Hoe houden we de kerk warm genoeg?

Elke week ontvang ik van een aantal Adventgemeenten in Nederland hun digitale mededelingenblad. Ik kijk er altijd even doorheen, want ik ben altijd nieuwsgierig naar wat er zoal plaatselijk gebeurt en voor welke uitdagingen men staat. Deze week meldt de gemeente Den Haag dat zij te maken krijgt een gigantische verhoging van de energiekosten. Per 1 november zijn de energiekosten voor het kerkgebouw gestegen van 39.920 euro naar 112.960 euro per jaar. Dat is omgerekend 310 euro aan energiekosten per dag—-op alle dagen van de week en dus niet alleen op de sabbat!

In het Nederlands Dagblad van vandaag (donderdag 24 november) staat een paginagroot artikel over dezelfde problematiek, getiteld: “Kerk is niet meer warm te stoken.” Het artikel begint met volgende paragraaf: “In drie van de zes rooms-katholieke kerken in de regio Drechtsteden (Dordrecht, Zwijdrecht en Papendrecht) worden vanaf december tot maart geen zondagse vieringen meer gehouden. De torenhoge energiekosten nopen het bestuur van de parochie tot die maatregel . . .” Even verderop lees ik een uitspraak van de scriba van de Hervormde Gemeente in Barneveld dat hij verwacht dat de jaarlijkse energiekosten voor hun kerkgebouw al gauw met meer dan honderdduizend euro zullen stijgen. De litanie gaat op diezelfde mineur-toon verder.

Persoonlijk heb ik nog niet zoveel van de gestegen energiekosten gemerkt. Ons appartement is heel goed geïsoleerd en de verwarming wordt geleverd via een duurzame stadsverwarming. Het maandbedrag is niet dramatisch gestegen. Gisteren schreef onze elektriciteitsmaatschappij de door de overheid beloofde 190 euro bij op onze bankrekening. Wij hebben gehoor gegeven aan de oproep om die 190 euro te doneren aan iemand die wel veel last heeft van de extra energiekosten. Uiteraard horen we ook van vrienden en kennissen over gigantische verhogingen, omdat hun oude contract afliep. Voor sommigen is dat zonder meer rampzalig.

We beseffen natuurlijk dat onze individuele en collectieve energieproblemen niet te vergelijken zijn met de energieramp die zich momenteel in Oekraïne voltrekt. De energieterreur van de Russen vormt een levensgevaarlijke bedreiging voor de miljoenen inwoners van Oekraïne, temeer daar nu de winter voor de deur staat. Hoe gaat de Oekraïense overheid de mensen de komende maanden van elektriciteit, gas en water voorzien? Hopelijk blijft de westerse wereld Oekraïne met concrete hulp steunen en helpen we het land de winter door.

Maar ondertussen zijn er de uitdagingen in eigen land. Hoe zorgen we ervoor dat we wekelijks naar een redelijk warme kerk kunnen gaan, ook als de temperatuur naar beneden duikt? Wordt met een dikke jas in de kerk zitten de regel? In het verre verleden was dat heel gewoon, maar nu zou dat voor veel mensen een extra reden kunnen zijn om voorlopig de kerkgang maar voor gezien te houden. Dat de thermostaat ook in de meeste kerkgebouwen op zaterdag en op zondag naar ca. 19 graden gaat, ligt voor de hand. Het lijkt mij verder niet onredelijk als niet alleen bedrijven en culturele instellingen, maar ook kerken een tijdelijk subsidie in de energiekosten zouden krijgen. Een van de dingen die echter echt zou helpen is als het kerkbezoek (en daarmee de collecten!) flink zou toenemen. En misschien is dit het moment dat de kerken (inclusief de Adventkerk) daar extra aandacht aan dienen te geven.

De statistieken geven aan dat in de meeste westerse landen hooguit zestig procent van de leden van de Adventkerk de kerkdiensten bezoekt. Er is geen reden om aan te nemen dat de cijfers in Nederland gunstiger zijn. Natuurlijk zijn er allerlei redenen waarom mensen uit de wekelijkse kerkdienst wegblijven. En de Coronatijd heeft daar geen goed aan gedaan. Maar een van de oorzaken is dat voor velen—-en dat geldt vooral voor jeugd en jongvolwassenen–de diensten niet boeien. Ze krijgen er naar hun smaak niet genoeg om hen te stimuleren wekelijks naar de kerk te komen. Hoe dat te veranderen is een gecompliceerde kwestie. Maar we moeten ons met die vraag bezighouden.

Het gaat op veel plaatsen veel hoofdbrekens kosten om het eigen kerkgebouw te verwarmen of de onvermijdelijk hogere huurkosten te kunnen betalen. Maar de allerbelangrijkste vraag blijft hoe datgene wat er in de diensten gebeurt de bezoekers voldoende van binnen verwarmt, zodat zij blijven komen, ook als zij hun jas tijdens de dienst aan moeten houden.

Ongevraagd advies aan “de unie”

Hieronder volgt een ongevraagd advies aan de bestuurders van de Adventkerk in Nederland. Zij zitten waarschijnlijk niet op mijn advies te wachten. Misschien wekt het zelfs irritatie op. Maar ik doe het toch maar. Want de vraag hoe we in onze kerkgemeenschap de polarisatie kunnen terugdringen, en een gezonde diversiteit kunnen bevorderen, waarbij iedereen het gevoel kan krijgen dat hij/zij ertoe doet, houdt me voortdurend bezig.

Sommige van de dingen die ik hieronder noem kosten aardig wat geld. Maar gelukkig gaat het de kerk momenteel financieel tamelijk goed en investeren in het herstel van onderling vertrouwen in de kerk lijkt mij heel verantwoord. Ik denk aan een zevental punten. De volgorde is willekeurig.
1. Er zijn in de afgelopen jaren veel mutaties geweest in het predikantencorps. Veel collega’s kennen elkaar niet of nauwelijks. De groep hangt nu in veel opzichten als los zand aan elkaar. Organiseer daarom in de nabije toekomst een meerdaagse ontmoeting “op de hei”, op een aangename locatie, van alle predikanten en actieve emeriti, om elkaar beter te leren kennen en het groepsgevoel te versterken.
2. Organiseer in 2023 weer een “Open Dag”, waar de kerk zich in de volle breedte kan presenteren en leden uit het gehele land elkaar ongedwongen kunnen ontmoeten. Dat was in de tijd van vóór de Corona een traditie geworden die heel erg op prijs werd gesteld. De Open Dag kan laten zien hoe verschillend de activiteiten en initiatieven zijn van de landelijke kerk en van gemeenten, en wat er zoal (ook letterlijk) op alle gebieden in de kerk “te koop” is.
3. Stimuleer gemeenten om regionale, multi-etnische en multiculturele sabbatten te organiseren, waarin leden van een aantal verschillende gemeenten (en misschien zelfs van buurgemeenten van over de landsgrenzen) elkaar kunnen ontmoeten en zich door elkaar kunnen laten inspireren.
4. Geef een speciaal nummer uit van Advent dat gewijd is aan het terugdringen van de huidige polarisatie. Benoem eerlijk de issues die spelen en geef ruimte voor een dialoog die kan bijdragen tot beter onderling begrip.
5. Organiseer gedurende de komende bestuursperiode weer eens een nationale toogdag waarop de leden uit het hele land massaal bijeenkomen. Het is alweer heel wat jaren geleden dat dit voor het laatst gebeurde. We moeten daarvoor ongeveer tien jaar teruggaan en het feit dat dergelijke evenementen erg duur zijn heeft de lust om weer zo’n dag te organiseren sterk doen afnemen. Maar we hebben af en toe zo’n evenement nodig om te ervaren dat we samen kerk zijn. En dat mag dan wel wat kosten.
6. Na de Corona-tijd is er in veel kerkelijke gezindten bezorgdheid om het afgenomen kerkbezoek. Voor sommigen heeft ook na de pandemie de digitale kerkdienst definitief de plaats ingenomen van het fysiek naar de kerk gaan. Anderen schijnen moeite te hebben het ritme van de wekelijkse kerkgang weer op te pakken. Ik heb de indruk dat dit ook in onze kerk speelt—-hoewel dat van plaats tot plaats verschilt. Zou het goed zijn om een landelijke werkgroep te vormen om na te gaan wat gedaan kan worden om kerkbezoek te stimuleren? In de meeste gemeenten komt zo’n 40 procent van degenen die op de ledenlijst staan nooit of zelden in de kerkdienst.
7. En dan nog iets anders. Er wordt veel geklaagd over het feit dat e-mails aan “de unie” heel vaak niet worden beantwoord en ook dat het kantoor heel slecht bereikbaar is. Door thuiswerken van de medewerkers is er vaak niemand op kantoor. (Ik ervaar dat als ik op dinsdagmorgens als vrijwilliger een aantal uren in het kerkelijk archief werk. Als ik rond 9 uur arriveer is er dikwijls niemand die mij kan binnenlaten). Het kan het vertrouwen in “de unie” doen toenemen als dit aspect aandacht krijgt.

Het is niet moeilijk om vanaf de zijlijn advies te geven. En ik zou zeker nog wel een paar dingen kunnen noemen. Natuurlijk is het gemakkelijk om te reageren met de soms terechte conclusie dat “de beste stuurlui” aan wal staan. Het zijn trouwens geen geniale ideeën die niemand anders kan bedenken. Maar het bovenstaande valt in de categorie van constructief willen meedenken en ik hoop dat het zo wordt gezien.

Samen verder . . .

Een paar weken geleden vond het vijfjaarlijkse congres plaats van de Nederlandse Adventkerk. Afgevaardigden uit de ca. 60 gemeenten en groepen luisterden naar de rapportage van de werkzaamheden van de kerk gedurende de afgelopen jaren en kregen een overzicht van de financiële staat van de kerk. Maar het onderdeel dat gewoonlijk–en ook deze keer—het spannends is, is de verkiezing van de leiders voor de volgende periode van vijf jaar.

Het is geen geheim dat de Nederlandse Adventkerk op dit moment sterk gepolariseerd is. En het is evenmin een geheim dat tijdens dit afgelopen congres het meer behoudende segment van de kerk de toon aangaf en ook verreweg het sterkst vertegenwoordigd is in het nieuwe landelijke bestuur. Het dagelijks bestuur van de afgelopen jaren werd herkozen, maar zowel de voorzitter als de algemeen secretaris ervoeren dat circa een derde van de stemgerechtigde afgevaardigden tegen hun herbenoeming stemde.

Ik kwam met een flinke kater thuis van het congres. Weliswaar werd sindsdien een videoboodschap van de voorzitter met de kerk gedeeld, waarin hij alle leden oproept om samen verder te gaan. Ongeacht of we behoudend of progressief zijn, zo benadrukte hij, zijn we allemaal welkom, en we zijn allemaal nodig in de kerk. Wel, zo voelde het bepaald niet tijdens de congresdagen! Ik vroeg me in de dagen erna steeds weer af: Is dit nog wel de kerk waarin ik mij thuis kan voelen? Heb ik mij gedurende mijn gehele loopbaan ingezet voor een kerk waarvan ik nu vervreemd raak? In de dagen na het congres zocht een flink aantal collega’s contact met me. Zij maakten me deelgenoot van hun zorgen en van hun gevoel van door de kerk verlaten te zijn. Ik sprak ook leden van de kerk die zeiden dat ze overwogen hun lidmaatschap op te zeggen of in ieder geval de landelijke kerkelijke organisatie niet langer financieel te zullen steunen. Ik heb, ondanks mijn eigen zorgen over de koers van de kerk, geprobeerd deze mensen moed in te spreken en aangeraden in ieder geval geen overhaaste dingen te doen.

Nu, na een tweetal weken is mijn kater goeddeels verdwenen. Ik ben vastbesloten mijn relatie tot de kerk niet te laten afhangen van wie de landelijke kerk besturen. Ik wens hen Gods zegen, sterkte en inzicht, en ik hoop dat het nieuwe landelijke bestuur minder conservatief in haar beleid en concrete beslissingen zal blijken te zijn dan ik, en velen met mij, gezien de samenstelling ervan, in eerste instantie vrezen. Ik zal mij zo constructief mogelijk opstellen t.a.v. allerlei projecten (zolang het maar niet een deur-aan-deur uitdelen van “De Grote Strijd” betreft, want dat lijkt me een onzalig idee en een regelrechte PR-ramp).

Het doet me goed voor 2023 weer een reeks van buitenlandse afspraken in mijn agenda te zien staan. En verder zijn het natuurlijk vooral de plaatselijke gemeenten die inspiratie bieden. Sinds het congres van twee weken geleden heb ik gepreekt in Groningen en in Harderwijk en dat was in beide gevallen een heel warme ervaring, en ik weet zeker dat het komende sabbat in Leeuwarden ook zo zal zijn. Gisteren heb ik een groot deel van de dag besteed aan het voorbereiden van een uitvaartdienst voor een lid van de gemeente Harderwijk. Het is een voorrecht om mensen op moeilijke momenten te kunnen steunen.

De kerk is meer dan een congres van afgevaardigden en alles daaromheen. Ik hoop van harte dat mensen niet zullen afhaken omdat ze teleurgesteld zijn over het feit dat de kerk een flinke ruk naar “rechts” heeft gemaakt, maar dat ze inderdaad zullen ervaren dat er in hun kerk, ook in de komende jaren, een plek is voor iedereen en dus ook voor hen.

Allerzielen

[3 November 2022] Gisteren was het Allerzielen. Deze week—-en vooral in het komend weekend–is er op veel plaatsen bijzondere aandacht voor mensen die niet langer onder ons zijn. Net als Allerheiligen, dat een dag eerder werd gevierd, heeft Allerzielen een rooms-katholiek verleden. Rond het jaar 1000 werd deze dag voor het eerst gevierd als een dag om te bidden voor alle zielen die nog niet in de hemel zijn, maar zich nog in het vagevuur bevinden. De naam “allerzielen” stamt uit de dertiende eeuw. Voor de meeste mensen—althans in ons land—-heeft “allerzielen” nu een ruimere betekenis. Ook voor veel niet-katholieken is het een dag geworden waarop we in het bijzonder denken aan onze geliefden die ons zijn voorgegaan. Dat is ook de inhoud van de plechtigheid die de komende zondag om 12.00 u plaatsvindt op de algemene begraafplaats van de plaats waar ik woon (het dorp Zeewolde in de Flevopolder). Ik ben niet van plan erheen te gaan, want mijn vrouw en ik hebben een andere belangrijke afspraak, maar in de eerste week van November denk ik toch ook meer dan anders het geval is aan geliefden die er niet meer zijn. In deze week vielen de verjaardagen van mijn moeder en mijn jongste zus. Mijn moeder zou nu, als ze er nog was, haar 110e verjaardag vieren en mijn jongste zus zou een dag daarna 72 zijn geworden. Helaas werd zij maar 33.

In de Adventkerk is het niet gebruikelijk om publiekelijk veel aandacht te geven aan degenen die gestorven zijn. Sommige kerkleden zullen misschien stilletjes ergens wel eens een kaarsje branden, maar daar verder niet te veel over praten, want volgens veel medegelovigen is kaarsjes branden een veel te rooms gedoe. In een aantal plaatsen in Nederlandse huren adventisten voor hun kerkdiensten een gebouw van het Leger des Heils. Daar heeft men steevaast ergens aan een muur een bord met de lijst van de namen van korpsleden die zijn “bevorderd tot heerlijkheid.” Ik vind dat een mooi gebruik, hoewel onze theologie natuurlijk van ons eist dat we dat anders moeten formuleren.

Ik werd een paar dagen geleden getroffen door wat David R. Larson, een Amerikaanse vriend (en emeritus-professor van de theologische afdeling van de Loma Linda Universiteit) op zijn Facebook pagina schreef. Zijn opmerking maakte deel uit van een discussie over de vraag wat de belangrijkste adventistische leerstellingen zijn. Zoals verwacht hoor je bij een dergelijke discussie vooral over de sabbat, de wederkomst en het hemels heiligdom. Maar, volgens Larson, is dat niet juist. Verreweg het belangrijkste geloofspunt van ons als adventisten, schreef hij, is onze visie op de dood. Er is geen ander aspect van ons geloof waar we zo vaak bij stil staan als onze sterfelijkheid en wat ons te wachten staat op het moment dat we sterven.

Ik citeer een stukje uit wat hij schreef:
“Weinig mensen gaan naar bed met de vraag of de ware sabbat op de eerste of de zevende dag van de week valt, wanneer de wederkomst van Jezus zal plaatsvinden, wat Jezus doet in het hemelse heiligdom, of de Geest der Profetie actief was in Ellen White, of dat de term “gerechtigheid door geloof” van toepassing is op de rechtvaardiging alleen of op zowel de rechtvaardiging als de heiliging.
Velen gaan naar bed en vragen zich af wat er met ons gebeurt als we sterven en hoe we goed kunnen leven voordat we sterven. Mensen in alle lagen van de bevolking vragen zich dit af; er zijn echter ook academische specialisten in allerlei disciplines die dit bestuderen terwijl zij onderzoek doen naar geest en lichaam, vrijheid en determinisme, continuïteit en discontinuïteit in de menselijke identiteit . . .”

De visie van zevende-dags adventisten op de dood is niet meer zo uniek als vroeger en wordt tegenwoordig door veel andere christenen gedeeld. Het blijft echter een enorm belangrijk element van wat we de wereld om ons heen hebben te zeggen. Want, zoals Larson, benadrukt: er is geen ander onderwerp waar mensen zo vaak bij stilstaan. En wij kunnen iedereen verzekeren: Wij hebben geen onsterfelijke ziel die het lichaam verliet en “bevorderd werd tot heerlijkheid”–apart van het lichaam. Wij “slapen” enige tijd en wachten op het moment dat we als nieuwe mensen aan ons eeuwige, volmaakte leven beginnen. In dat vertrouwen kunnen we niet alleen op “allerzielen”, maar op elke dag van het jaar stilstaan bij de nagedachtenis van wie ons zijn voorgegaan.

Esther, Ruth en het uniecongres

Mijn vrouw en ik zijn trouwe kijkers van de televisiequiz Twee voor Twaalf. Het is inmiddels een klassiek programma dat al ruim vijftig jaar op de buis is en sinds 1991 wordt gepresenteerd door Astrid Joosten. Er zijn in elke uitzending twee teams van elk twee personen die twaalf vragen over uiteenlopende onderwerpen moeten beantwoorden. De beginletters van de antwoorden moeten dan in de juiste volgorde worden gezet om een twaalfletterwoord te vormen. Als men geen direct antwoord op een vraag weet mag er worden gezocht in een reeks naslagwerken en in sommige gevallen op de computer. Men verdient punten met goede antwoorden, maar verliest punten bij lang zoeken naar antwoorden en bij het zoeken naar het uiteindelijke woord. Al met al een luchtig, maar interessant, en vaak spannend spel.

Veel deelnemers weten echt veel en sommigen zijn ook handig in het snel opzoeken van het gevraagde. Maar op de bijbelse vragen, die met enige regelmaat voorkomen, blijven zij vaak het antwoord schuldig. Zo ook gisteravond. Er werden vrij simpele vragen gesteld over vrouwen in de Bijbel, naar wie ook een Bijbelboek is genoemd. Het ging daarbij respectievelijk om Esther en Ruth. Het eerste team gaf een fout antwoord, en het tweede team wist ook niet wie er werd bedoeld, maar slaagde er in het correcte antwoord op te zoeken. In het verleden keken we ook regelmatig naar het Engelse quizprogramma University Challenge waarin studententeam van diverse Britse universiteiten het tegen elkaar opnemen. Daarbij zijn de vragen gewoonlijk veel moeilijker dan bij Twee voor Twaalf en het is verbazingwekkend hoeveel de studenten vaak weten. Maar als het om simpele bijbelvragen gaat laten ze het als regel afweten.

Onze samenleving is door en door geseculariseerd en nog maar een klein deel van de bevolking beschikt over een stevige bijbelkennis. Kennis van de inhoud van het christelijk geloof en belangstelling voor de kerk als instituut is in de loop van de laatste decennia steeds verder afgenomen. En helaas moeten we vaststellen dat de kerk-—en ook de meeste individuele gelovigen in de kerk—-op dat probleem geen antwoord hebben. Dat bleek ook tijdens de landelijke ledenvergadering van de Adventkerk die op dit moment in Almere plaatsvindt.

Tijdens een vijfjaarlijks kerkelijk congres gaat het vooral om benoemingen van bestuurders en rapportage over de werkzaamheden van de voorgaande bestuursperiode. Dat is nu natuurlijk ook weer het geval. De Coronapandemie heeft er wel voor gezorgd dat veel dingen anders liepen dan gepland! Wat mij tijdens de rapportage vooral opviel was de erkenning dat er de afgelopen jaren te weinig aan evangelisatie is gedaan. Van verschillende kanten werd erop aangedrongen dat dit punt in de komende jaren een veel hogere prioriteit moet krijgen. Maar hoe dat dan zou moeten gebeuren? Dat bleef nogal vaag. Terecht merkte de voorzitter van de Nederlandse Unie op dat we leven in een sterk geseculariseerde maatschappij en dat het een enorme uitdaging is om de geseculariseerde mensen te bereiken. Ja, inderdaad, hoe bereik je de mensen met de bijbelse boodschap die niet meer weten van Esther en Ruth, en die zeggen dat ze nooit in een bijbel lezen?

Het blijft voorlopig zoeken naar nieuwe wegen. De traditionele evangelisatiemethoden werken vrijwel nergens nog in de westerse wereld. De uitdaging is de kern van het evangelie zo te vertalen en te “verpakken” dat onze woorden bij de mensen binnenkomen als antwoorden op de fundamentele vragen die ze hebben. Dat vraagt om geloof, gekoppeld aan expertise en creativiteit, maar ook om durf en de vrijheid om te experimenteren. Een groeiende kerk in onze tijd, en in de toekomst, is een open gemeenschap, maar mensen zich veilig voelen, ook als ze “anders” zijn, en ook als ze vragen hebben waarop geen onmiddellijke antwoorden voorhanden zijn. Het moet een kerk zijn waarin geseculariseerde mensen welkom zijn en waar ze zich senang voelen door de onderlinge warmte en verbondenheid. Het verleden van de kerk kan ons inspireren, maar niet als een model dat we in alles moeten volgen. Helaas is dat voor velen nog te vaak een uitgangspunt.

Het doel van het bereiken van de geseculariseerde mensen om ons heen zal in de nieuwe bestuursperiode die nu begint niet op slag verwezenlijkt kunnen worden. Maar het begint allemaal met het inzicht dat we als kerk samen een open gemeenschap moeten zijn (en in veel gevallen moeten worden!) die mensen aantrekt en niet afstoot of onverschillig laat—-zoals nu nog zo vaak het geval is. Dat is een voorwaarde om een groter deel van onze jeugd binnenboord te houden en mensen die op zoek zijn naar zingeving en zekerheid een plek van geloof, hoop en liefde te kunnen bieden.

Ik blijf (soms tegen beter weten in) hopen dat de kerk die mij lief is in de komende jaren die weg duidelijker zal inslaan dan nu dikwijls het geval is, en dat de wens van het bereiken van onze geseculariseerde medemens meer is dan een vrome slagzin zonder wezenlijke inhoud.