Boeken, en nog meer boeken

Bij de festiviteiten van bijna twee weken geleden rond de negentigste verjaardag van de Zweedse dirigent Herbert Blomstedt trof ik tussen de genodigden een aantal vrienden die ik geruime tijd niet had ontmoet. Een van hen was Per Bolling, een Zweedse predikant die o.a. een tijdlang directeur was van het uitgevershuis van de Zweedse Adventkerk en later voorzitter was van de Zweedse Unie. Hij vertaalde voor mij toen ik op zaterdagmorgen 5 augustus de preek hield.  Per heeft een aantal boeken geschreven en had een exemplaar van zijn laatste boek voor mij meegenomen. Nadat hij eerder een boek schreef over de brief van Paulus aan de Romeinen, gaat dit nieuwe boek over de brief aan de Galaten.[1] Per is een heldere denker en begaafd schrijver.

Sigve Tonstad was met zijn vrouw Serena uit zijn huidige woonplaats in Noorwegen naar het Zweedse Rimbo gekomen. Ook hij had een boek voor mij bij zich–toevallig eveneens over een brief van Paulus. Het is een commentaar op de Romeinenbrief vanuit ecologisch perspectief.[2]  Dat maakt dus wel nieuwsgierig. Door het boek bladerend en hier en daar een paar zinnen lezend, werd het me wel duidelijk dat je voor de ruim 400 bladzijden, met tamelijk kleine letters, wel even moet gaan zitten! Sigve en ik hebben groot wederzijds respect voor elkaar. Tijdens onze ontmoeting in Rimbo was hij heel lovend over mijn recente boek GAAN of BLIJVEN.  ‘Jij schrijft voor de leden van de kerk en wat je schrijft is heel belangrijk voor ze. Ik’, voegde hij eraan toe, ‘schrijf vooral namens de kerk en wil een adventistisch geluid laten horen dat met name voor een publiek buiten de kerk bestemd is.’ Zonder twijfel steekt Sigve, die zowel medicus als theoloog is, als academicus met kop en schouders boven mij uit. Ik beschouw hem als een van de knapste en meest creatieve theologen die er in de hedendaagse Adventkerk te vinden zijn.

Vanuit Rimbo kon ik ook nog een derde boek meenemen. Het is een boek waarin enkele tientallen vrienden van Herbert Blomstedt een hoofdstuk hebben geschreven en dat hem als ‘Festgabe’ was overhandigd.[3] Het was een eer om ook een kort hoofdstuk bij te dragen.

Maar wat het lezen tijdens onze vakantie betreft zijn deze boeken zijn nog niet aan de beurt. Voor de vier weken in Zweden heb ik uiteraard en stapeltje boeken meegenomen. En zoals gewoonlijk lees ik gelijktijdig iets voor pure ontspanning en iets ‘degelijks.’  In de eerste categorie valt het boek van de Zweedse misdaadschrijver Håkan Nesser. Ik lees het in het Zweeds, waardoor mijn leestempo iets langzamer is dan gewoonlijk. Het is opmerkelijk hoeveel goede detective boeken tegenwoordig uit Scandinavië komen. Het is mij nog steeds niet duidelijk waardoor dat zo is.

Het ‘degelijke’ boek dat ik nu bijna uit heb is  kort geleden bij Uitgeverij Boekencentrum verschenen en werd geschreven door Gijsbert van den Brink.  Omdat ik twee jaar geleden een dik boek over dogmatiek van hem en zijn VU-collega naar het Engels vertaalde, heb ik de schrijver tamelijk goed leren kennen en was ik uitgenodigd voor de presentatie van het boek, nu zo’n twee maanden geleden. Het boek heet: En de Aarde Bracht Voort: Christelijk Geloof en Evolutie. Een van de redenen waarom dit boek mij zo aantrok is het feit dat Prof. van den Brink afkomstig is uit de orthodoxe hoek van de Hervormde Kerk. In dat deel van het Nederlandse protestantisme staat men overwegend zeer kritisch ten opzichte van alles wat naar evolutie ruikt. Het wordt van den Brink dan ook door velen in die groepering niet in dank afgenomen dat hij in dit boek onderzoekt in hoeverre christelijk geloof en evolutie kunnen samengaan. Hij probeert aan te tonen dat er geen onoverkomelijke hobbels zijn om de hoofdzaken van het christelijk geloof overeind te houden en tegelijkertijd evolutie als vaststaand feit te accepteren.

Ik heb het boek met enorm veel interesse gelezen. Geleidelijk aan ben ik in de afgelopen jaren tot soortgelijke conclusies gekomen. Dat neemt niet weg dat van den Brink me niet in alle opzichten overtuigt.  Ik bewonder hem vanwege het feit dat hij het aandurft om deze thematiek zo uitgebreid en open te behandelen–ondanks het feit dat het hem veel kritiek oplevert. En daarnaast merk ik op dat het kennelijk in zijn kring mogelijk is om zaken die moeilijk liggen toch aan te snijden, zonder dat men geëxcommuniceerd of doodgezwegen wordt.

Het boek is een aanrader voor adventisten die vol vragen zitten over de officiële visie van de Adventkerk, waarin een letterlijke zesdaagse schepping in een ‘recent’  verleden als enige optie wordt aangereikt. Wat zou het geweldig zijn als adventistische theologen en wetenschappers ook binnen hun kerk vrijelijk over deze materie zouden kunnen discussiëren zonder repercussies te vrezen. En wat zou het fijn zijn als er aan de kerk gelieerde uitgeverijen zouden zijn waar ook degenen die, net als van den Brink, naar antwoorden zoeken en daarover schrijven, met hun manuscripten terecht kunnen. Ik geef de hoop niet op dat het ooit zover komt!



[1]  De Zweedse titel is: Frihet: en Liten Bok of Galatenbrevet (Uitgegeven door Skandinaviska Bokförlaget, 2017).

[2]  Letter to the Romans: Paul among the Ecologists. (Uitgegeven de serie: The Earth Bible Commentary, door Sheffield Phoenix Press, 2016).

[3]  Herbert Blomstedt: Nahe am Herzen der Schöpfung. De inhoud is deels in het Engels en deels in het Duits.

Transgender en Adventist

Het was een lange weg. Zo’n twaalf of dertien jaar geleden werd ik voor het eerst heel concreet en heel direct geconfronteerd met het verschijnsel homoseksualiteit. Ik was uitgenodigd om een reeks overdenkingen te verzorgen tijdens een internationale Kinship conferentie die in Nederland werd gehouden. Het was voor het eerst dat ik een aanzienlijke hoeveelheid tijd doorbracht met een groep gays en lesbiennes (die vrijwel allemaal een band hadden met de Adventkerk). Het horen van alle verhalen over hun persoonlijke geschiedenis en vooral over hun meestal moeilijke relatie met de Adventkerk, dwong me tot diep nadenken over het feit dat een aanzienlijk percentage van de mensheid niet keurig past in de heterogene wereld waarvan ik zelf deel uitmaak.

Sinds die intensieve kennismaking met homoseksuelen heb ik dit onderwerp van allerlei kanten bestudeerd en natuurlijk vooral ook vanuit een bijbels perspectief. Ik heb daarnaast uiteraard kennis genomen van wat mijn kerk over dit onderwerp heef gezegd en heb gezien hoe zij heel vaak in allerlei opzichten homoseksuele leden discrimineert. Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik het niet eens kan zijn met het door de kerk ingenomen standpunt. Dit standpunt is gebaseerd op een letterlijk lezen van een aantal bijbelteksten, zonder al te veel aandacht voor de context. Maar die benadering staat haaks op de onderliggende boodschap van de Bijbel dat voor God iedereen gelijk is, ongeacht maatschappelijke status, etniciteit, gender of seksuele geaardheid. Samen met veel anderen ben ik tot de slotsom gekomen dat de Bijbel allerlei heteroseksuele zowel als homoseksuele praktijken veroordeelt, maar dat er geen reden is te veronderstellen dat daaronder ook relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht vallen, die gebaseerd zijn op een monogame, exclusieve en langdurige commitment uit liefde.

Terwijl ik mijn pelgrimage doormaakte ten aanzien van seksuele diversiteit, werd ik mij gaandeweg ook steeds meer bewust van een breder scala van seksuele geaardheden, gewoonlijk aangeduid met een reeks hoofdletters: LGBTI (of een variatie daarop). De laatste tijd is vooral de situatie van de transgenders in de publiciteit en is daardoor bij velen het besef gegroeid dat het hier om een veel grotere groep mensen gaat dan vaak werd gedacht. Vorig jaar meende ook de Adventkerk dat men deze kwestie niet langer kon negeren en kwam de wereldkerk met een officiële verklaring over dit onderwerp.[1] Zoals viel te verwachten was er aanzienlijke kritiek op deze verklaring. Aan de ene kant waren er de stemmen van degenen die vinden dat de kerk te ver is gegaan in haar begrip voor transgenders, terwijl er bij veel anderen teleurstelling was, omdat de kerk niet bereid is deze groep van mensen in alle opzichten welkom te heten, zonder allerlei bijzondere voorwaarden te stellen.

In veel opzichten doet de verklaring sympathiek aan, maar daarin wordt wel de lijn doorgetrokken van voorgaande verklaringen waarin heteroseksualiteit als ideaal wordt gesteld en voor andere relatievormen geen plaats is. Hoewel in toenemende mate wordt erkend dat het niet-heteroseksueel-zijn zelden een kwestie is van eigen keuze, blijven de mensen met een dergelijke oriëntatie in de kou staan, met geen andere optie dan alleen te blijven.

Ik moet bekennen dat ik nog met heel veel vragen zit. Ik neem aan dat de zonde gevolgen had voor de menselijke seksualiteit. Volgens sommigen schiep God niet uitsluitend het manlijke en het vrouwelijke, maar waren er vanaf het begin allerlei tussenvormen en was er al bij de schepping sprake van een fluïditeit tussen de geslachten. Zij geloven niet dat het ontstaan van homoseksualiteit op een of andere manier het gevolg is van de intrede van de zonde. Ik vind het moeilijk om het daarmee eens te zijn. Het lijkt mij dat de zonde alle aspecten van het leven heeft aangetast en dat na de zondeval niets was zoals het daarvoor was. Maar dat wil bepaald niet zeggen dat iemand met een niet-heteroseksuele oriëntatie meer zondig is dan een heteroseksueel mens. We mogen allemaal ons geluk binnen de ons gegeven omstandigheden optimaal nastreven. Maar ik moet bekennen dat ik rond dit thema nog met allerlei vragen zit.

Dan is er echter nog een ander probleem. Het heeft er alle schijn van dat er tegenwoordig veel meer transgenders zijn dan vroeger. Is dat inderdaad zo, en zo ja, wat is daarvan dan de reden?

Ik heb ook allerlei ‘technische’ vragen over hoe het is om  transgender te zijn. Ik kan me er geen voorstelling van maken. En ik heb geen idee van wat het betekent om een reeks operaties  en andere behandelingen te ondergaan om uiteindelijk te worden wat je in je diepste wezen al was. Ik elk geval lijkt het mij (zoals de officiële kerkelijke verklaring doet) totaal onaanvaardbaar om te stellen dat dergelijke chirurgische en hormonale ingrepen altijd onwenselijk zijn en dat mensen die in het verkeerde lichaam geboren zijn daarmee maar moeten leren leven.

Enige tijd geleden las ik iets heel belangrijks in een boek over homoseksualiteit dat geschreven werd vanuit en conservatief Protestants perspectief: “Degenen onder ons die hetero zijn en die niet steeds bezig hoeven te zijn met onze seksuele oriëntatie, of die moeten verbergen, zullen nooit echt kunnen bsgrijpen wat het betekent om je constant aangetrokken te voelen tot iemand van hetzelfde geslacht.”[2] Hetzelfde is, lijkt mij, van toepassing op het transgender-zijn. En als dat zo is, wie ben ik dan dat ik als een heteroseksuele man iemand die transgender is zou kunnen voorschrijven hoe hij/zij het beste zijn of haar leven zou kunnen inrichten?

Al mijn vragen vervagen op het moment dat het onderwerp niet langer slechts van academische aard is, maar gestalte krijgt in echte mensen van vlees en bloed. De mensen die eerde de film Seventh-gay Adventists uitbrachten hebben onlangs een vijfde korte film gepresenteerd in een reeks documentaires over LGBTI-mensen.  Deze film gaat over Rhonda.[3] Zij werd als man geboren, maar is nu een vrouw die ouderling is in een gemeente van de Adventkerk. Welke vragen ik ook nog mag hebben, ik leg die moeiteloos opzij als ik het verhaal van Rhonda hoor en zie hoe zij nu als transgender en adventist door het leven gaat.


[1] https://executivecommittee.adventist.org/wp-content/uploads/2017/04/111G-Statement-on-Transgenderism.pdf

[2]  Wendy VanderWal-Gritter, Generous Spaciousness; Responding to Gay Chrisians in the Church (Grand Rapids, MI: Brazos Press, 214), p. 51.

[3] http://www.watchfirefilms.com/outs

 

Terug naar vroeger: Boeken verkopen in Zweden

 

In de afgelopen dagen reden mijn vrouw en ik vanuit Zeewolde naar Zweden. We doen er gewoonlijk drie dagen over om onze bestemming te bereiken. Dit keer combineren we een paar weken vakantie bij onze zoon en onze kleindochters met een aantal andere, deels kerk-gerelateerde, activiteiten. Ik ben de tel kwijtgeraakt wat betreft het aantal keren dat ik de reis naar Zweden heb gemaakt. De teller staat op tenminste veertig tot vijftig keer. In de jaren dat ik bij het kantoor van de Trans-Europese Divisie werkte, ging ik regelmatig naar Scandinavië. En sindsdien ben ik gemiddeld twee tot drie keer per jaar in Zweden geweest.

Maar mijn pelgrimages naar Zweden begonnen al toen ik ging studeren. De Nederlandse Adventkerk had destijds de regel dat iedereen die predikant wilde worden in de Nederlandse Unie tenminste een jaar moest colporteren met door de kerk uitgegeven boeken.. Gelukkig was men wel zo inschikkelijk dat dit jaar ook opgesplitst mocht worden in een reeks van vier of vijf zomervakanties.  De filosofie hierachter was dat colportage de beste manier was om mensenkennis te verwerven en te leren met alle soorten mensen om te gaan. Bovendien was het, naar men zei, een evangelisatiewerk van de hoogste orde. [En misschien was het wel helemaal toevallig dat de voorzitter van de Nederlandse kerk toentertijd tegelijkertijd de directeur was van de kerkelijke uitgeverij en dus een heel rechtstreekse interesse had in alles wat de omzet zou kunnen verhogen!

Er was wel een aspect in deze regel van een jaar colporteren dat wat ruimte bood. Je was niet verplicht om perse in Nederland te colporteren. En aangezien er een op waarheid gebaseerd gerucht circuleerde dat het veel gemakkelijker was om boeken te verkopen op het Zweedse platteland dan in Nederland, besloot ik (in het spoor van enkele anderen) om naar Zweden te gaan en daar mijn studiegeld te gaan verdienen. Dat deed ik een aantal zomers en dus verkocht ik boeken in verschillende streken in Zweden. De laatste keer was dat, kort nadat we waren getrouwd, samen met mijn vrouw om zo het geld bijeen te krijgen dat we nodig hadden voor mijn studie in de Verenigde Staten, waar ik aan Andrews University mijn masters graad wilde halen.

Een van de eerste plaatsen waar ik werkte was het stadje Gränna, schitterend gelegen aan het langgerekte Vättern-meer in Zuid-Zweden. Eén van de belangrijkste snelwegen loopt even buiten de plaats om en geeft een fantastisch uitzicht op Gränna en het in het meer gelegen Visingsö, een eiland waar ik ook honderden boeken aan de man (of meestal: de vrouw) heb gebracht. Elke keer als ik daar langsrijd--zoals op deze vrijdag 4 augustus--komen herinneringen aan mijn colportageverleden bij mij boven. Ik moet overigens wel bekennen dat toentertijd het commerciële aspect belangrijker voor me was dan dat van evangelisatie. En ik moet ook toegeven dat ik een vreselijke hekel had aan het werk. Maar het was de beste manier om in korte tijd genoeg te verdienen voor een volgend studiejaar.

Colportage met door de kerk uitgegeven boeken is een belangrijk onderdeel van de adventistische historie. Vanaf het begin werd het intensief gepromoot als een van de meest effectieve manieren om de “Waarheid” bij de mensen te brengen. Maar het was ook een uitgelezen manieren om mensen die hun baan waren kwijtgeraakt, nadat ze besloten hadden om niet langer op zaterdag te werken, aan een broodwinning te helpen. En het was daarnaast  economisch heel interessant voor de kerk!

In de westerse wereld raakte colportagewerk (dat later vooral met een plezieriger term werd betiteld: geschriften-evangelisatie) uit de gratie. Nieuwe regels van de overheid en het feit dat van-deur-tot-deur-verkoop maatschappelijk steeds minder werd geaccepteerd, naast een aantal andere factoren, zorgden ervoor dat binnen betrekkelijk korte tijd deze tak van kerkelijk werk verdween. Daardoor verloren de kerkelijke uitgeverijen in de westerse wereld (waaronder Nederland) een belangrijk deel van hun omzet, en een flink aantal van deze uitgeverijen ging failliet of moest heel sterk inkrimpen.

[Helaas heeft de wereldkerk nog steeds niet volledig geaccepteerd dat de tijd van colportage in de westerse wereld definitief voorbij is. De leiders van deze kerkelijke afdeling op het hoofdkantoor zijn afkomstig uit een deel van de wereld waar boeken verkopen aan de deur nog steeds floreert. Zij vinden dat geschriften-evangelisatie ook in de westerse wereld weer nieuw leven moet worden ingeblazen, ook al vertellen de lokale leiders hen dat dit onmogelijk is. Helaas is dit niet het enige voorbeeld van het droeve feit dat de mensen in Silver Spring niet altijd voldoende begrip hebben voor de situatie in andere delen van de wereld.]

Morgen (zaterdag 5 augustus) hoop ik voor te gaan in een speciale dienst in de kerk van het adventistische college in Zweden, ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van de beroemde (en nog altijd heel actieve) adventistische Zweedse dirigent Herbert Blomstedt. En dan, op maandag, rijden we nog een dikke 500 kilometer in noordelijke richting om op de eindbestemming van deze reis te arriveren.

 

Het keizerlijk toilet

 

In de nadagen van de Weimar Republiek had de minister van buitenlandse zaken een volledige telegraaf-kantoor geïnstalleerd in één van de toiletten in het paleis dat ooit door de Duitse keizers als residentie was gebruikt. Vanuit dit toilet zond de minister zijn boodschappen naar alle belangrijke regeringsleiders in Europa. Hij wist echter niet dat de kabels allang waren doorgesneden en dat al zijn mededelingen niet verder kwamen dan de muren van het toilet.

Ik las over dit voorval in een prachtig boek dat enkele jaren geleden als kerstcadeau kreeg: Ett Annat Liv, van de bekende Zweedse schrijver Olov Enquist van wie ook heel wat boeken in het Nederlands zijn vertaald. [Mijn kennis van het Zweeds is inmiddels zover toegenomen dat ik me met een gerust hart aan de Zweedse editie kan wagen.  Maar dat terzijde, ook al stel ik dat toch met enige tevredenheid vast.] Het was een terloopse opmerking van Enquist waarmee hij aangaf hoe vruchteloos communicatiepogingen vaak kunnen zijn.

Ik heb stevig op het Internet gezocht naar meer informatie over dit verhaal. Natuurlijk is er genoeg over de Weimar Republiek te vinden en vooral over hoe die ten onder ging toen Hitler aan de macht kwam. Maar nergens vond ik een uitgebreidere versie van het verhaal over het keizerlijk telegraaf-toilet. Ik ga er maar vanuit dat het op waarheid berust, maar ook als het een mythe mocht zijn blijft het een veelzeggende illustratie—misschien zou je het met een bijbels woord zelfs een “gelijkenis” kunnen noemen. Want, helaas, veel communicatie vindt zijn oorsprong in een telegraafkantoor op een keizerlijk toilet, en ondanks de indrukwekkende apparatuur komt de boodschap nergens aan.

Het is misschien wat oneerbiedig om de kerk te vergelijken met een keizerlijk toilet, maar in een “gelijkenis” is dat, denk ik, wel geoorloofd. Je kan vaak niet aan de indruk ontkomen dat veel van de kerkelijke communicatie, ondanks de aanwezigheid van alle eigentijdse techniek, niet “aankomt” bij degenen voor wie de boodschappen die uitgezonden worden bestemd waren—al zijn de “zenders” van de boodschap er vast van overtuigd dat ze de wereld om hen heen op efficiënte wijze bereiken.

Enige tijd geleden kreeg ik een kleurige folder (geïllustreerde met afbeeldingen van o.a. een aantal dierlijke gedrochten) in handen waarin een “ZDA-Bijbelstudiegroep”  een aantal bijeenkomsten aankondigde over het komende oordeel over de wereld, over Babylon dat is gevallen en de rol van de VS in de bijbelse profetie. Toen ik de folder zag dacht ik aan het verhaal over het telegraafkantoor op het keizerlijk toilet. En dat soort gedachten komen ook vaker bij mij boven als ik allerlei andere periodieken en boekjes in handen krijg die aan de periferie van de kerk worden uitgegeven. Ze willen een “duidelijke” boodschap overbrengen. Vaak worden ze met de beste bedoelingen samengesteld en verspreid. Maar, beste mensen, zou ik willen zeggen: de kabels waarlangs dit soort communicaties hun weg vinden, zijn al geruime tijd geleden doorgeknipt. Zo lukt het echt niet meer. Zo bereik je hooguit maar een handjevol mensen in je omgeving die met hun oor tegen de deur van het toilet stonden mee te luisteren.

Dat wil overigens niet zeggen dat het de officiële kerk zo veel beter vergaat. Communicatie met de geseculariseerde mens van deze tijd, die vaak geen enkele binding meer heeft met een persoonlijke God en die geen notie heeft van wat er in de Bijbel staat, is een immens dilemma. Je komt er niet met het inrichten van een telegraafkantoor, of, in onze tijd, met alle geavanceerde communicatietechniek die geld kan kopen. Je moet er in de eerste plaats voor zorgen dat iets te zeggen hebt dat van wezenlijk belang is, dat aansluit bij wat mensen van deze tijd voelen en wat ergens in hun bestaan een snaar raakt. En je moet dat vervolgens zo verwoorden dat wat je zegt “aankomt” en verstaan wordt. En daarbij moet je niet langer de kanalen gebruiken die net als de kabels naar het Weimar-toilet allang zijn verdwenen, maar moet je steeds weer nieuwe wegen vinden om de boodschap bij je doelgroep te doen belanden.

Het lijkt onbegonnen werk dat op voorhand tot mislukking gedoemd is. Dat is het ook, als het alleen mensenwerk blijft.

Dat mensenwerk blijft overigens wel een voorwaarde. God inspireert mensen om zijn boodschap te vertalen en door te geven. In elke tijd opnieuw. Wij kunnen ons niet aan die opdracht onttrekken. Maar het wonder, dat de boodschap ook echt “aankomt,” gebeurt alleen als ons harde werken en onze door God gegeven creativiteit vleugels krijgt door de kracht van de Geest.

 

Kerk en staat

 

Enkele dagen geleden doken een aantal interessante foto’s op van een groep evangelikale leiders die met  (en voor) President Trump baden, terwijl ze hun handen op hem legden. Ik vind het nogal vreemd dat zoiets kon gebeuren in de officiële werkruimte van de Amerikaanse president. En ik vind het nog vreemder dat zoveel evangelikalen daarover zo enthousiast waren. Hoewel de waardering voor de president tot ongekende laagte is gedaald, zien veel evangelikalen merkwaardig genoeg hun president nog steeds als een man met grote morele kracht. Ik las ergens op Facebook (van wie de oorspronkelijke post was weet ik niet) dat degenen die enkele jaren geleden beweerden dat Obama een Moslim is nu geloven dat Trump een Christen is! Maar, aan de andere kant, is het ook heel duidelijke dat veel Amerikanen uiterst kritisch zijn over de innige verstandhouding tussen de evangelikalen en de Trump-regering en zich er zorgen over maken dat de traditie van scheiding tussen kerk en staat behoorlijk op de tocht staat.

Ik heb nooit geloofd in een absolute scheiding tussen kerk en staat. Ooit had de Nederlands Hervormde Kerk in mijn geboorteland een heel bijzondere status, waaraan een reeks voordelen verbonden waren. Dat is echter verleden tijd en ook de banden die er eeuwenlang bestonden tussen de Oranjes en de Hervormde Kerk  bestaan niet langer. Er was maar weinig kritiek toen Maxima (onze huidige koningin) ging trouwen met Willem Alexander (onze tegenwoordige koning). En in onze multiculturele en multireligieuze samenleving vindt men een bede om Gods hulp aan het einde van de jaarlijkse Troonrede niet langer gepast.

Ik kan me wel vinden in die veranderingen die de scheiding tussen kerk en staat benadrukken. Aan de andere kant zie ik  geen problemen om, bijvoorbeeld, geld van de overheid aan te nemen voor de bekostiging van bijzondere scholen (op religieuze grondslag), als aan bepaalde strikte voorwaarden wordt voldaan. Waarom zouden de ouders van kinderen op openbare scholen profiteren van de belastingen die we allemaal betalen en zouden de ouders van kinderen op bijzondere scholen dat profijt niet hebben (zoals nu in de VS het geval is)? En waarom zouden door kerken gestichte charitatieve instellingen en NGO’s niet voor dezelfde subsidies in aanmerking komen (uiteraard onder duidelijke voorwaarden) als andere instellingen die dezelfde doelen nastreven? Zolang er heel duidelijke regels zijn lijkt het mij (en dat is ook de opvatting van de meeste Europese christenen, met inbegrip van adventisten) dat kerk en staat op sommige terreinen vruchtbaar kunnen samenwerken.

Maar dan kijk ik naar de VS . . .  Ik heb nooit goed begrepen wat de scheiding van kerk en staat in Amerika nu precies betekent. Als Europeaan kijk ik er altijd vreemd tegenaan als ik de Amerikaanse vlag vooraan in de kerk op een prominente plaats zie. En ik verbaas mij erover dat vrijwel elke redevoering van een politicus eindigt met de woorden: God bless America! En waarom kwam in de afgelopen decennia Billy Graham steevast naar het Oval Office op momenten dat de president een beslissing moest nemen over oorlog en vrede? En wat te denken van de presidentiële ‘prayer breakfasts’? Dit is allemaal al lastig genoeg om te begrijpen, maar Trumps onbeschaamde vrijage met evangelikale leiders maakt het plaatje nog veel gecompliceerder.

In blogs en posts op Facebook lees ik hoe sommige van mijn adventistische geloofsgenoten deze vermenging van geloof en politiek zien als een duidelijk teken van het einde. Zij zijn van mening da allerlei religieuze leiders de politiek zo zullen weten te beïnvloeden dat uiteindelijk de ‘echte’ volgelingen van Christus daarvan de wrange nadelen zullen ervaren. En ze wijzen vooral ook naar uitspraken van paus Franciscus over wereldomvattende maatregelen en structuren die nodig zijn om de fundamentele menselijke waarden te beschermen. Het is zeker belangrijk om alert te blijven, maar we hebben in het verleden al heel vaak gezien hoe gevaarlijk het is om overhaaste voorspellingen te doen omdat dingen toch vaak heel anders uitpakken dan verwacht.  Voorlopig maak ik me veel meer zorgen over de evangelikalen die Trump steunen dan om de uitspraken van de paus. Ik ben het op veel punten met de paus oneens, maar zijn morele kompas lijkt veel beter te functioneren dan dat van de evangelikale leiders die Trump bewieroken als een ‘wedergeboren christen.’