Yearly Archives: 2019

Een uitnodiging

Op woensdagmorgen werd er aangebeld. Aangezien wij in een apartementsgebouw wonen moeten bezoekers en bezorgers zich eerst melden voordat zij het gebouw binnen kunnen komen. Vanuit onze woning kunnen we dan besluiten of we iemand toelaten tot het gebouw en toestemming geven om naar onze voordeur op de tweede verdieping te komen. De aanbellers van deze morgen waren twee dames. Ze hadden een simpel verzoek: Vond ik het goed dat ze een folder in onze brievenbus zouden doen over een congres over het thema liefde dat binnenkort gehouden zou worden. Keurig dus: want er is een sticker bij onze brievenbus die zegt dat we wel de plaatselijke krantjes willen ontvangen maar geen reclamedrukwerk.

Ik vond het goed dat zij het foldertje in onze brievenbus zouden doen. En wat ik al dacht bleek inderdaad te kloppen. De dames waren jehovah’s getuigen. En het foldertje was een uitnodiging om op 2, 3, en 4 augustus naar de Utrechts Jaarbeurshallen te komen om daar een congres te komen bijwonen van het Wachttorengenootschap.

Ik houd het niet nauwkeurig bij hoe de ‘jehovah’s’ te werk gaan bij hun ‘getuigen’. Maar een paar dingen zijn mij wel opgevallen. De opdringerige tactiek met de spreekwoordelijke ‘voet tussen de deur’ is beslist iets van het verleden. En het ‘getuigen’ op straat heeft ook een nieuwe vorm gekregen. In een aantal landen zag ik hoe men tegenwoordig een handige opvouwbare metalen standaard heeft waarop de publicaties kunnen worden uitgestald. En ik heb daarbij de indruk gekregen dat het publiek pas benaderd wordt als er enige belangstelling wordt getoond. En als ik zo af en toe eens een exemplaar van de ‘Wachttoren’ of een ‘Ontwaakt’ in handen krijg, valt het me op dat de titels van de artikelen heel gematigd van toon zijn en veel van het alarmistische van vroeger allengs kwijt zijn geraakt. Ook het foldertje dat ik in de bus kreeg maakt geen melding van Armageddon of andere vreselijke dingen die op het punt staan te gebeuren.

De vraag is natuurlijk hoe succesvol de ‘getuigen’ momenteel zijn in het rekruteren van nieuwe leden. Het is moeilijk om exacte cijfers te achterhalen. Maar volgens een site die mij redelijk objectief lijkt (https://wachttorenkijker.wimdegoeij.nl/jehovahs-getuigen-statistieken/) waren er in 2015 ruim 29.500 leden en dat was ongeveer 1.500 minder dan in 1995.  Over 2015 was er een groei van 15 leden, terwijl in 2016 het ledental met 18 terugliep.

Ik vond en vind het altijd vervelend als adventisten en jehovah’s getuigen in een adem worden genoemd. Gelukkig is dat steeds minder het geval en is het besef sterk toegenomen dat adventisten een protestantse geloofsgemeenschap zijn in plaats van een sekte. Veel jehovah’s getuigen zijn ongetwijfeld oprechte gelovigen. Hun ijver voor de verbreiding van hun overtuiging is wel minder dan vroeger, maar nog steeds een voorbeeld voor veel ‘main-line’ christenen. Het feit dat zij naar nieuwe methoden zoeken om leden te werven is prijzenswaardig. Elke beweging die dat nalaat plukt daarvan de wrange vruchten.

Als zevendedags adventist zie ik natuurlijk ook graag dat de kerk waartoe ik behoor blijft groeien. Ik betwijfel of we daarbij terug moeten naar vroeger en ook weer ‘langs de deuren’ moeten gaan of folders moeten uitdelen.  (Als er al op grootschalige manier folders moeten worden verspreid, dan kunnen we dat uitstekend overlaten aan Post.NL of Sand.) Ik betwijfel ook of grote congressen veel nieuwe contacten zullen opleveren. We zullen wel nooit te horen krijgen hoeveel niet-jehovah’s het congres in Utrecht zullen bezoeken. Misschien zal het congres veel ‘getuigen’ inspireren maar of het tot ledenaanwas leidt, ik betwijfel het.  En of de nieuwe wijze van het presenteren van publicaties veel zoden aan de dijk zet? Ook dat betwijfel ik.

Adventisten moeten ook blijven zoeken naar nieuwe manieren om met de wereld om hen heen te communiceren. Maar ik herhaal wat ik in een vorige blog heb gezegd: De grootste prioriteit is om een warme en open geloofsgemeenschap te zijn die mensen samenbindt—een gemeenschap die uitstraalt dat men daar wat belangrijks te zeggen geeft dat het leven rijker maakt. De reacties die ik via allerlei kanalen op mijn blog van vorige week kreeg onderstreepten de droeve realiteit dat we op dat punt in heel veel plaatsen nog een lange weg hebben te gaan.

Deel van een gemeenschap

Het onderwerp van kerkverlating heeft mij al geruime tijd intens beziggehouden. Wanneer ik dan ook een boek zie dat daarover gaat ben ik meteen geïnteresseerd. Tijdens een recent bezoek aan de beroemde Blackwell boekwinkel in Oxford zag ik een boek met de titel Mass Exodus: Catholic Disaffiliation in Britain and America since Vatican II(door Stephen Bullivant, uitgegeven door Oxford University Press, 2019). Ik bladerde het uitgebreid door en besloot het te kopen. Het boek analyseert de exodus van mensen uit de katholieke kerk in een aantal bisdommen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De conclusies zijn echter in belangrijke mate ook geldig voor beide landen als geheel en voor andere gebieden in de wereld. Het is een feit dat de Rooms-Katholieke Kerk het zwaar te verduren heeft gehad vanwege de seksuele schandalen waarover de media uitgebreid hebben bericht. Dat heeft gemaakt dat velen zich ervoor schaamden zich nog langer ‘katholiek’ te noemen. Maar de massale kerkverlating heeft vooral een aantal andere redenen en een daarvan is, zoals het boek beklemtoont, het wegvallen van de band met de kerk. Kerkverlating is niet in de eerste plaats het gevolg van leerstellige kwesties of intellectuele twijfel, maar van het feit dat men geleidelijk aan de band verliest met de gemeenschap waar men ooit zijn geestelijk huis vond.

In een adventistisch kader heeft met name professor Richard Rice (theologische faculteit, Loma Linda University) erop gewezen dat er ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden in de houding van de postmoderne generaties ten aanzien van kerk en geloof. In zijn boek Believing, Behaving, Belonging: Finding New Love for the Church(2002), dat in Nederland verscheen met de titel: Geloven Doe je Samen(2009) legt hij uit hoe voorheen geloven eerst kwam en daarna de band met een gemeenschap van gelovigen. Maar vandaag de dag is de volgorde precies andersom: ergens echt bij horen komt eerst. Het gaat er de mensen vooral om dat zij een warme band hebben met de kerk als een plek waar zij ‘thuis’ zijn—waar ze mogen zijn wie en wat zij zijn, inclusief al hun vragen en twijfels. Het tot stand brengen en bewaren van dat gevoel van samen-geloven is echter een kwestie van twee-richtings-verkeer. Het individu heeft zijn aandeel en moet willen bijdragen aan die gemeenschap. Maar de geloofsgemeenschap moet ook alles doen wat mogelijk is om elk lid van de groep een gevoel te geven van veiligheid en respect. Iedereen die deel is van de gemeenschap moet het gevoel krijgen dat hij/zij belangrijk is en dat men blij is dat hij/zij er is. En wanneer zich een crisis voordoet in het leven van leden van de groep moet men er ‘voor elkaar zijn.’

Vorige week waren mijn vrouw en ik op bezoek bij iemand die ons vertelde over haar relatie met haar kerk. (Dat was geen Adventkerk en ik geef er de voorkeur aan om in het midden te laten welk kerkgenootschap het betrof.) Zij vertelde ons hoe zij was opgegroeid in haar kerk, maar hoe zij na verloop van tijd niet langer meer op zondag naar de kerk ging of verder actief bij de kerk betrokken was. Niemand van de kerk had haar echter ooit bezocht en zelfs toen zich een sterfgeval in de familie voordeed was er nauwelijks sprake van enige belangstelling voor haar. Omdat zij de kerk al lang niet meer bezocht, kreeg ze op een gegeven moment een zakelijk berichtje dat haar naam uit de ledenlijst werd verwijderd omdat zij kennelijk geen band met de kerk meer wenste te behouden.

Door de jaren heen heb ik veel te veel van dat soort verhalen gehoord. Altijd wanneer iemand mij een dergelijk verhaal vertelt, schaam ik mij als gelovige. Het doet pijn en tot op zekere hoogte trek ik het mij persoonlijk aan. Waarom slaagt de kerk (waarom slaagt ook mijn kerk) er niet beter in om mensen te laten weten dat men hen graag wil houden als leden van de gemeenschap?

Ik hoop dat in de loop der jaren sommige dingen die ik heb geschreven mensen hebben geholpen om bij de kerk te blijven of een nieuwe manier te ontdekken om het contact met hun kerk te herstellen en zelfs hun geloof te hervinden. Een paar weken geleden was ik op Newbold College in Engeland. Ik had net aan het buffet mijn maaltijd samnegesteld en was op zoek naar een plaats in het cafetaria toen een man mij aansprak. Hij zei: ‘Ik ben die-en-die. U kent mij waarschijnlijk niet. Maar nu ik u toevallig zie wil ik u wel vertellen dat ik alles lees wat u schrijft en dat dit ervoor heeft gezorgd dat ik nog steeds bij de kerk ben.’  Iets dergelijks overkomt me gemiddeld misschien elk jaar een paar keer. (Trouwens, vanmorgen nog werd iemand een Facebook ‘vriend’ vanwege een soortgelijke reden.) Dat geeft uiteraard veel voldoening. Maar als ik denk aan alle mensen die ik ken, of gekend heb, die afstand hebben genomen van de kerk, dan vraag ik me af: Heeft de kerk al het mogelijke gedaan om deze mensen niet uit het oog te verliezen? En dan besef ik dat die vraag ook mijzelf direct raakt. Heb ik gedaan wat ik kon om contact te houden met die mensen en hen er van tijd tot tijd van te verzekeren dat de geloofsgemeenschap waartoe zij ooit behoorden nog steeds in hen geïnteresseerd is en dat het, ondanks alle onvolmaaktheden, nog steeds de moeite waard is om daarbij te horen?  Het stemt tot nadenken.

Herdenking van de slavernij

Op 1 juli werd in Amsterdam in het Oosterpark een herdenking gehouden van de afschaffing van de slavernij door Nederland. Jaarlijks wordt de Keti Koti herdenking gehouden bij het Monument van de Nederlandse Slavernij en Erfenis om stil te staan bij het feit dat in 1863 de slavernij werd afgeschaft. In 1860 werd de slavernij al verboden in een groot deel van Nederlands Oost-Indië, maar in 1863 kwam ook officieel aan de slavernij op de Nederlandse Antillen en Suriname een einde. Daarmee was Nederland een van de laatste landen die een einde maakte aan de slavernij. Ook in andere plaatsen in Nederland werd op 1 juli het einde van de slavernij herdacht, met name in Middelburg dat een belangrijk centrum voor de slavenhandel was geweest.

Nederland bevorderde niet alleen uit economische motieven het gebruik van slaven in de Nederlandse koloniën, maar had ook lange tijd een belangrijk aandeel in de internationale slavenhandel. Naar schatting was dat aandeel tussen de vijf en acht procent en ging het daarbij om tussen de 500.000 en 850.000 mensen.

We kunnen nu alleen nog maar met afschuw terugdenken aan deze vreselijke mensenhandel en alle daaraan verbonden misstanden en mensonterende toestanden. En het is een goede zaak dat onze maatschappij daar af en toe bij stilstaat en dat dit schandelijke deel van onze geschiedenis niet wordt vergeten. En natuurlijk heeft de geregelde herdenking een diepe betekenis voor allen die nazaten zijn van slaven.

De vraag die regelmatig opkomt is of er misschien ook aan deze nazaten alsnog een financiële compensatie moet worden gegeven voor het leed dat hun voorouders werd aangedaan. De vraag wordt wellicht versterkt door een andere schandelijke zaak uit het verleden die kortgeleden veel aandacht kreeg. Ik bedoel de rol van de Nederlandse Spoorwegen tijdens de Tweede Wereldoorlog bij het wegvoeren van joodse landgenoten naar o.a. Westerbork. Op voordracht van een commissie die werd geleid door Job Cohen, een voormalige burgemeester van Amsterdam, heeft de NS besloten aan de overlevenden van deze transporten en hun nabestaanden een schadevergoeding te betalen. Nu zijn, mijns insziens, deze twee kwesties niet helemaal te vergelijken. De huidige NS is dezelfde organisatie als die zich zo’n 75 jaar geleden door de nazi’s liet inschakelen in het kader van hun plannen om de maatschappij van joden te zuiveren. En misschien is het dan ook wel terecht dat, zij het erg laat, deze onderneming daarvoor de verantwoordelijkheid accepteert.

Maar is het wenselijk om na ruim 150 jaar nog tot een financiële compensatie over te gaan voor de nazaten van de slaven? Ik betwijfel het. En hoe verschrikkelijk de slavernij ook was, in de loop der eeuwen zijn ook andere bevolkingsgroepen door Nederland heel onrechtvaardig behandeld. Het is goed dat de geschiedenis daar aandacht aan besteedt. Maar moet het steeds tot financiële compensatie leiden?

Ik zou eerder wensen dat regelmatig stilstaan bij de Nederlandse rol in de slavenhandel en het Nederlandse enthousiasme om slaven geld voor ons te laten verdienen op de plantages in de koloniën, ons ertoe brengt dat we alle mensen, veraf en dichtbij, behandelen als volledig gelijken. We hebben pas echt helemaal ons slavernijverleden achter ons gelaten als alle discriminatie verdwenen is en als allen die in ons land zijn—ongeacht afkomst, kleur, gender, seksuele oriëntatie, of religie—gelijk zijn. Niet alleen juridisch, maar in de wijze waarop zij in het dagelijks leven worden behandeld, en wat betreft de manier waarop we allemaal diep in ons hart over hen denken. Geld geven aan nakomelingen van slaven kan mogelijk een goed gebaar zijn. Het kan ons nationale schuldgevoel wellicht verlichten. Maar we blijven schuldig aan een subtiel soort slavernij, zolang we ieder mens exact op dezelfde wijze behandelen.

 

Maarten

Ik was een van de miljoenen Nederlanders die mandagmiddag op de televisie keken naar de aankomst van Maarten van der Weijden in Leeuwarden in de provincie Friesland. Ik moet bekennen dat ik het moment niet wilde missen dat hij de wal kon aantikken en uit het water klom na—met slechts enkele korte tussenpauzes–bijna 200 kilometer te hebben gezwommen. Dit was nog nooit eerder gedaan en ik vermoed dat er niet veel mensen zijn die het hem ooit zullen nadoen.

Maarten volgde het traject van waterwegen die de elf Friese steden met elkaar verbinden. De Elfstedentocht heeft in de harten van de Friezen en van veel Nederlanders een heel speciale plek gekregen sinds deze schaatstocht in 1909 voor het eerst werd georganiseerd en heeft plaatsgevonden in de jaren sindsdien waarin het ijs op de sloten en kanalen sterk genoeg was om de tienduizenden deelnemers te kunnen dragen. Maar de klimaatverandering eist ook hier zijn tol. Warmere winters hebben ervoor gezorgd dat de tocht sinds 1997 niet meer veilig kon worden gehouden. Toch blijft men elk jaar de voorbereidingen treffen, want je weet maar nooit . . .  Je moet heel goed kunnen schaatsen en bijzonder fit zijn om de elfstedentocht te kunnen volbrengen.  Maar om die afstand van zo’n 200 kilometer te zwemmen, dat is toch weer een heel ander verhaal.

Vorige jaar begon Maarten aan dit marathon-avontuur, maar moest hij zijn poging na 163 kilometer opgeven. Afgelopen maandag bereikte hij echter de finish—in een opmerkelijk goede conditie.

Maarten van der Weijden (geb. 1981) had een indrukwekkende zwemcarrière. Tijdens de Olympische Spelen van 2008 in Beijing behaalde hij een plak op de tien kilometer. In datzelfde jaar werd hij wereldkampioen open-water-zwemmen. Deze prestaties waren des te opmerkelijker, omdat hij zijn sportieve carrière gedurende vier jaar had moeten onderbreken, nadat hij in 2000 de diagnose kreeg van lymfatische leukemie. Zijn vooruitzichten waren slecht, maar hij herstelde helemaal van deze vaak dodelijke ziekte en maakte een sterke comeback in zijn sport. Nadat hij zijn strijd tegen de kanker had gewonnen besloot hij zich in te zetten voor het werven van fondsen voor kankeronderzoek. De succesvolle poging van dit jaar om de elfstedentocht te zwemmen leverde ruim zes miljoen euro op voor het KWF, de Nederlandse stichting die allerlei soorten onderzoek op het gebied van preventie en genezing van kanker financiert.

Maar weinig recente evenementen in ons land werden door zo veel mensen met zoveel intense belangstelling gevolgd als Maartens poging om te volbrengen wat de meesten van ons voor onmogelijk hielden. Toch hield ik aan deze gebeurtenis ook wel wat gemengde gevoelens over. Natuurlijk zie ik alle pogingen om geld in te zamelen voor kankerresearch in een positief licht. Maar toch blijft het vreemd dat er in een rijk land als Nederland nog steeds om geld voor zo’n goed doel moet worden gebedeld. Jaarlijks wordt in ons land ruim 100 miljard euro besteed aan gezondheidszorg en sociaal welzijn. Kan er dan niet een paar honderd miljoen worden gevonden om het werk van onze onderzoekers (of het nu om kanker gaat of andere dodelijke ziekten) te financieren? Moeten we altijd weer onze toevlucht nemen tot allerlei speciale acties om het geld bijeen te brengen dat nodig is?

Ik vraag me trouwens ook af of het een goed idee is om vrijwillig je lichaam te onderwerpen aan het soort gruwelijke marteling die Maarten besloot te ondergaan. Het had heel gemakkelijk verkeerd kunnen aflopen. Ik geloof dat je je gezondheid niet op een dergelijke manier in de waagschaal moet stellen—zelfs niet in dienst van een liefdadig doel. Er werd gezegd dat Maarten vorig jaar faalde en dat dit hem natuurlijk de ‘push’ gaf om het nu weer te proberen. Ik denk echter niet dat hij vorig jaar faalde. Hoe kun je zeggen dat iemand gefaald heeft als hij in staat was om163 kilometer te zwemmen?

Natuurlijk kunnen we uiteindelijk alleen maar grote bewondering hebben voor het soort koppig volhouden dat Maarten van der Weijden bij zijn tweede poging om de elfstedentocht te zwemmen aan de dag legde. Dat maakt hem tot een groot rolmodel voor velen.

Creatieve (?) Innovatie

Vorige week werd mijn blog geïnspireerd door de thesis van een van de studenten van de Master in Leadership course die Andrews University via Newbold College aanbiedt aan een vijftigtal leiders vanuit geheel Europa (en waarbij ik sinds twee jaar betrokken ben). Ook deze week is een aspect van deze cursus de aanleiding voor mijn blog. Een van de tien pijlers van de studie is ‘Creative Leadership and Innovation.’  Ik heb in de afgelopen periode enkele ‘papers’ moeten lezen waarin de studenten uiteenzetten welke innovatieve projecten zij recentelijk hebben ondernomen en welke theoretische onderbouwing zij daarvoor vonden in de literatuur die zij in dit kader moesten lezen.

Misschien had het mij niet moeten verbazen, maar toch had ik niet helemaal verwacht dat het creatieve element behoorlijk op de achtergrond bleef en dat de innovatie die zij rapporteerden vooral te maken had met technologische vernieuwing: de aanschaf van nieuwe apparatuur en het in gebruik nemen van nieuwe digitale toepassingen. Het bevestigde wat mij in de loop der jaren in mijn diverse jobs binnen de kerk steeds weer is opgevallen.  Innovatie betekent in de praktijk meestal: nieuwe spullen aanschaffen en het betekent zelden een geheel nieuwe, creatieve aanpak van de uitdagingen waarvoor men staat.

Toen ik in de jaren tachtig in Afrika de uitgeverijen bezocht die de kerk verspreid over het continent heeft, zag ik hoe er steeds weer geld werd gevonden om nieuwe machines aan te schaffen, maar dat er geen noemenswaardige pogingen werden gedaan om mensen in de creatieve sfeer op te leiden en een eigen Afrikaanse grafische aanpak enige prioriteit te geven. De uitgeverijen hadden destijds zo’n 700-800 mensen in dienst die de zetapparatuur, de persen, de vouwmachines, enz. bedienden, maar ik constateerde dat voor het gehele continent het aantal voltijds redacteuren en grafische ontwerpers misschien niet op de vingers van één hand, maar dan toch zeker wel op die van twee handen, konden worden geteld.

Dat is een beeld dat—misschien niet met dezelfde schokkende proporties—wereldwijd te zien is. De Adventkerk is altijd goed geweest in het toepassen van nieuwe technologie, zowel wat de printmedia als het gebruik van radio en televisie betreft. Het bleek en blijkt altijd weer mogelijk om nieuwe machines te kopen, studio’s uit te rusten en de nodige computersystemen aan te schaffen. Maar bij veel leiders is nog veel te weinig het besef doorgedrongen dat echte innovatie vooral te maken heeft met het ontwikkelen van creatieve geesten. Zeker, je hebt state-of-the-art camera’s nodig en goed uitgeruste studio’s, enz., maar je hebt vooral talentvolle schrijvers nodig, grafische vaklui en knappe bedenkers van nieuwe projecten en verrassende programma’s. Je hebt mensen nodig die de boodschap van de kerk kunnen vertalen in woorden en beelden die ook spreken tot mensen die deel uitmaken van een totaal andere subcultuur dan de onze.

Een van de grote problemen voor de uitgevers en programmamakers is dat zij zich voortdurend zorgen moeten maken over hun financiële sponsors. Vinden degenen die de rekening betalen dat het product dat zij maken ‘adventistisch’ genoeg? Herkennen zij daarin de ‘tegenwoordige waarheid’ voldoende? Ik noem een voorbeeld. Sinds tientallen jaren geeft de kerk het blad ‘Signs’ uit (voorheen: Signs of the Times). De belangrijkste innovatie die het blad heeft beleefd is dat men er op een gegeven moment voor koos om op het kleine formaat van de Reader’s Digest (‘Het Beste’) over te gaan.  De redactie doet zijn stinkende best om een goed blad te maken, maar ze moeten zich daarbij steeds afvragen: Valt het blad in de smaak bij de oudere, conservatieve kerkleden, zodat zij ook in de toekomst geschenkabonnementen willen weggeven. Als dat zou ophouden is het blad ten dode opgeschreven. Helaas betekent dit echter dat er geen creatieve impuls is om een tijdschrift te maken dat op een nieuwe manier de lezers kan prikkelen met relevante adventistische inzichten.

Op een creatieve manier innovatief zijn heeft wel bepaalde risico’s. Dat ondervonden enkele jaren geleden de makers van de serie ‘The Record Keeper’. Het project had aanvankelijk de officiële kerkelijke imprimatur en kreeg zelf een flinke subsidie uit de kerkelijke koffers. Nadat het script en de opzet was goedgekeurd gingen de grafische innovators aan de slag om hun boodschap op een geheel nieuwe manier uit te dragen. Toen het product klaar was oogstte het veel lof, maar de kerkelijke leiders kregen koudwatervrees en zorgden ervoor dat de film niet in omloop kwam. Het was zo ‘anders’ dan wat men gewend was, dat het mogelijk voor problemen zou zorgen!

Ja, wie echt innovatief wil zijn moet wel durf hebben, En er mag ook best wel eens wat mislukken. Maar zonder die creatieve durf blijft innovatie steken in het alleen maar kopen van nieuwe spullen.

(PS  Besluiten om een kerkdienst van een plaatselijke gemeente voortaan gaan ‘streamen’ is pas een echte innovatie als wat in de dienst aan de orde komt ‘nieuw’ is voor de niet-kerkelijke man of vrouw die  toevallig op de site terechtkomt en nieuwsgierig genoeg wordt om de volgende week weer te kijken.)