorzaken. Maar het is, naar mijn mening, de enige lange-termijn benadering die de kerk voor verdere narigheid zal behoeden. De enige manier om dit derde ledensegment binnen de Adventbeweging te houden, is het verwijderen van het aureool van heiligheid dat Ellen White steeds meer omgaf. Zij moet van haar onterechte voetstuk worden gehaald en de herinnering aan haar persoon en werk moet in ere worden gehouden op een manier die haar bijdrage aan de kerk erkent, maar die ook historisch juist is.

De kerk heeft leiders nodig die bereid zijn dit pijnlijke proces aan te gaan. Sommige leden zullen de kerk misschien verlaten, omdat zij zich verraden voelen door het feit dat dingen in de doofpot zijn gestopt en dat de kerk in onwetendheid is gehouden over ernstige problemen die bij meer ingewijden al lang bekend waren. Maar het zal veel Adventistische gelovigen – die zich nu onderweg zijn naar de achterdeur van de kerk , omdat zij geen antwoorden krijgen die zij als eerlijk ervaren – helpen om bij de kerk te blijven. Deze leden kunnen een essentiële rol spelen om de kerk sterk en geloofwaardig te houden in de komende tijd.

Kerk te koop

De stad Utrecht heeft een groot aantal prachtige kerken. Als je een lijst zoekt van alle kerkgebouwen die de stad rijk is, kun je een heel volledig overzicht vinden op Wikipedia. Als je die lijst bekijkt zie je dat deze kerkgebouwen in allerlei verschillende tijden werden gebouwd, vanaf de vroege middeleeuwen tot ver in de twintigste eeuw. Maar dan houdt het op. Er zijn in de eenentwintigste eeuw geen nieuwe kerken meer bijgekomen. Je ziet ook dat heel wat kerken de laatste tijd een andere bestemming hebben gekregen. Sommige zijn verbouwd tot appartementen of hebben tegenwoordig een culturele bestemming. Zo biedt de Buurtkerk, waarvan de bouw al in de tiende eeuw werd begonnen, nu onderdak aan het Museum Speelklok. Een andere middeleeuwse kerk, de Geertekerk, wordt voornamelijk gebruikt voor congressen en andere bijeenkomsten. Helaas staat in de laatste kolom van dit Wikipedia-overzicht, waarin de huidige status van de kerken wordt omschreven, bij een groot aantal Utrechtse godshuizen het woord: Gesloopt. Achter dat woord gaat vaak heel veel tragiek schuil. Ooit dienden deze kerken als het thuis van een geloofsgemeenschap. Vaak waren de kerkleden aan hun gebouw gehecht, maar ervoeren zij hoe het ledental steeds verder terugliep en het steeds moeilijker werd om als gemeente het hoofd boven water te houden. Er zat daarom niets anders op dan hun gebouw af te stoten. Soms kon het een andere bestemming krijgen. Vaak kwam het in handen van een projectontwikkelaar die commerciële plannen had, en verrees er een appartementsgebouw op de plaats waar voorheen de kerk stond.

Vandaag las ik in de krant dat er weer een grote kerk in Utrecht op het punt staat te verdwijnen, namelijk de St. Josephkerk. Het is een neogotisch gebouw van flinke omvang dat in 1901 werd gebouwd en in 1997 nog werd gerestaureerd. De kerk heeft prachtige gebrandschilderde ramen en een orgel met grote cultuurhistorische waarde. Het orgel werd rond 1872 gebouwd voor een evangelische kerk in het Duitse Barmen en in 1919 aangekocht door de St. Josephkerk. Maar nu staat de kerk, met inboedel en orgel, te koop bij een Utrechtse makelaar. Van degene die het pand koopt wordt verwacht dat hij/zij een passende bestemming zal zoeken en dat betekent dat het niet vanzelfsprekend naar de hoogste bieder zal gaan. Dat laatste is niet altijd het geval als een kerk te koop wordt gezet, maar de St. Josephkerk is rooms-katholiek eigendom en katholieken zijn over het algemeen kieskeuriger bij de verkoop van kerken dan de meeste protestanten. Het liefst ziet men, als een katholieke kerk in de verkoop gaat, dat een andere geloofsgemeenschap het behoudt voor de christelijke eredienst. De zevendedags adventisten in Nederland kochten een aantal jaren geleden voor een schappelijke prijs een katholiek kerkgebouw in Oost-Souburg in Zeeland (voor de gemeenten van Middelburg en Vlissingen die fuseerden) en een fraaie moderne katholieke kerk in de wijk Mariahoeve in Den Haag.

De verkoop van de Utrechtse St. Josephkerk past in een betreurenswaardig patroon. Heel veel kerkgebouwen verdwijnen of krijgen een andere bestemming als gevolg van de leegloop van de meeste kerkgenootschappen. Maar bij de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland verloopt dit proces sneller en dramatischer. Een groot aantal parochies, verspreid over het gehele land, houden op te bestaan of fuseren met andere parochies. Vaak hebben meerdere parochies samen maar één pastoor, die voor weinig anders tijd heeft dan voor begrafenissen, huwelijksdiensten en dopen. De bestuursstructuur van de Nederlandse bisdommen is, als gevolg van financiële zorgen, in de laatste jaren drastisch versoberd. Kortom, het gaat bergafwaarts met het Nederlands katholicisme. En dat is ook het geval in een aantal andere landen.

Hoe kijken we daar als adventisten tegenaan? Deze ontwikkeling past niet bij de traditionele uitleg van bepaalde profetische gedeelten in de Bijbel. Adventisten hebben in het verleden steeds verkondigd dat de eindtijd-coalitie van Gods vijanden zal worden aangevoerd door de Rooms-Katholieke Kerk. Ik moet bekennen dat ik die visie al lange tijd niet meer deel, ook al heb ik nog steeds bezwaren tegen een flink aantal aspecten van de katholieke leer en ontken ik niet dat de Rooms-Katholieke Kerk in de geschiedenis (en zeker in de Middeleeuwen) vaak een heel bedenkelijke rol heeft gespeeld. Maar nu wijst niets erop dat het katholicisme sterker wordt en tegen andere gelovigen ten strijde wil trekken. In onze postmoderne tijd van ontkerkelijking en secularisatie zijn andere christenen niet onze vijand, maar moeten we—-bij al onze verschillen—-samen een front vormen tegenover de krachten in onze wereld die het christelijk geloof als achterhaald willen wegzetten.

Nee, ik juich de verkoop van de St. Joseph kerk in Utrecht niet toe. Het is jammer dat er weer een plek van aanbidding in deze mooie stad verdwijnt.