Yearly Archives: 2021

Zoom sabbatscholen

Morgenavond (Nederlandse tijd), dus morgenochtend in Californië, begin ik een vijf weken durende serie in de Roy Branson Legacy Sabbat School–een van de tientallen sabbatschool opties voor leden van de Loma Linda University kerk. Deze sabbatschool wordt gewoonlijk bezocht door zo’n vijftig of meer mensen. Hij is genoemd naar Roy Branson, een charismatische professor in de ethiek en vredesactivist. Hij was een van de oprichters van het tijdschrift Spectrum. Roy’s onderwijscarrière omvatte professoraten aan verschillende Adventistische Universiteiten en eindigde met zijn positie als decaan aan de School of Religion aan de Loma Linda Universiteit. Ik leerde Roy goed kennen en had grote bewondering voor hem. Blijkbaar had hij ook waardering voor enkele van de dingen waar ik bij betrokken was, want hij zorgde voor een uitnodiging om in 2014 drie maanden werkzaam te zijn als gastdocent aan de Loma Linda Universiteit. Aafje en ik genoten enorm van dit verblijf in Loma Linda. Roy leidde in die tijd een van de vele speciale sabbatscholen op de universiteitscampus, die wij als regel gedurende die drie maanden bezochten. Eerder, toen Roy doceerde aan de Washington Adventist University had hij mij verschillende keren uitgenodigd (als ik in de USA was voor kerkelijke vergaderingen) om een presentatie te geven voor zijn klas van de Sligo Church in Washington. Tijdens mijn 3 maanden van lesgeven aan de LLU had Roy mij ook gevraagd om een vijf weken durende serie in zijn klas voor mijn rekening te nemen.

Nadat Roy in juli 1915 plotseling overleed werd zijn sabbatschoolklas voortgezet. Hij werd omgedoopt tot de Roy Branson Legacy Sabbath School (RBLSS) en wordt sindsdien gecoördineerd door Dr. David Larson, een andere gerespecteerde ethicus aan de Loma Linda School of Religion en een goede vriend van Roy. Hij en zijn vrouw Bronwen zijn goede vrienden geworden van Aafje en mij. Sinds ongeveer een jaar komt de RBLSS bijeen via ZOOM. Eerder dit jaar heb ik een serie presentaties gegeven over aspecten van de opstanding. Mijn recente boek (Ik heb een toekomst: over dood, opstanding en eeuwig leven) leverde veel van de inhoud van deze presentaties, die werden gevolgd door intense discussies. De nieuwe serie die morgen begint, is gebaseerd op een boek dat nog moet verschijnen. De uitgever (Stanborough Press in het Verenigd Koninkrijk) is in de eindfase van het drukklaar maken van het manuscript van een boek over de wederkomst van Christus, dat ik vorig jaar heb geschreven. Het boek zal niet alleen de traditionele Adventistische opvattingen over dit thema analyseren, maar zal ook enkele kwesties bespreken die voor mij (en vele anderen) nogal problematisch zijn geworden. De werktitel van het binnenkort te verschijnen boek is: He comes: why, when and how Jesus will return. (Het is de bedoeling dat later in dit jaar ook een Nederlandse versie zal verschijnen. Daar ga ik de komende maanden aan werken.)

Het fenomeen van on-line Sabbatscholen opent een nieuw hoofdstuk in de Adventistische kerkelijke cultuur. De Roy Branson Legacy Sabbath School is slechts één van een toenemend aantal speciale sabbatscholen die onderwerpen kiezen die relevant worden geacht voor de trouwe bezoekers, in plaats van het “gewone” door de wereldkerk uitgegeven themaboekje te volgen. Maar een nieuwe ontwikkeling, dankzij het gebruik van ZOOM, is dat de deelnemers aan deze Zoom-Sabbatscholen niet langer uitsluitend uit één regio komen, maar ook van ver weg, zelfs van buiten de Verenigde Staten. Elke week ontvang ik nu in mijn in-box een geannoteerde en bijgewerkte lijst van een vijftiental “progressieve” Zoom-Sabbatscholen, die mij (en alle anderen die deze wekelijkse update ontvangen) in staat stellen te kiezen waar ik digitaal heen ga, afhankelijk van of ik geïnteresseerd ben in het onderwerp en de presentator ken en apprecieer.

Dichter bij huis merk ik in ons eigen land twee dingen op. Ten eerste lijkt het erop dat de lokale gemeenten die een on-line Sabbatschool aanbieden, doen wat ze kunnen om ervoor te zorgen dat deze een goede kwaliteit heeft. Door de aard van de on-line evenementen zijn de voorbereidingen vaak zorgvuldiger en de behandeling van het onderwerp is in veel gevallen meer systematisch en de discussie meer “to the point” dan voordien in de meeste “normale” sabbatschoolklassen het geval was. Maar het blijkt ook dat de meeste kerkleden die op sabbat afstemmen op een on-line dienst eerst wat rondkijken alvorens te beslissen welke van de beschikbare opties zij zullen kiezen, en dat zij een bezoek aan de sabbatschool vaak niet opnemen in hun kijkstrategie. Zal deze periode van digitale erediensten leiden tot een verdere uitholling van de sabbatschool, die waarschijnlijk niet zal stoppen wanneer de dingen weer “normaal” worden? Of zullen we misschien ook nieuwe initiatieven gaan zien met ZOOM sabbatscholen, ook wanneer we weer fysiek kunnen samenkomen, die gericht zijn op mensen die een ander soort Bijbelstudie willen en op zoek zijn naar discussies over onderwerpen die hun dagelijks leven meer rechtstreeks raken, met het voordeel dat ze niet beperkt worden door geografie of tradities van vorm, tijdstip en duur. Ik geloof dat dit een goede zaak zou kunnen zijn, zolang dit het fysieke samenkomen tijdens de eredienst aanvult, en niet vervangt!

Verkiezingen

Op 17 maart gaat Nederland naar de stembus, tenzij er alsnog vanwege de Coronacrisis tot uitstel wordt besloten. Maar tot dusverre wil de Nederlandse regering daar niet van weten en worden er talloze maatregelen genomen om de verkiezingen veilig te laten verlopen. Een categorie oudere kiezers (waartoe ook mijn vrouw en ik behoren) krijgt zelfs de gelegenheid om schriftelijk te stemmen. Dat is in Nederland nog nooit eerder gebeurd. Ik denk echter dat ik gewoon naar het naburige stemlokaal zal gaan om met het rode potlood één plekje op het gigantische stemformulier in te kleuren.

Inderdaad zal het een heel groot stembiljet zijn, want bij deze verkiezingen voor de Tweede Kamer doen niet minder dan 37 partijen mee. Daarbij zijn er veel nieuwkomers en de meeste daarvan zullen de kiesdrempel hoogstwaarschijnlijk niet halen. De stemmen die op deze onsuccesvolle partijen zijn uitgebracht worden, via een ingewikkelde rekenmethode, verdeeld over de partijen die wel zetels in het parlement krijgen. Daarbij loop je dus het risico dat je met je stem wellicht onbedoeld een partij, waarmee je het grondig oneens bent, alsnog aan een extra zetel helpt.

Er zijn nog een paar aspecten aan ons systeem van verkiezingen die mijns inziens wel eens opnieuw zouden moeten worden bekeken. Het grote aantal partijen dat aan de verkiezingen kan meedoen en mogelijk maar een of twee zetels krijgt, leidt tot een versplintering die heel veel nadelen heeft. Maar ik ben wel blij dat wij geen twee-partijen stelsel hebben, waar je keuze soms voornamelijk bepaald wordt door een sterke afkeer van één partij, waardoor je dan toch maar op de andere partij stemt, ook al ben je daar eigenlijk ook niet happy mee. In ons stelsel valt er gelukkig uit een reeks van alternatieven te kiezen. Daarbij bieden allerlei sites op internet, zoals Kieswijzer en Kieskompas, hulp om te ontdekken bij welk partijprogramma je ideeën het beste aansluiten.

Voor christenen is stemmen misschien nog wel een zwaardere verantwoordelijkheid dan voor de niet-gelovige kiezer. Hoe kun je je stem zo gebruiken dat christelijke normen en waarden de koers van ons land meer gaan bepalen die nu dikwijls het geval is. Voor mij zijn dan ook een aantal vragen doorslaggevend voor hoe ik mijn keuze maak. Als christen wil ik wonen in een land dat een duurzame maatschappij wil realiseren en zorg heeft voor onze planeet, en onze natuur. Het is daarbij belangrijk dat we de afgesproken klimaatdoelen halen en ons inzetten voor innovatie op het gebied van energievoorziening en mobiliteit. Dat heeft alles te maken met goed rentmeesterschap. Het is voor mij heel essentieel dat het land waarin ik woon gastvrij is voor de vreemdeling die asiel nodig heeft, want dat is en blijft een cruciaal bijbels principe. Het is ook een heel belangrijke overweging bij het uitbrengen van mijn stem dat de kloof tussen arm en rijk, in eigen land, maar ook in de wijde wereld, kleiner wordt en de welvaart eerlijker wordt verdeeld. En zo zijn er nog wel een paar punten die zwaar voor mij wegen, zoals waarborgen rond het begin en het einde van het leven en andere immateriële zaken die direct raken aan onze levensovertuiging.

Is er tussen de 37 partijen één partij waarmee ik het in alle opzichten eens ben? Helaas niet, maar door mijzelf bovengenoemde vragen te stellen heb ik de keuze wel teruggebracht tot drie of vier partijen waarbij ik me als christen redelijk prettig voel. Op dat punt aangekomen speelt verder vooral ook de vraag of ik mij aangesproken voel door de vrouwen en mannen die het gezicht van een partij bepalen. Ben ik overtuigd van hun kwaliteiten? Zullen zij wat voor elkaar kunnen krijgen? Stralen zij overtuigingskracht en integriteit uit? Doordat de campagnes online moeten worden gevoerd is het dit keer misschien wat moeilijker om je daarover een gedegen oordeel te vormen. Maar de televisie-uitzendingen voor politieke partijen en de komende debatten van de lijsttrekkers kunnen ons daarbij helpen.

Ik blijf de media kritisch volgen, maar inmiddels heb ik eigenlijk mijn keuze wel bepaald en de kans dat dit vóór 17 maart nog verandert is tamelijk gering!

Het belang van relativeren

Ik moet bekennen dat de huidige Corona-crisis veel impact op mij heeft. En, dat ik zo langzamerhand schoon genoeg heb van de restricties die nog steeds gelden, vooral omdat het zich laat aanzien dat we daar voorlopig nog niet van af zijn. Als er de komende weken al versoepelingen van de maatregelen zullen komen, zullen die maar heel mondjesmaat zijn. En dus zullen de dagelijkse gesprekken, het nieuws en de tv-praatprogramma nog wel even worden gedomineerd door Corona-onderwerpen.

Inmiddels is wel duidelijk dat de pandemie niet alleen voor veel stergevallen en IC-opnames zorgt, en grote aantallen mensen fysiek ongemak brengt, maar dat het ook ernstige sociale en mentale gevolgen heeft. Ik kan geen enkele sympathie opbrengen voor de relschoppers van enkele weken geleden, maar snap wel dat er een breed gevoel van diep onbehagen is. Het hakt erin als je niet gewoon bij je ouders, je kinderen en kleinkinderen en je vrienden op bezoek kunt gaan. Thuiswerken is voor velen niet eenvoudig. De horeca is dicht. Winkelen is maar heel beperkt mogelijk. Middelbare scholen blijven nog gesloten. Het verlies van je baan of de ondergang van je zaak—het is allemaal heel heftig. Maar, als ik er soms flink van baal en erover klaag dat het leven nu in veel opzichten ongelooflijk saai is, probeer ik mijzelf te vermanen en mijzelf voor te houden dat mijn persoonlijke situatie bij lange na niet zo benard is als die van miljoenen landgenoten.

Het is belangrijk om te kunnen relativeren. Wat we meemaken mag beroerd zijn, maar het is niet te vergelijken wat veel anderen moeten doorstaan. Die les, dat relativeren belangrijk is, leren we ook als we naar de geschiedenis kijken. Ik ben op dit moment het meesterlijke boek van David van Reybrouck aan het lezen over de geschiedenis van de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië en van de manier waarop Nederland daarmee is omgegaan. Van Reybrouck is een Belgische onderzoeksjournalist die eerder een even verbluffend als triest boek schreef over de Belgische kolonisatie van de Kongo en het chaotische einde daarvan. Zijn nieuwe boek over de Nederlandse rol in wat ooit Nederlands-Indië was geeft een ontluisterend beeld (Revolusi: Indonesië en het Ontstaan van de Moderne Wereld). Zo langzamerhand was ik wel redelijk goed geïnformeerd geraakt over de zgn. “politionele acties” na het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland haar koloniale bewind weer probeerde voort te zetten. Dat daarbij tal van gruweldaden werden gepleegd was lange tijd niet tot het gros van de Nederlandse bevolking doorgedrongen, maar geleidelijk aan is het besef gegroeid dat er daar iets heel radicaal mis was gegaan. Maar nu maakte vooral het gedeelte over de Japanse bezetting ten tijde van de Tweede Wereldoorlog veel indruk op mij. Niet alleen werden tienduizenden Nederlanders (en Duitsers die in Indonesië verbleven) geïnterneerd en kwamen zij in de hel van de “jappenkampen” terecht, maar ook van de plaatselijke bevolking kwamen ongeveer vier miljoen mensen om vanwege de barre omstandigheden en nijpend voedselgebrek. Al lezend besef je dat een Corona-pandemie heel ellendig is, maar dat in het verleden samenlevingen soms door een periode heengegaan zijn die oneindig veel erger was dan wat wij momenteel meemaken. Ja, kunnen relativeren is heel belangrijk!

Wat hield de mensen in Indonesië destijds op de been? De hoop dat er licht was aan het einde van de tunnel. De vijand zou worden verslagen. De ook in Nederland bekende evangelikale schrijver Max Lucado schreef in zijn boek Fearless over de Amerikaanse admiraal James Stockdale. Hij werd tijdens de Vietnamese Oorlog krijgsgevangen gemaakt en werd acht jaar lang onder erbarmelijke omstandigheden vastgehouden in een kamp voor krijgsgevangenen. Toen hij eindelijk werd bevrijd, werd hem gevraagd hoe hij het al die tijd had kunnen volhouden. Dit was zijn antwoord: “Ik raakte mijn geloof in het einde van het verhaal nooit kwijt. Ik bleef ervan overtuigd dat ik ooit weer vrij zou komen en dat uiteindelijk deze ervaring een beslissende episode in mijn leven zou zijn, die ik, in retrospect, niet had willen missen.” Ik weet niet of ik, als de pandemie voorbij is, ook zo op mijn Corona-“gevangenschap” zal kunnen terugkijken. Maar de instelling van deze admiraal is heel waardevol. Blijven geloven dat het verhaal uiteindelijk goed afloopt houdt ons op de been—ook nu ons leven wordt getekend door Covid-19.

Vaccins–wie komt eerst?

Wij Nederlanders zijn goed in het bouwen van dijken en allerlei andere waterbouwkundige werken. En we zijn ongetwijfeld ook goed in nog heel wat andere dingen. Maar als het om het beheersen van de Corona-crisis gaat laten we heel wat steken vallen. De opvattingen veranderen nog wel eens. Eerst werd het niet nodig gevonden om basisscholen te sluiten, maar later wel. Terwijl in heel veel landen het dragen van mondkapjes gold als een waardevol middel om het virus terug te dringen, duurde het maanden voordat ook in ons land daartoe werd besloten —- eerst in de trant van “baat het niet, het schaadt ook niet”, maar tenslotte als verplichting bij alle contacten met anderen buitenshuis

Met het testen liep het aanvankelijk heel wat minder soepel dan in veel andere landen en was er nogal wat gekrakeel over de vraag welke groepen van de bevolking als eerste moesten worden getest. Nu we aan het vaccinatieprogramma zijn begonnen blijft de strategie van de overheid in veel gevallen opnieuw nogal mistig. Toegegeven: voor een deel kan dat de overheid niet worden verweten, want de omstandigheden wijzigen zich van tijd tot tijd. Zo komen de leveringen van de vaccins—met name van AstraZeneca—niet volgens het schema waarvan men eerder meende te kunnen uitgaan.

Dat er nu veel discussie is ontstaan over de volgorde waarin de diverse doelgroepen moeten worden gevaccineerd liet zich wel voorspellen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik vurig hoop dat de groep waartoe ik behoor—-75-plussers met onderliggende klachten—-heel snel aan de beurt is. Dat zal dan een groep zijn die door de huisartsen wordt bediend en in dit geval hoop ik dat er bij mij, naar het oordeel van mijn huisarts, voldoende medische redenen zijn om mij bij de cohort van de kwetsbare 75-plussers te rekenen. (Daarna zie ik liever weer af van die kwalificatie.)

Het is natuurlijk goed dat mensen die in de zorg werken eerst aan de beurt zijn. En niemand zal ontkennen dat ouderen in verpleeghuizen dermate kwetsbaar zijn voor besmetting dat zij ook hoog op de ranglijst moeten staan. En dat de huisartsen zelf prioriteit moeten krijgen is ook verdedigbaar. Maar geldt dat eigenlijk ook niet voor mensen in het onderwijs? Een duidelijke lijn was echter tot dusverre nauwelijks te bespeuren. Bij dit alles krijg ik soms wel wat medelijden met minister Hugo de Jonge die dit lastige Corona-dossier beheert. Er zijn immers talloos veel instanties die mee willen praten en zo langzamerhand lijkt het erop dat er in Nederland zo’n 17 miljoen immunologen wonen.

Er zitten nare kantjes aan de manier waarop allerlei groepen (en soms ook individuen binnen die groepen) bepleiten dat de categorie waartoe zij behoren beslist voorrang moet krijgen. Het is waarschijnlijk niet te vermijden dat er een strijd ontbrandt als de vraag naar een product het aanbod ervan sterk overtreft. Dit aspect heeft echter een extra wrange consequentie als het gaat om de internationale verdeling van de beschikbare vaccins die nu zijn goedgekeurd of in de pijplijn zitten. Helaas blijkt dat de rijke landen ervoor hebben gezorgd dat zij als eersten aan hun trekken komen. Dat betekent dat veel landen buiten het rijke westen voorlopig maar heel mondjesmaat een hoeveelheid vaccins ontvangen. Gelukkig worden er wel wat fondsen beschikbaar gesteld om deze landen te helpen bij het betalen van de rekening en hebben sommige farmaceutische bedrijven besloten deze landen tegen kostprijs te leveren.

Als ik deze problematiek bekijk raak ik er steeds meer van overtuigd dat een aantal cruciale processen in de maatschappij in handen zouden moeten zijn van de overheid. Daarbij denk ik dan vooral ook aan de farmaceutische industrie. De ontwikkeling en distributie van medicijnen moet, mijns inziens, niet aan de “vrije” markt worden overgelaten. En als dat velen te “socialistisch” in de oren klinkt, dan zou ik op zijn minst willen pleiten voor een internationale overeenkomst dat in echte noodsituaties de farmaceuten verplicht zijn hun recept (tegen redelijke compensatie) vrij te geven, zodat het op grote schaal overal waar het op de wereld mensenlevens kan redden, goedkoop gefabriceerd kan worden.

Helaas lijkt het erop dat we in het Westen nog steeds niet zo ver zijn om mensenlevens in de zich ontwikkelende wereld als even waardevol te zien als die van onszelf. Op de achtergrond rijst daarbij natuurlijk ook de prangende vraag waarom de christelijke kerk deze kwestie niet voortdurend onder de aandacht van de regeringsleiders brengt. Het is immers een uitwerking van de liefde voor onze naaste—-dichtbij en veraf—-die de kern is van de leer van Christus!

Gratie

Toen Koningin Juliana in 1973 haar 25-jarig regeringsjubileum vierde, stelde zij aan de toenmalige minister-president Dries van Agt voor om dat te markeren met een grootschalige gratieverlening aan gevangenen. Deze voelde daar als jurist, en als vroegere minister van justitie, helemaal niets voor, maar vond het moeilijk om Hare Majesteit tegen te spreken. Volgens zijn biograaf liet hij zich daarom tijdens zijn wekelijkse overleg met Juliana vervangen door zijn vice-premier Hans Wiegel. Deze stelde aan de vorstin voor om alle gevangenen een taart te sturen, met daarop de woorden “Nog vele jaren.”

De Nederlandse wetgeving kent het verschijnsel van gratieverlening, maar dat is aan heel stringente regels gebonden. In naam verleent de koning/koningin gratie, maar alleen nadat er door de minister van rechtszekerheid, op basis van advies van de rechterlijke macht, advies is uitgebracht. Met andere woorden: Wat aan het einde van een presidentiële termijn in de Verenigde Staten gebeurt, als de president besluit aan een reeks personen gratie of verlichting van straf te verlenen, is in het Nederlandse rechtsbestel ondenkbaar. En dat geldt nog eens te meer, als gratie verleend wordt aan misdadigers, die geen enkel teken van berouw tonen, of aan vrienden van politici die wegens fraude of andere ernstige misdaden achter de tralies zijn terechtgekomen.

In de meeste talen is het woord gratie verwant met het woord “genade”. Het soort gratieverlening zoals door de voormalig president Donald Trump werd toegepast – heeft echter niets te maken met genade, maar eerder met opportunisme. Het is een vriendendienst die na verloop van tijd met een vriendendienst moet worden terugbetaald. Het heeft niets te maken met een herstel van beschadigde betrekkingen en met de betrokkenen een kans geven om een nieuwe start te maken en in de toekomst eerder gemaakte fouten te vermijden en een beter mens te worden.

God is de Ultieme Gratieverlener. Als we bij hem aankloppen om kwijtschelding van straf, kunnen we er zeker van zijn dat we gratie ontvangen. Daarmee wordt niet alleen onze terechte straf volledig kwijtgescholden, maar kunnen we opnieuw, met een schone lei, beginnen. De verhouding tussen ons en God wordt weer hersteld. Met een bijbelse term heet dat “verzoening”. Het goede nieuwe van het evangelie is dat we, als we bereid zijn vergeving aan God te vragen, die ook ontvangen. En daarbij krijgen we ook de innerlijke kracht om de mensen die ons iets hebben aangedaan hun daden of woorden te vergeven en om van andere mensen vergeving te vragen en te accepteren. Niet vanuit een onderliggende gedachte van “zand erover” en “voor wat hoort wat”, maar vanuit een verlangen naar een relatie die wordt gekenmerkt door verzoening en heelheid.

Mensen die zich misdragen moeten als regel worden gestraft. Soms is een waarschuwing of een symbolische straf voldoende, maar dikwijls is dat niet genoeg. Als mensen een regeringsgebouw binnenvallen, politici bedreigen en een spoor van vernieling achterlaten, zoals in de Verenigde Staten op 6 januari gebeurde, kan dat niet ongestraft blijven. En als, zoals in Nederland eerder deze week het geval was, demonstraties tegen Corona-maatregelen worden misbruikt als dekmantel voor geweld en afschuwelijk vandalisme, dan moeten er straffen worden uitgedeeld.

Maar daarna kunnen we niet verdergaan met de gedachte dat de zaak daarmee is afgehandeld, omdat de schuldigen lik op stuk hebben gekregen, zoals ze verdienden. Wat de samenleving nu vooral nodig heeft is herstel van onderling vertrouwen, ontzag voor elkaar en de eigendommen van anderen. Wat vooral ook nodig is, is luisteren naar elkaar in plaats van elkaar overschreeuwen. Het gaat erom dat we al het mogelijk doen-—individueel en gezamenlijk—-om polarisatie en conflict om te buigen naar echte verzoening en heelheid. Dat lijkt een schier onmogelijke opgave. Maar als we in een land van vrede en veiligheid willen leven is dat de enige weg.