Yearly Archives: 2019

Heeft de Adventkerk een nieuwe verklaring over abortus nodig?

Euthanasie blijft in Nederland een ‘hot’ onderwerp. Helaas heeft men elders in de wereld vaak een nogal vertekend beeld van de Nederlandse euthanasieprakrijk en -regels. In de Verenigde Staten hoor je soms dat je, als je boven de zestig bent, maar beter niet voor een operatie in een Nederlands ziekenhuis kunt belanden, want dan kunnen de dokters zo maar besluiten dat je eigenlijk wel lang genoeg hebt geleefd. In werkelijkheid zijn de regels in Nederland heel strikt—zoals iedereen weet die wel eens van nabij met euthanasie te maken heeft gehad. Het is waar dat er in Nederland van bepaalde kanten op wordt aangedrongen om de mogelijkheden voor euthanasie te verruimen. Maar we hadden juist recentelijk te maken met een geval waarin een arts wegens moord werd aangeklaagd nadat zij euthanasie had gepleegd bij een bejaarde demente vrouw. Deze patiënte had eerder een euthanasieverklaring getekend waarin zij had aangegeven dat zij niet langer wilde leven als zij dement zou zijn geworden. In weerwil van het feit dat enkele andere medici bij de zaak waren geraadpleegd (zoals de regels voorschrijven) en de familie de doodswens van de vrouw in kwestie bevestigde, werd de arts aangeklaagd wegens moord. Het argument dat werd aangevoerd is dat zij de euthanasie niet had moeten doorzetten, omdat de Nederlandse wet voorschrijft dat de arts, direct vóór de interventie, nog eens aan de betrokken persoon dient te vragen of het nog steeds zijn/haar wens is om te sterven. Dit was in het onderhavige geval niet mogelijk. Toch werd de euthanasie toegepast en daarom werd de arts door het Openbaar Ministerie aangeklaagd wegens moord. De bedoeling was om een duidelijke gerechtelijke uitspraak te krijgen hoe de wet in dergelijke gevallen precies moet worden toegepast. De rechter oordeelde vandaag dat er geen sprake was van moord maar dat de arts in feite zeer zorgvuldig had gehandeld.

Op dit moment gaat in Nederland de discussie veel meer over euthanasie dan over abortus. Natuurlijk zijn er (net als elders in de wereld) ook in ons land groepen die vinden dat de wet op zwangerschapsonderbreking veel te ruim is, maar abortus is onder Nederlandse christenen een veel minder heet hangijzer dan onder christenen in de VS. In de Verenigde Staten is er een immense kloof ontstaan tussen aanhangers van het zgn. ‘pro-life’ standpunt en degenen die abortus onder bepaalde omstandigheden toelaatbaar vinden. In de, in vele opzichten, hevig gepolariseerde Amerikaanse samenleving maken de verschillende groepen vaak een karikatuur van het standpunt van de tegenpartij. Helaas is het onderwerp van abortus helemaal in het domein van de politiek terechtgekomen. Voor een groot deel van de Amerikaanse ‘evangelicals’ is het anti-abortus standpunt van Donald Trump voldoende reden om hem politiek te steunen, ondanks zijn vele ethisch hoogst dubieuze woorden en daden.

Het is in deze gepolariseerde Amerikaanse context dat het hoofdkantoor van de Adventkerk heeft besloten om een nieuwe officiële verklaring over abortus op te stellen. Er is een heel evenwichtig document dat in 1992 door de najaarsvergadering van de wereldkerk werd aangenomen. Dit werd gepubliceerd als ‘richtlijn’ en niet als een officiële definitieve positiebepaling. Het was, en is, een zeer waardevol document dat duidelijk maakt dat het leven een kostbaar geschenk is van God, waarmee de mens heel zorgvuldig moet omgaan. Maar in dit document wordt ook aangegeven dat er situaties kunnen zijn waarin het verdedigbaar is om het beginnende leven af te breken, en dat dit ten allen tijde een persoonlijk beslissing is. De kerk doet er goed aan een ‘richtlijn’ te geven, maar moet niet voorschrijven wat een individu moet doen. Het is geen geheim dat er (veel?) kerkleden zijn die vinden dat dit document niet voldoende ‘anti-abortus’ is. Het laat, zegt men, te veel ruimte aan het individu en aan adventistische ziekenhuizen. Daarnaast komen er ook van buiten de kerk vragen waarom de Adventkerk geen duidelijker anti-abortus standpunt heeft.

Volgens mij zouden we er goed aan doen om ons, althans voorlopig, tevreden te stellen met het document dat we hebben. Er bestaat grote kans dat een nieuwe verklaring de vrijheid van het individu zal inperken en het voor adventistische ziekenhuizen moeilijker zal maken om vrouwen in nood, voor wie een abortus een verdedigbare optie is, te helpen.

Waarover ik me vooral ook zorgen maak is dat het voornemen om met een nieuwe abortusverklaring te komen vooral geïnspireerd lijkt te worden door de huidige Amerikaanse politieke situatie. Dat toont maar weer eens opnieuw hoe ‘Amerikaans’ de Adventkerk nog steeds in veel opzichten is. Voor een kerk die er prat op gaat dat zij een ‘wereldkerk’ is, is dat een hoogst bedenkelijke zaak.

Ben ik gelukkig?

Soms stel ik mijzelf de vraag: ‘Hoe gelukkig ben ik eigenlijk?’ Als Nederlander zou ik mij heel gelukkig moeten voelen. Volgens het World Happiness Report van 2019 (uitgebracht door een afdeling van de Verenigde Naties) waarin een ranglijst te vinden is van 156 landen staat Nederland op de vijfde plaats van gelukkigste landen (na Finland, Noorwegen, Denemarken en IJsland). In dit rapport wordt geluk gemeten aan de hand van verdeling van welvaart, sociale verbondenheid, levensverwachting en keuzevrijheid.

Ik bof dus maar dat ik in Nederland werd geboren. Onze premier wordt trouwens ook niet moe te onderstrepen dat we in een prachtig land wonen waarop we zuinig moeten zijn en waar het veel beter toeven is dan in de meeste andere landen in de wereld. Dat mag dan zo zijn, maar geluk is voor veel mensen in ons land toch ook maar een relatief begrip. Zoals ik in mijn vorige blok schreef zijn er in dit gelukkige Nederland ruim 38.000 daklozen. Dat zijn er evenveel als het inwonersaantal van een flinke provinciestad. Volgens recente gegevens neemt het aantal mensen dat een sociale uitkering geniet wel al geruime tijd iets af, maar het zijn er toch nog altijd ruim 800.000. Onze minister van financiën zei vorige week in een speech dat er zelfs in de zgn. middenklasse heel velen zijn die maar één kapotte wasmachine verwijderd zijn van ingrijpende financiële misère. Ik weet niet goed hoe ik dit soort cijfers moet interpreteren, want ik zie tegelijkertijd het aantal horecabedrijven in ons land explosief toenemen, terwijl ook steeds meer landgenoten meerdere malen per jaar op vakantie gaan.

Maar laat ik terugkeren naar de vraag waarmee ik mijn blog opende. Ben ik gelukkig? Het hangt er maar vanaf hoe ik ‘geluk’ definieer. In elk geval ben ik niet ‘volmaakt’ gelukkig in de zin dat ik geen problemen ken; dat ik aan al mijn materiële wensen kan voldoen; dat al mijn sociale relaties optimaal functioneren; dat ik nog even energiek ben als twintig jaar geleden; dat geen van mijn projecten voor honderd procent succesvol zijn en dat ik er nooit om de een of andere reden een dagje gewoon ‘de pest’ in heb.

Hoe ik het ook wend of keer: de wereld waarin ik leef is verre van gelukkig. De laatste weken word ik herhaaldelijk met mijn neus op het feit gedrukt dat het leven eindig is en dat er veel mensen heel ernstig ziek zijn. En op heel veel plaatsen in de wereld is er grote politieke onrust. Er zijn voorbeelden te over: het Verenigd Koninkrijk, Hongkong, Jemen en het Midden-Oosten (maar daar is het altijd hommeles, dus dat tellen we eigenlijk al niet meer mee). Orkaan Dorian heeft net een spoor van vernieling getrokken over de Bahamas en bedreigt op het moment dat ik deze regels schrijf een deel van de kust van het Zuidoosten van de Verenigde Staten. Nee, een erg gelukkige wereld is het, als je het zo bekijkt, niet.

Toch beantwoord ik de vraag of ik gelukkig ben overwegend positief. Ik ben nu bijna 55 jaar ‘gelukkig’ getrouwd. We hebben twee goede kinderen en zijn gezegend met twee leuke kleinkinderen. Ik ben ‘gelukkig’ nog redelijk gezond. Ik heb een boeiend en afwisselende loopbaan gehad. Ik kan nog steeds bezig zijn met zinvolle projecten. En ik vind in mijn geloof een solide basis van zingeving.

Misschien moeten we, als we ‘geluk’ proberen te definiëren, ons vooral laten inspireren door de zaligsprekingen die Christus uitsprak als onderdeel van zijn bergrede. Als we dat doen ontdekken we dat echt ‘geluk’ vooral te maken heeft met tevredenheid, dankbaarheid, aanvaarding, oog hebben voor het goede. Geluk heeft vooral te maken met het vertrouwen dat wij een plekje innemen in Gods wereld. Geluk is daarom vooral hoopvol vertrouwen dat we ons, ook als het in het leven soms tegenzit en we ongeluk op onze weg vinden, gedragen mogen weten door een liefdevolle kracht die ver boven ons uitstijgt. Wie dat niet kan geloven moet tevreden zijn met een zeer oppervlakkig soort geluk—een zeepbel die op elk moment uiteen kan spatten.

Dakloos in Nederland

Vorige week berichtten de Nederlandse media dat volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek het aantal daklozen in ons land in de laatste tien jaar is verdubbeld. Er leven nu ongeveer 39.000 mensen (overwegend mannen) op straat. Vooral de categorie van mannen tussen de 18 en 30 jaar en van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn sterk oververtegenwoordigd. De cijfers werden door allerlei instanties als heel schokkend ervaren en de verantwoordelijke staatssecretaris kondigde meteen aan dat hij er extra aandacht aan zal gaan geven. Maar een week later is het nieuws bij de meesten al weer grotendeels weggeëbd. Toch moest ik er de afgelopen week steeds weer aan denken. Hoe is het mogelijk dat we er in een van de rijkste landen ter wereld niet in slagen om iedereen een dak boven zijn/haar hoofd te geven? Er zijn weliswaar opvanghuizen waar daklozen tijdelijk terecht kunnen, maar die zijn overvol en bieden geen blijvende oplossing voor de betrokkenen. Het Leger des Heils is actief op dit gebied, maar je ziet relatief weinig andere christelijke organisaties die zich voor de dak- en thuislozen inzetten.

Ik kan zo’n probleem niet gemakkelijk van mij afzetten. Net zo min als ik zonder gêne en schuldgevoel een bedelaar kan passeren. Ik was een paar dagen geleden weer eens in Brussel en ik verbaas me er altijd over hoeveel bedelaars je daar op straat ziet. Ik geef meestal wel een of twee euro. Een enkele keer loop ik zonder te geven verder, maar bedenk ik mij en ga ik terug om alsnog wat te geven. Ik ken alle argumenten die je kunt aanvoeren om niet te geven—maar er zitten tussen die bedelaars ongetwijfeld mensen die een heel beperkte keuze hebben om in leven te blijven: stelen of bedelen.

Schrijvend aan deze blog denk ik aan een ervaring in Griekenland. Een aantal jaren geleden was ik reisleider voor een groep adventistische senioren naar Griekenland. We gingen tijdens onze reis op zaterdag naar de Adventkerk. Ik was uitgenodigd om die ochtend in de kerk van Athene te preken. Ons hotel was niet ver van het kerkgebouw en op vrijdagavond besloot ik er al vast een kijkje te gaan nemen. Voor de deuren van de kerk lagen zes dakloze verslaafden. Bij navraag bleek dat dit hun vaste slaapplaats was. Op zaterdagmorgen werden ze steevast verwijderd en werden ook de injectienaalden en andere blijken van hun aanwezigheid opgeruimd. Het deed de vraag bij mij rijzen waarom er voor deze mensen-in-nood geen plek beschikbaar was in het kerkgebouw. Natuurlijk begreep ik de argumenten die men aanvoerde waarom dat geen goed idee was, toen ik op zaterdag met enkele gemeenteleden daarover in gesprek ging. Sommige leden zouden niet langer ter kerke gaan en ouders met kinderen zouden hun kroost niet met druggebruikers willen confronteren. Enz.

Ik zou, als ik verantwoordelijk was geweest voor die kerk in Athene, waarschijnlijk eenzelfde afweging hebben gemaakt. Maar eraan terugdenkend komt de vraag weer heel scherp boven: Wat is onze christelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van mensen die, al dan niet door eigen schuld, aan de rafels van de maatschappij zijn terechtgekomen?

Ik stel vast (met weliswaar enig innerlijk ongemak) dat het niet reëel is om mijn woning open te stellen voor een of meer daklozen en dat het ook te veel praktische bezwaren oplevert om daarvoor ruimtes in kerkgebouwen langdurig vrij te maken. Maar zouden we dan toch niet in elk geval als geloofsgemeenschap iets concreet kunnen doen? Zouden we geen tehuis voor daklozen kunnen stichten? Ongetwijfeld is daarvoor overheidssubsidie beschikbaar, zodat het financieel haalbaar is. Toen de (toen nog veel kleinere) kerk in 1933 de noodzaak zag van meer opvang van wezen en andere kinderen die een thuis nodig hadden, werd Kinderhuis ‘Zonheuvel’ gesticht. Waarom kon zoiets toen wel en zou een opvang voor daklozen nu niet haalbaar zijn?

En misschien is er nog een andere manier om een bescheiden bijdrage te leveren aan het oplossen van het Nederlandse daklozenprobleem. Het lijkt me een heel relevant project voor ADRA-Nederland, mogelijk samen met andere organisaties die zich al voor deze doelgroep inzetten. Ik vermoed dat het veel Nederlandse ADRA-donoren sterk kan aanspreken!

EEN NIEUW BOEK: CHRISTELIJK DENKEN EN DOEN

Op vrijdag 23 augustus is het nieuwe boek ‘Christelijk denken en doen – Hoe geloof je leven richting geeft’ van Reinder Bruinsma verschenen. Dit boek over geloofszaken wordt uitgegeven door Uitgeverij Boekscout.

Samenvatting
Christelijk denken en doen laat zien hoe het christelijk geloof je dagelijkse doen en laten beïnvloedt; hoe je ‘goed’ van ‘kwaad’ onderscheidt en omgaat met thema’s als geweld, vrede, seksualiteit, seksuele geaardheid, gezondheid, de natuur, werk en geld. Verder is er aandacht voor vragen rond het begin en het einde van het leven.
Aan de hand van duidelijke voorbeelden maakt de schrijver
moeilijke onderwerpen begrijpelijk. Tegelijkertijd laat hij
voldoende ruimte om eigen standpunten te vormen. Door de objectieve invalshoek spreekt dit boek een grote lezersgroep aan en laat het menig christen zien hoe geloof het leven richting geeft.

Over de auteur
Dr. Reinder Bruinsma (1942) is emeritus-predikant. Tijdens zijn lange loopbaan heeft hij uiteenlopende functies vervuld — in het pastoraat, het onderwijs en het uitgeverswerk van de Kerk van de Zevendedags Adventisten (kortweg: Adventkerk) en als bestuurder — in Nederland, West-Afrika, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. In de periode 2002 – 2007 was hij voorzitter van de Adventkerk in Nederland.
Bruinsma promoveerde aan de Universiteit van Londen (Verenigd Koninkrijk). Hij schreef honderden artikelen en zo’n dertig boeken, waarvan sommige in een aantal talen werden vertaald. Hij is nog steeds actief in binnen- en buitenland als spreker en schrijver.

Fragment uit het boek
Christelijk denken heeft allereerst te maken met het onderscheid tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. Maar hoe weet je wat ‘goed’ is? Hoe informeert je christelijk geloof je over wat goed en niet goed is? Hoe maak je ‘goede’ keuzes? Voordat we verdergaan moeten we meteen vaststellen dat goede dingen doen en goed-zijn niet het domein is waar christenen het alleenvertoningsrecht hebben. Sommige vrome christenen kunnen onmogelijk als ‘goede mensen’ worden betiteld, terwijl veel niet-christenen ‘goed’ zijn voor zichzelf en hun medemensen en voor de maatschappij om hen heen. De scheiding tussen ‘goed’ en ‘kwaad’, of tussen ‘goed’ en ‘minder-goed’, loopt `zeker niet precies tussen christenen aan de ene kant en humanisten aan de andere kant, of tussen christenen enerzijds en moslims en boeddhisten anderzijds.
De meningen verschillen over wie bepaalt wat goed en kwaad is. Is het louter een kwestie van afspraken tussen mensen? Van een soort sociaal contract? Gaat het om normen die geleidelijk aan door een meerderheid in de maatschappij zijn aanvaard en een deel van ons cultureel erfgoed zijn geworden? Die dingen spelen een rol maar christenen zijn met zo’n antwoord niet tevreden. Zij geloven dat God uiteindelijk bepaalt wat ‘goed’ is en dat hij tal van richtlijnen heeft gegeven die ons mensen helpen om het goede van het verkeerde te scheiden. [...]
[...] Geloven gaat dieper dan het onderschrijven van een aantal leerstellingen. Geloof is veel meer dan verstandelijke geloofskennis en bekendheid met dogmatische argumenten. Geloof is een kwestie van God liefhebben met heel je verstand, maar ook met heel ‘je ziel en met heel je hart’ (Matteüs 22:27). Christelijk geloof is vooral een manier van in het leven staan en van het perspectief van waaruit je tegen de wereld, je omgeving en jezelf ‘op een christelijke manier’ aankijkt. Echt geloof moet handen en voeten krijgen in je dagelijks leven.

Boekgegevens
Titel: Christelijk denken en doen – Hoe geloof je leven richting geeft Auteur: Reinder Bruinsma

Bestellen via webwinkel van: www.boekscout.nl
ISBN:9789463895439
Verkoopprijs: € 20,50
Aantal pagina’s: 192 Uitvoering paperback
* inclusief kosteloze verzending in Nederland en België

Waarom een vergadering in 1919 zo belangrijk was

Dr. Michael Campbell heeft met het schrijven zijn nieuwste boek de Adventkerk een grote dienst bewezen. Dde titel luidt: 1919—The Untold Story of Adventism’s Struggle with Fundamentalism (Pacific Press Publ. Ass., 2019). Campell, die onlangs terugkeerde uit de zending in de Filippijnen om deel te gaan uitmaken van de theologische staf van Southwestern Adventist University in Keene, Texas (USA), heeft met dit boek een belangrijke leemte opgevuld in onze kennis van de langdurige vrijage tussen het adventisme en het fundamentalisme. Dit boek laat zien dat deze intieme relatie niet altijd dezelfde intensiteit had en onderzoekt waarom, en op welke manier, veel adventistische theologen, kerkleiders en ‘gewone’ kerkleden zich tot de belangrijkste aspecten van de fundamentalistische beweging aangetrokken voelden.

Een van de cruciale gebeurtenissen die een grote impact hadden op de adventistische visie op inspiratie, was een bijbelconferentie die in 1919 plaatsvond. Maar hoe belangrijk deze bijeenkomst ook was, hij was spoedig grotendeels vergeten en de verslagen van de vergaderingen (die zes weken duurden) verdwenen—hetzij per ongeluk of met opzet—en bleven zoek totdat zij in 1974 in de archieven van de Generale Conferentie werden teruggevonden. De inhoud ervan raakte pas in bredere kringen bekend toen dr. Molleurus Couperus delen ervan publiceerde in Spectrum in mei 1979. [Ik ontmoette deze dr Couperus een aantal keren toen hij op bezoek kwam bij zijn bejaarde moeder, in een bejaardenhuis in Heerenveen. Ik begon mijn kerkelijke loopbaan in die Noordelijke contreien. Dr. Couperus was van Nederlandse oorsprong, Bij mij bezoeken aan zijn moeder—een heel aardige en slimme dame–speelde ik soms een spelletje schaak met haar.)

De delen van de verslagen van de conferentie van 1919 die in Spectrum werden gepubliceerd gingen vooral over de inspiratie van Ellen White. Zij was enkele jaren daarvoor gestorven en de kerkelijker leiders en theologiedocenten moesten de aard van de inspiratie van de profeet in kaart brengen en tot overeenstemming komen over de blijvende rol van haar geschriften. Ik herinner me nog heel duidelijk hoe ik, toen ik het Spectrum artikel in 1979 las, getroffen was door de ‘moderne’ vragen die de deelnemers aan de bijbelconferentie van 1919 stelden. Sommigen van hen hielden vol dat de ‘fundamentalisten’ het gelijk aan hun kant hadden bij het verdedigen van ‘verbale’ inspiratie, met foutloosheid en onfeilbaarheid als specifieke kenmerken. Anderen (onder wie enkele van de belangrijkste leiders) verwierpen deze conservatieve inspiratie-opvatting. In de discussie over het werk van Ellen White onderstreepten zij dat mevr. White zelf nooit had beweerd dat zij nooit fouten maakte bij historische feiten en theologische standpunten en dat zij er ook nooit een geheim van had gemaakt dat zij gebruik maakte van veel andere bronnen. Degenen die een realistische visie op Ellen White en haar werk verdedigden, wezen er ook op dat veel kerkleden nogal fundamentalistisch waren en erg geschokt zouden zijn als zij ‘de waarheid’ zouden horen. Hoewel sommigen—onder wie de voorzitter van de Generale Conferentie, A.G. Daniels—benadrukten dat de leden van de kerk geïnformeerd moest worden, gebeurde dat nauwelijks via de officiële kerkelijke kanalen. Het is dan ook veelzeggend dat het in 1979 een onafhankelijk adventistisch tijdschrift was waarin delen van de verslagen van de conferentie van 1919 werden gepubliceerd.

In recente jaren is de kerk meer open geweest dan voorheen bij het erkennen van een aantal van de ‘hete aardappelen’ ten aanzien van de persoon en het werk van Ellen White. Ik geloof niet dat Ronald Numbers nu zou worden ontslagen vanwege het publiceren van zijn boek Prophetess of Health, waarin hij liet zien hoe Ellen White veel van haar gezondheidsprincipes ontleende aan de ideeën van andere gezondheidshervormers. Maar nog steeds komt nieuwe informatie over het leven en werk van Ellen White bijna altijd via niet-kerkelijke kanalen. En nog meer dan rond 1919 is het nu van groot belang dat de leden van de kerk te weten komen wat er zoal ontdekt is. Dat zal geen afbreuk doen aan het besef van de enorme bijdrage van Ellen White aan de Adventkerk. Maar het zal wel een streep halen door allerlei mythen die al veel te lang zijn blijven voortleven. Deze mythen hebben het misplaatste geloof in de onfeilbaarheid van Ellen White van velen te lang versterkt, en hebben (helaas) ook velen ertoe gebracht dat ze haar volledige de rug hebben toegekeerd. Alleen volledige openheid kan ervoor zorgen dat wij haar boeken zo lezen en interpreteren dat ze ons geloof opbouwen en dat wij haar rol in het adventisme van vroeger en nu blijven waarderen.